02-06-04

Nou moe! Ik loop al enkele dagen op wolkjes. En dat heeft ve

Nou moe! Ik loop al enkele dagen op wolkjes. En dat heeft veel zoniet alles te maken met de twee recensies van Inbreng nihil die ik tot nu toe onder ogen kreeg. In het veelgelezen weekblad De Bond van 26 mei 2004 wijdt Jozef Deleu de rubriek Lees maar ... aan mijn nieuwe bundel. Eveneens wordt het gedicht Slotpleidooi afgedrukt, naar mijn smaak één van mijn allerbeste gedichten ooit. Prima keuze van Jozef. Ik vermoedde al langer dat Deleu van hetzelfde soort poëzie houdt als ik, maar niettegenstaande de man slechts op enkele kilometers van mij vandaan woont, hadden wij tot nu toe nooit contact met elkaar. Hij nam in zijn eerste Liegend Konijn werk op van Menno Wigman, Rutger Kopland, Luuk Gruwez en Anton Korteweg, toevallig vier van mijn lievelingsdichters.

Ik durf zelfs hier en nu een bekentenis doen die heel erg unlike me is. Het is tijdens het lezen in het allereerste Liegend Konijn dat ik inspiratie in mijn hoofd voelde nederdalen die leidde tot het gedicht Tafelrede, alweer een van mijn allerbeste gedichten ooit en eveneens te lezen in Inbreng nihil, de tot nu toe alleen maar bejubelde opvolger van Niets met jou. Ik weet zelfs nog waar ik me toen bevond, nl. in de trein naar Antwerpen alwaar ik een afspraak had met mijn uitgevers en met Jan H. van Van Halewyck om er te praten over mijn bloemlezing Antwerpen, de stad in gedichten. Over de dag ben ik niet helemaal zeker, ik denk 4 oktober 2003, en even voor de spoortunnel onder de Schelde hield de trein dik twintig minuten halt omwille van een bommelding. Dit is allemaal echt waar. 's Avond ben ik met Harold en Arjan van 521 shoarma gaan eten bij een Turk vlakbij Berchem-station. Aan de muur van het restaurant hing een vlag van Besiktas, die Arjan meteen herkende als … een vlag van Besiktas.

De tweede heerlijke recensie verscheen op zaterdag 29 mei in Trouw en is geschreven door Peter de Boer. Net zoals Deleu slaat hij spijkers met koppen. Jezus, wat is het toch verdomd waar wat die man schrijft. Het is als dichter lastig om iets over het eigen werk te zeggen. Het klinkt al snel ofwel te bekakt of te bescheiden of te relativerend. Ik ben zo'n of zo'n dichter, het lukt me nauwelijks om daar academische prietpraat rond te verkondigen, hoewel ik dat zelf recensent zijnde wel kan over gedichten van anderen. Ik zing nu eenmaal zoals ik gebekt ben. Je vraagt toch ook niet aan een paard waarom het hinnikt en aan een koe waarom ze loeit en niet hinnikt zoals het paard. O.K. I know, je vraagt zoiets niet omdat die beesten toch niet kunnen antwoorden, maar zelfs al mochten ze antwoorden, dan nog zou het een stupide vraag zijn. Daar dienen recensenten dus voor, om het hele circus dat rond een boek hangt, wat mee te helpen organiseren. Als ze dingen schrijven die in mijn kraam passen zijn het goede; schrijven ze dingen die ik verfoei, dan mogen ze voor mijn part branden in de hel, wat eigenlijk een te milde straf is, zoals je kan lezen in mijn gedicht Mijn eerste dag in hel, een van mijn beste gedichten ooit, en - u raadt het al - te lezen in mijn nieuwe bundel Inbreng nihil, die de volle goedkeuring wegdraagt van Jozef Deleu en Peter de Boer, heerschappen die ik voortaan koester in hart en ziel, want wie van mijn poëzie houdt, die houdt van mij, en wie liefde geeft zal liefde krijgen, en was een paard een koe, dan zou het loeien. Yep, zo eenvoudig zit het leven soms in elkaar.


15:29 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

De commentaren zijn gesloten.