08-07-04

OVER ALLOCHTONE SCHRIJVERS EN MIJN BEZOEK AAN PATER LEMAN

Ondertussen wordt op de veelgelezen poëziewebsite www.epibreren.com/rs een poll gehouden om na te gaan wie de populairste recensent is. Zowaar heb ik daar een stem gekregen van de heer Paul Leeuwenkamp. De vraag voor wie hij gekozen heeft, beantwoordt hij met: ‘Philip Hoorne. Omdat hij een heldere kijk meeslepend verwoordt en soms knuppels in hoenderhokken gooit.’

Een driedubbele motivering, welaan! Die heldere kijk kan ik alleen maar beamen. Ik drink heel weinig alcohol, rook omzeggens nooit (ben een sociaal roker, sociaal in de betekenis van ‘als ik dan toch eens rook, verpest ik niet alleen mijn eigen lucht, maar ook de uwe, zonder dank’) en gebruik geen verdovende middelen, dit impliceert het niet aan stiften of vuile sokken snuiven. Omdat ik dagelijks een proper paar aantrek, zou dat qua verdoving al bij al nog meevallen indien ik het toch zou doen, maar neen dus, zelfs dat niet. Meeslepend verwoord. Moeilijk om daar iets over te zeggen, meeslepend verwoorden, ik weet niet goed wat ik me daarbij moet voorstellen. Op dan maar naar het pluimveegedeelte in de stelling van de heer Leeuwenkamp. Ik weet niet hoe hij dat weet, maar ik heb inderdaad ooit eens een knuppel in een hoenderhok gegooid. De details herinner ik me niet meer, maar dat die kip begonnen is, kunnen getuigen bevestigen. Ik zou nooit zomaar een knuppel in een hoenderhok gooien. Eveneens is er toen een proces-verbaal opgesteld door Eerste Wachtmeester Peter Tijgergevecht, de boezemvriend en buurman van die andere Nederlandse inwijkeling Bas Trom (zie een bericht van korte tijd geleden), want hoe je het draait of keert, die Ollanders mogen dan wel de zeven zeeën bevaren hebben en over meer scheepsrelingen gekotst hebben dan om het even welk ander volk ter wereld, toch hokken ze in het buitenland altijd samen, let op de oranje vlek in het straatbeeld.

Iets anders. Zopas heb ik een recensie-exemplaar aangevraagd van het boek ‘Man zoekt vrouw om hem gelukkig te maken’ van Yusef el Halal. Ik vermoed dat dat een leuk boek moet zijn. Halal is een allochtoon die zich een beetje vrolijk maakt om zijn eigen roots. Prima zo, dat scheelt een hoop werk voor het bleke volkje. Welnu, wat lees ik in de promotietekst die bij het boek hoort? "De hoofdpersoon van ‘Man zoekt vrouw om hem gelukkig te maken’, een talentvol, aanstormend schrijver, zoekt naar literaire erkenning, gebruikmakend van een soepel subsidiebeleid en de zucht van uitgevers naar allochtone schrijvers." De zucht van uitgevers naar allochtone schrijvers, ik heb er hier nog nooit iets willen over schrijven, maar ik heb inderdaad meer en meer de indruk dat je met een exotische naam en een allochtone smoel meer kans maakt om in de literaire branche door te breken, dan als ordinaire Vlaamse of Nederlandse kinkel met een Prins Philip- of Prins Willem-Alexander-bakkes. Ik begeef me hier op glad ijs. Dit is een delicate aangelegenheid en ik wens er verder niks over te zeggen tot ik het werk van Nasr, Stitou, Bouazza en andere Saïda en Adinda’s gelezen heb, want ik wil niet de schijn wekken racistisch of bevooroordeeld te zijn. Ik kom hier op terug. Of niet. Allicht niet, dat Gouden Uil-winnend boek van Bouazza, daar heb ik niet zo’n trek in, maar omdat hij de enige allochtone genomineerde was, moest hij die prijs wel krijgen, denk ik, ook al deed A.F.Th. heel hard zijn best om er allochtoon uit te zien. Maar daar trapte de jury - met op kop mevrouw Anna Luyten, die een gezicht heeft dat onverholen uitstraalt dat ze er al jaren van droomt ooit eens in een duistere steeg te mogen botsen op zeven Mbo Mpenza lookalikes die net uit de gevangenis zijn ontslagen - natuurlijk niet in.

Hoe dan ook, van zoiets als positieve discriminatie, mocht het dat al zijn, ga ik compleet door mijn dak. Ooit publiceerde onze groene partij - toen nog Agalev, nu Groen! - een vacature waarin te lezen stond dat bij gelijke bekwaamheid de voorkeur zou worden gegeven aan een vrouw. Nooit heb ik nog gestemd voor dat geitewollensokkengespuis. Meer zelfs, ik heb al mijn stemmen voor Agalev via de rechtbank teruggevorderd. Ik kon tien jaar in de tijd teruggaan, de rest was helaas verjaard. Maar wat besliste die rechter? ‘Ik acht de eis van de eiser onontvankelijk’. De motivering luidde dat elke stemplichtige verondersteld wordt het programma van de partij waar hij voor kiest te kennen. Dat kon ik volledig bijtreden, maar in dat programma, dat ik natuurlijk vooraf grondig had laten bestuderen door een legertje advocaten, stond helemaal niks over positieve discriminatie. Die gadverdamse Groenen waren verdorie nog achterbakser dan het Blok! Niet versaagd, ik naar Pater Leman van het Eenzame Hartenburo, excuseer, ik bedoel het Gelijke Kansenburo. Daar aangekomen stapte ik net op hetzelfde moment de wachtzaal binnen als een andere man, ook van het corpulente type, maar vijf koppen kleiner dan ik. Even spanden we onszelf per ongeluk op tussen de deurposten om er aan de andere kant weer uit te floepen. Pater Leman kwam even later zijn volgende cliënt halen en dat bleek de kleine dikkerd te zijn. Hé, riep ik uit, ik was hier eerst. Neen, ik was hier eerst, repliceerde de man. OK, eerlijk is eerlijk, we waren hier allebei op hetzelfde moment, allebei eerst dus. Omdat de deur niet was uitgerust met fotofinish-apparatuur, geraakten we er niet uit. Wat nu gezongen? Pater Leman zat zichtbaar verveeld met de hele situatie en herhaalde dat hij met de mollige dwerg wilde beginnen, waarop ik de inmiddels legendarisch geworden uitspraak ‘He, Leman, is dit hier het Gelijke Kansenburo of wat?’ in de pater zijn gezicht gooide. Daar had hij niet van terug. Reeds tikte ik het nummer van de politie in op mijn GSM, die ik erbij wilde halen om de nodige vaststellingen te doen en alweder een proces-verbaal op te maken, toen pater Leman met een Salomonsoordeel op de proppen kwam. Hij zou ons tegelijkertijd te woord staan. Geen gelukkige beslissing van de pater. Dat werd daar zo’n kakofonie dat we een uurtje later allebei onverrichter zake terug op straat stonden en dan maar besloten samen een pint te gaan drinken in de dichtstbijzijnde kroeg. In die kroeg hing een bordje aan de muur met de spreuk ‘Arm of rijk, hier zijn alle drinkers gelijk’, wat ook weer niet klopte, want aan de toog zat een langbenige blondine, gehuld in twee zakdoeken - of zouden dat toch een rok en blouse geweest zijn? - die de hele tijd door de cafébaas werd getrakteerd. Na overleg met Jean-Pierre, want zo heette het biertonnetje met voetjes dat net als ik een gelijke-kansen-probleem had, besloot ik dit toch maar niet te rapporteren aan pater Leman. De arme pater had op het einde van de praatsessie zijn natuurlijke ‘cool’ verloren en ons op nogal onbeschofte wijze de deur gewezen. Nog voor die in het slot viel, hoorde ik hoe hij met overslaande stem zijn secretaresse gebood hem een dubbele whisky te brengen, waarna hij weer de vriendelijkheid zelve werd en vroeg of ze hem, nu ze toch bezig was, ook even wilde pijpen. Ik meen nog de klets van een hand op een gezicht gehoord te hebben, maar heel zeker ben ik niet, want Jean-Pierre, mijn metgezel met de vier en een half onderkinnen, en ik stonden al op straat. We vonden dat we daar niet konden blijven staan, want de zweetplas onder Jean-Pierre zijn voeten tastte reeds zijn schoenzolen aan, en zo kwamen we in dat café terecht.

‘Zeg eens, Jean-Pierre,’ probeerde ik een gesprek met mijn partner in crime aan te knopen, ‘ik heb het maar half en half kunnen volgen en niet dat het mijn zaken zijn, maar wat had jíj te melden aan pater Leman?’

Hij gromde en stak een sigaret op. Ik stak er ook ene op, want ik vond dat het groot aantal cafébezoekers wel een sociaal rokertje kon rechtvaardigen. ‘Heb je even tijd, want het is een lang verhaal, razend ben ik, razend, de gewone werkmens moeten ze hebben, altijd de gewone werkmens, ik werk dag en nacht, in een stiel met tal van risico’s en dan krijg je een dreun op je kop van heb ik jou daar. Het is allemaal de schuld van de blauwe en van George Bush!"

Laat ik u de vertelling maar besparen. Kort samengevat kwam het erop neer dat Jean-Pierre als inbreker zijn boterham verdient. Als een moderne Robin Hood gaat hij het geld halen bij de rijken om het aan de armen te schenken. Ha, grapje natuurlijk, ge gelooft dat toch niet? Toch wel? Heb ik u even liggen! Om het voor zichzelf te houden, of wat had je gedacht? Dit is België, 21ste eeuw, halloooo! In het gebied waar hij actief is, voert de lokale overheid een grootscheepse inbraakpreventie- en sensibiliseringscampagne. Met het geld van de belastingbetaler, Philip, jaja, met jouw en mijn geld, voegde Jean-Pierre er met opgeheven vinger aan toe. Waar knelde nu precies de koevoet? Wat had pater Leman daarmee te maken? Wel, in andere landsgedeelten werd die actie niet gevoerd. Overal te lande konden inbrekers met behulp van een simpel aardappelmesje binnengeraken waar ze maar wilden, terwijl in het werkgebied van Jean-Pierre de burgers werden aangemaand om hun gratis veiligheidssloten en busjes peperspray in het gemeentehuis te gaan ophalen.

‘Nooit overwogen om een eerlijk beroep uit te oefenen?’ vroeg ik hem.

Hij verzuchtte. ‘Ik vrees dat ik me zal moeten omscholen, maar de drugs- en vrouwenhandel zijn ook niet meer wat ze geweest zijn. Het is crisis, Philip. Bovendien zijn dat geen sectoren voor jou, zegt mijn vrouw. Je hebt maar school gelopen tot je twaalfde. Nog ambras met het wijf ook. Ze maken ons kapot, Philip. Ik weet niet wie ze zijn en waar ze zijn, maar ze maken ons kapot, langzaam maar zeker. Het is allemaal de schuld van de blauwe. En van George Bush.’

Waar was ik gebleven? Man, ben ik eventjes afgedwaald. Ah ja, Halal. Hoge verwachtingen koester ik aangaande dat boek van hem. Zo’n bruine jongen die de draak steekt met zichzelf en zijn volk, dat bevalt me wel. Spot en zelfspot, ik ben er dol op. Dit geldt trouwens ook voor de witte jongens die de draak steken met zichzelf en hun volk. En de gele, de rode, de purperen en de groen en blauw gestreepte. En meisjes ook natuurlijk, want discriminatie, daar doe ik niet aan, niet negatief en zeker niet positief. Voor positivisme ben je bij Hoorne aan het verkeerde adres. We gaan allemaal dood, de Dood is het eerlijkste en nobelste wezen dat ik ken. Van keizer tot clochard, van kasteelheer tot stoephoer, de Dood komt ze allemaal halen, één na één, in een onbegrijpelijk willekeurige volgorde. Jean-Pierre, de sympathieke inbreker die gezien zijn postuur nooit via de schoorsteen de werkvloer betreedt, en Philip Hoorne, uw allerminst nederige dienaar, zullen evenmin ontsnappen. Zeker weten. Pater Leman, of beter gezegd zijn opvolger, de heer Jozef De Witte (zo heet de man, echt waar!) mag op beide oren slapen, in deze kwestie heb ik geen advies van het Gelijke Kansenburo nodig.


13:06 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

De commentaren zijn gesloten.