22-07-04

MIJMERINGEN VAN EEN DICHTER AAN HET WERK

Misschien vragen mijn fans, u dus, zich af waar ik momenteel zoal mee bezig ben. Verhaaltjes over nonkel Germain, Frank Vandenbroucke en de erotiserende knieholtes van een frituurdel, allemaal goed en wel, maar hoe zit het nu met Hoorne, de dichter, want dat ben en blijf je toch in de eerste plaats, Philip, of niet? We weten nu al wel hoe schitterend die tweede bundel van jou is, want we gaan er mee slapen en staan ermee op, het handige formaat past overigens perfect onder onze hoofdkussens, dank daarvoor, dat heb je goed gezien, en ’s nachts liggen we te woelen omwille van zoveel schoonheid, jouw verzen laten ons werkelijk niet los, maar zeg nu eens, wat brengt de toekomst, mogen wij dat al weten, laat ons a.u.b. niet langer in spanning, wij mogen dan wel gelezen hebben dat er straks een nieuwe Wigman komt, en dat hij uitstekend zal zijn, daar twijfelen wij niet aan, maar de nieuwe Hoorne, hoe zit het daarmee? We weten dat het nog veel te vroeg is, dat we geduld moeten hebben en dat dat niet altijd even gemakkelijk is, dat we je ter compensatie volgende week kunnen aanhoren tijdens het Tuinfeest te Deventer, maar zeg nu eens eerlijk, beste Philip, hoe zit het? Let wel, begrijp ons niet verkeerd, jouw verhalen over die nonkel en dat gedoe bij pater Leman vonden wij best boeiend, maar de vraag die onafgebroken in onze hoofden maalt luidt: wanneer komt Hoorne III?

Wel, vrienden, mijn antwoord is tegelijk eenvoudig en complex zoals alles wat wij doen en laten eigenlijk tegelijk eenvoudig en complex is, of wilt u dat ik alleen spreek voor mezelf? Neen toch, u vindt toch ook dat het leven nog maar half zo lastig is als een daguitstap naar Disneyland Parijs, met u als de enige begeleider van een groepje dat bestaat uit vierenvijftig incontinente, hyperkinetische mongolen met een snotvalling, ja toch? Maar eerst nog even dit, u mag mij tutoyeren, u deed het toch al, maar het mag best hoor, ik ben een dichter van het volk, hoezeer dat volk mij soms zure oprispingen bezorgt, maar dat zullen andere lieden zijn, fans van Roel Richelieu van Londersele, Job Degenaar of Joep Kuiper, jullie zijn anders, jullie zijn goed volk. Ik zou jullie graag namen geven, of beter, jullie namen ontvangen, die ik vervolgens op een bierkaartje zoude noteren en dat bierkaartje zoude ik mede nemen als ik na mijn dood naar de hemel ga, alwaar ik meteen zoude aandringen om die plek een nieuwe naam te geven, want ‘hemel’, is dat niet wel heel erge ouderwetse koude kak? Tegen de poortwachter zoude ik zeggen, hier zie, dit is een lijst met namen van mensen die mij achterna zullen komen, laat hen binnen zonder pasje, fouilleren is niet nodig - al weet ik haast zeker dat je het bij bepaalde vrouwelijke genodigden toch niet zult kunnen laten, jij viespeuk - dit bierviltje is hun adelbrief, het zijn goede mensen, ik weet het zeker. En terwijl de poortwachter in een milde bui is, zoude ik zeggen: als er fans komen van Roel Richelieu van Londersele, Job Degenaar of Joep Kuiper, laat hen ook maar binnen, vergeef hen, ze wisten niet wat ze deden, of beter, ze wisten niet wat ze lazen, en als de poortwachter zoude tegenstribbelen zoude ik hem aanmanen het toch maar te doen, want gelden hier immers niet dezelfde normen en waarden als beneden, moeten wij niet vergeven zoals wij zelf willen vergeven worden, en uiteindelijk zoude de poortwachter mij met een welgemeende fuck off mijn zin geven want, zo gromt hij, de auteur van ‘Niets met jou’, ‘Inbreng nihil’ en ‘Nougabollenpolonaise’ moet je zijn zin geven, (want man, kan die vent zagen en wie weet zitten er tussen de Richelieu-, Degenaar- en Kuiper-fans wel een aantal lekkere wijven, al gelooft hij dat zelf niet) waarmede ik meteen de titel van mijn derde bundel heb verklapt: ‘Nougabollenpolonaise’, en dat moet in één woord op het voorplat, Arjan Weenink kan er nu al niet van slapen, want onze Belg, wat kan die zaniken, een lieve, talentvolle, aardige en gedreven jongen die altijd met twee woorden spreekt, maar zágen, het heeft geen naam! Op het moment dat ik daar bij die poortwachter zal staan, is ‘Nougabollenpolonaise’ al een tijdje geschiedenis, maar hé, wacht eens even, waarom noemt die poortwachter slechts drie bundels? Zal ik dan al heengaan na mijn volgende en zo ja, moet ik dan niet wachten om die uit te brengen totdat ik zo oud zal zijn als Gerrit Kouwenaar nu is, en me voorhouden dat ik dan wel lang genoeg geleefd heb, niet tegen beter weten in door willen gaan tussen al dat jong geweld, of zoude ik toch maar het risico nemen dat die poortwachter, die wel eens de Heer zelve zoude kunnen zijn, alhoewel ik denk van niet, want hij zit te frunniken aan de kont van een vrouw die in de rij enkele plaatsen voor mij staat, en de Heer doet zoiets niet, zo’n jonge vrouw nog, heeft ze ook een lijstje bij, niet dat ik zie, egoïstische trut, het risico nemen zei ik dus, dat die poortwachter niet al mijn titels kent, of er enkele niet meteen uit het hoofd kan opzeggen, of mij opzettelijk wil kleineren door er maar drie van de zesentwintig te noemen, die achterlijke slippendrager van de Heer, of de Heer zelve, kan ook, want hij heeft nu al drie vrouwen laten passeren zonder naar hun borsten te grijpen. Zou de Heer werkelijk het lef hebben om mij net voor ik het eeuwige leven betreed nog wat te jennen, en zo ja, moet ik dan niet op mijn stappen terugkeren en dat hele eeuwige leven laten voor wat het is, en met mij zij wiens naam ik duidelijk leesbaar op dat bierkaartje heb neergepend?

Waarmede ik zeggen wil dat ik hard aan het werken ben en dat ik mijn uitgevers en redacteur binnenkort nieuw werk zal toeschuiven, wat hen ongetwijfeld in vervoering zal brengen, al zullen zij dat ontkennen en playing hard to get. In a publisher’s way of speaking, of course. Maar ik weet wel beter. Zij zullen elkaar in de armen vallen en hete tranen plengen, waarna zich volgende gesprek zal ontwikkelen:

"Vijftien miljoen Nederlanders en vijf miljoenen Vlamingen, mijn vriend, en net wij ontdekken de parel die Hoorne heet. Hoe groot is de kans dat ons dit nog eens lukt?"

"Onbestaande, mijn gulzige vriend, onbestaande, ben jij dan nooit tevreden? Is één Hoorne dan niet genoeg? Nog eerder zullen we een levende hond aantreffen in de keuken van een Chinees restaurant dan een nieuwe Hoorne vinden, toch?"

"Inderdaad, mijn vriend, je hebt gelijk en je verwoordt het zo mooi."

"Ik weet het, mijn vriend, ik weet het."


20:35 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

Commentaren

Beter Beter 1 Hoorne in de hand, dan 10 in de lucht... zeg ik altijd maar!

Gepost door: Arcadim | 23-07-04

De commentaren zijn gesloten.