02-08-04

DE SEIZOENEN MAKEN MIJ WEEK

De seizoenen maken mij week. Toen ik nog heel jong was en er nog maar weinig op mijn teller had staan, viel het al bij al nog reuze mee, maar hoe ouder ik word, des te sneller roteren de jaargetijden om me heen, zo snel dat ik er helemaal dizzy van word.

Er zijn geen seizoenen meer, klinkt het pretentieus uit tal van monden als de temperatuur in december boven de 15° stijgt of als het in de zomermaanden eens drie dagen na elkaar regent. Van alle deskundigheid verstoken oudewijvenpraat, maar het lijkt me wel een leuk idee om die dekselse seizoenen nu maar eens voorgoed door elkaar te husselen. Stel je voor: eerst op tv de koninginnerit in de Tour de France volgen en daarna met de kinderen nog wat sneeuwballen gooien. Of Sinterklaas die zijn blijde intrede maakt in zwemshorts, zijn Pieten heeft hij ingewisseld voor een horde bikini babes. Het aantal stoute kinderen stijgt ineens onrustwekkend.

Waar wil ik naartoe met dit verhaal over de seizoenen? Ik weet het niet. Ik vind dat elke schrijver die zich in zijn eigen verhaal vast rijdt het lef zou moeten hebben om dat toe te geven. Waar naartoe? Wel, ik weet het niet. Er zijn er die bij hoog en laag beweren dat poëzie nergens over moet gaan. Wel, als ik nu eens gedichten schreef die wel ergens over gaan en verhalen die nergens over gaan, zou literair Nederland en Vlaanderen dat pikken? Ik begin wat uit mijn nek te lullen over de vier seizoenen, en opeens maak ik een sprongetje naar … ja, naar wat eigenlijk? Kikkerdril? Waarom niet?

Begin jaren zeventig kon onze schoolmeester zijn leerlingen helemaal euforisch maken met een uitstapje naar een nabijgelegen poel die op bepaalde tijdstippen van het jaar helemaal met die groene smurrie was bedekt. De grootste waaghalzen gleden langs de steile oever naar beneden en vulden een bokaaltje met kikkerdril. De meester bezwoer hen voorzichtig te zijn, want een nat pak was snel gebeurd, en zoiets ontwrichtte alleen maar het rustig voortkabbelende schoolleven. Dan werden de kinderen lacherig en sommigen zetten ineens een grote bek op. Om die reden vonden risicoactiviteiten, en openluchtgedoe hoorde daar onomstootbaar bij, altijd zo laat mogelijk in de namiddag plaats. Als er iets voorviel, dan konden de al dan niet kletsnatte braniemakers om klokslag vier uur aan hun verwekkers worden uitgeleverd, en die zaten dan maar mooi met de last opgescheept.

Ik was een stil en timide kind dat altijd en overal zijn best deed, ik gleed niet in poelen, klauterde niet in bomen en trok niet aan meisjesvlechten. Dat laatste vooral niet. Lieve God, laat jongens die meisjes pijn doen sterven, zo bad ik elke avond. Zelf zal ik braaf zijn – voor wat hoort wat, wist ik toen al – als u die jongens maar laat sterven, u kent ze wel. Dan liet ik ze één voor één voor mijn geestesoog passeren en ik hoopte dat God meekeek en hun foto’s in zijn ‘to do’-lijst opsloeg. God was niet meer van de jongste, gegarandeerd had hij te kampen met erectiestoornissen en slechte ogen, daarom liet ik de grootste booswichten meerdere malen de revue passeren. Vandaag de dag leven die jongens nog allemaal – wat is die God me toch een koppige en tegendraadse stijfkop, verdiende loon die erectiestoornissen, loser! – op één na. Johan S. stierf drie jaar geleden aan zijn verwondingen nadat zijn echtgenote hem verschillende keren met een braadpan op de schedel had gemept. Johan S. kon hele plukken haar uit meisjeskoppen trekken, als klootzak kende hij zijn gelijke niet. Ik was aanwezig op zijn begrafenis en heb de hele plechtigheid van begin tot einde gevolgd, een mens mag wel eens een verzetje hebben. Toen zijn kist werd neergelaten, heb ik me heel even met de Schepper verzoend. Heel even maar, want op de terugweg van het kerkhof, nadat ik de stralende weduwe nog eens uitbundig had gecondoleerd, zag ik hoe een klein poesje onder de wielen van een vrachtwagen met dubbele oplegger terechtkwam. Wie een klein poesje onder de wielen van een vrachtwagen verpletterd ziet worden, houdt daar minstens één slapeloze nacht aan over. Bij mij duurde het een half jaar. In die tijd vroegen mensen mij wel eens waarom ik er altijd zo moe en afgeleefd uit zag. Waarom krijg ik altijd van die holle vragen? Ik zweeg, want begrijpen zou men mij toch niet.


17:41 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

De commentaren zijn gesloten.