31-08-04

HOCKEY

De lange hete sportzomer van 2004 is zo goed als voorbij. Zo lang en heet was hij nu ook weer niet. Dingen die voorbij zijn lijken altijd korter en kouder dan ze in werkelijkheid waren. Zo lijkt het nog de dag van gisteren dat ik werd geboren in een duister Kortrijks hospitaal met vaalwitte muren en veel te vriendelijke zusters, die ’s nachts nauwelijks in slaap durfden te vallen omdat ze vreesden overmand te worden door een nachtmerrie, waarin ze in zwart-witte beelden iets onkuis doen met de lokale parochiepriester. Hoe ik dat zo goed weet? Ik was een bijdehand kind, vanaf dag 1 al. Als ik dan toch moest leven, dan kon ik me maar beter meteen de juiste ingesteldheid aanmeten. Helaas heeft een kind, zeg maar een mens, de dingen niet altijd zelf in de hand, maar dat bleek pas na het verlaten van de kraamkliniek.

Ik heb veel Olympische Spelen gekeken de voorbije twee weken, evenwel niet altijd op onze speciaal voor dat doel gecreëerde zender Sporza genaamd. Want wat bleek, onze nationale televisieomroep had niet genoeg rechten gekocht om een hele dag lang uit te zenden, wat me eerlijk gezegd nogal tegenviel van die goede, ouwe, betrouwbare tante VRT. Ik heb dus basketbal gezien op TVE, handbal op ARD, atletiek op BBC en dameshockey op de NOS. Ik voel me een beetje een voyeur als ik naar hockeyende vrouwen kijk, een pervert zelfs. Ook al is ‘pervert’ volgens Van Dale en het Groene Boekje geen correct Nederlands woord, zo voelde ik me toch, u snapt wel wat ik bedoel. Onder die rokjes dragen ze gelukkig een sportbroekje, dat is alvast een geruststelling. Het zal me maar overkomen dat ik ’s nachts door de zedenpolitie van mijn bed word gelicht. De aanklacht luidt: dameshockey kijken. "Dit is in België helemaal geen populaire sport, mijnheer Hoorne, dus vragen wij ons af waarom u ineens zo geïnteresseerd bent in hockey en dan nog wel dameshockey". "Ik heb maar een klein stukje gezien van de wedstrijd tussen Nederland en Argentinië, mijnheer de commissaris". Mijn gefleem - want dit is natuurlijk geen commissaris maar een hulpagent die na de Olympische Spelen weer gewoon jacht moet maken op kinderen die fietsen zonder licht - helpt niet. Even later in het politiebureau lig ik aan de leugendetector terwijl een helle ondervragingslamp mijn netvlies schroeit. "Waar was u trouwens vannacht tussen twaalf en half twee, mijnheer Hoorne?" In mijn bed natuurlijk, wil ik antwoorden, maar dat zullen die matrakdragers niet geloven. Ik raak in paniek, ik moet het land uit, vluchten naar Trinidad en Tobago. Kan je vluchten naar twee landen? Ik moet dringend eens opzoeken hoe en wanneer dat hele Tobago ineens bij Trinidad werd gevoegd, want Crawford, de Olympische kampioen op de 100 meter van Montreal ‘76, die kwam toch gewoon uit voor Trinidad en niet voor Trinidad en Tobago, of wel? Gelukkig zijn zij die zich geen kwisvragen stellen.

Ondanks de netelige situatie waarin ik me bevind, spelen in mijn hoofd drie liedjes van Wham! om de gouden plak in de categorie Foute-Maar-Desalniettemin-Oneindig-Mooie- Songs-Uit-Middellang-Vervlogen-Tijd. Young guns behaalt goud, Wham Rap! zilver en Club Tropicana brons. Freedom valt net buiten de medailles, maar neemt later op de week nog deel aan de competitie George-Michael-Songs-Uit-De-Tijd-Dat-Hijzelf-Al-Wist-Dat-Hij-Homo-Was-Maar-Wij-Nog-Niet-Of-Is-Het-Omgekeerd. Gelukkig is korfbal geen Olympische sport, denk ik heel even, zo is het wel welletjes. Ik hoor Griekse idioten de woorden Kenteris en Hellas scanderen. Er ontploft geen bom in het stadion, waar zijn de terroristen als je ze nodig hebt? Dit laatste is een grapje, zeg ik er voor alle duidelijkheid even bij. Maar ernstig, is het geen zonde om zoveel geld aan veiligheid te spenderen om dan achteraf te moeten vaststellen dat er helemaal niks is gebeurd? Ook dat is een grapje, zeg ik er even voor alle duidelijkheid bij, want ik ken u niet, lezer, en u kent mij niet. Duidelijkheid voor alles, zei mijn grootvader, en hij kocht vijf brillen en een vergrootglas bij Optiek Verougstraete. De enige terreurdaad werd gepleegd door een Ierse gek in een onmodieus groen rokje, die de leider in de marathon in het publiek duwde. Hij had dat eerder al geprobeerd met Formule 1-wagens, maar is dan wijselijk overgeschakeld op uitgemergelde langeafstandslopers. Zo gek is die Ier dus ook weer niet. Oppassen met gekken, ze durven wel eens beweren dat het de niet-gekken zijn die gek zijn, en af en toe hebben ze nog gelijk ook. Maar dat die Ier niet goed bij zijn zinnen is, staat wel degelijk vast, anders had hij er wel voor geopteerd om in zijn blote flikker het veld op te rennen tijdens een wedstrijd van de Nederlandse hockeymeisjes in plaats van in zo'n aartslelijk groen rokje een Braziliaanse marathonleptosoom voor de voeten te lopen.

Morgen of later op de week schrijf ik iets over de Belgen in Athene en dan heb ik het niet over Robert en Mariette Deschamps-Vandenbogaerde van restaurant Akropolis Adieu, gelegen Kariatidenplein nr. 44 maar wel degelijk over onze atleten.


12:30 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

Commentaren

section Vrouwen ervaren symbolische penisnijd: jaloezie op de voorrechten van mannen. Mischien een reden te meer om niet in je blote flikker over het grasveld van de damesploeg te lopen.

Gepost door: section | 19-07-06

section Hoofdstuk 2 – Persoonlijkheid (Psychologie)

Persoonlijkheid

* Het unieke in een individu, datgene wat hem/haar onderscheidt van andere mensen. De persoonlijkheid wordt gezien als een consistent en stabiel geheel; we nemen aan dat iemand zich in verschillende situaties over een langere periode op ongeveer dezelfde, kenmerkende manier zal gedragen.

Persoonlijkheidstheorieën Oude theorieën
Oude Grieken (o.a. Theophrastus)

* Relatie tussen oerkrachten en persoonlijkheid
* Relatie tussen lichaamssappen (humores) en persoonlijkheid

Kretschmer en Sheldon: karakter op basis van lichaamsbouw

* Lang en dun (leptosoom)
* Breed en gespierd (atletisch)
* Klein en dik (pyknisch)

Aan deze lichaamstypen werden vervolgens karaktereigenschappen verbonden.
Freud’s Psychoanalyse Persoonlijkheid bestaat uit

* Id(es): oerdriften
* Ego (ich): gedragsregels (sublimeren: driften omzetten naar aanvaardbaar gedrag)
* Superego (überich): geweten

# Driften hebben grote invloed, vooral sexuele driften (Eros) en doodsdrift (Thanatos). De doodsdrift is ook de oorsprong van agressieve driften.

Jeugdjaren hebben grote invloed op rest van je leven

* Orale fase (eerste jaren): Zelf vanalles ontdekken
* Anale fase (tot 3 jaar): Eigen wil, zelfstandigheid, koppigheid
* Fallische fase / Oedipoes- of Elektra-complex: (kleuterleeftijd): op te lossen door identificatie met de ouder van hetzelfde geslacht
* Latente fase (tussen kleuterleeftijd en 12 jaar): sexuele driften gaan even ondergronds.
* Genitale fase (vanaf 12 jaar): biologische rijpheid.

Jung Collectief onderbewustzijn

* Bewijs volgens Jung: bepaalde onderwerpen komen in alle culturen terug, zoals de oermoeder, lentefeesten etc.

Kosawa Typisch gericht op de Japanse cultuur

* Mens ontwikkelt zich in een cultuur waar men veel meer waarde hecht aan afhankelijkheid van anderen, in tegenstelling tot het Westen.
* Ajase-complex: jongens worden juist haatdragend tegenover hun moeder.

Neo-Freudianen Algemeen: Ontwikkeling gaat hele leven door / trauma’s uit de eerste jaren kunnen worden hersteld

Erikson
5 fasen van de kindertijd:

* Vertrouwen versus wantrouwen
* Zelfstandigheid versus schaamte en twijfel
* Initiatief versus schuldgevoel
* Vlijt versus minderwaardigheid
* Identiteit versus rolverwarring

* Adolescentie: identiteitscrisis


3 fasen in volwassenheid

* Intimiteit – twintigers (zoeken naar relaties, liefde, intimiteit)
* Generativiteit – middenvolwassenheid (vruchtbaar/productief willen zijn met kinderen, relaties of werk)
* Wijsheid – latere leeftijd

Horney

* Basisangst (gevoel van onveiligheid) heeft veel meer invloed dan de sexuele driften
* Vrouwen ervaren symbolische penisnijd: jaloezie op de voorrechten van mannen.

Afweermechanismen
(Neo-Freudianen) Grotendeels onbewuste maatregelen die iemand neemt om zich te beschermen tegen te grote spanning, pijn of sterke emoties.

* Verdringing: ver wegstoppen en vergeten
* Projectie: eigen emoties/driften/behoeften aan andere toeschrijven
* Regressie: terugvallen naar kindertijd/je afhankelijk gedragen door een emotionele gebeurtenis
* Reactieformatie: overdekking door het tegendeel. Een bang jongetje gaat extra stoer doen.
* Rationalisatie: twijfels en emoties wegpraten: een verklaring zoeken die we aannemelijk, maar niet waar is.
* Verplaatsing: emoties verplaatsen naar een andere persoon of situatie.
* Vluchtgedrag: afleiding of andere prikkel opzoeken om emoties te kunnen “vergeten”.

Moderne Psychoanalyse
(Chodorow)

* Pre-oedipale fase: separatie versus idviduatie
* Jongens en meisjes hebben dezelfde hechtingsfiguur, de moeder

Trekkentheorie
(Trait-theory) Karaktertrekken gebruiken om iemand te beschrijven

* Allport: probeerde als eerste de meest centrale en fundamentele karaktertrekken op te sporen.
* Cattell: kwam tot 16 fundamentele trekken door factoranalyse
* Eysenck:twee belangrijkste dimensies voor karakters: extraversie en neuroticisme

Neurotisch Stabiel
Extravert Prikkelbaar
Impulsief
Agressief
Rusteloos Sociaal
Zorgeloos
Levendig
Spraakzaam
Introvert Angstig
Humeurig
Star
Pessimistisch Bedachtzaam
Passief
Betrouwbaar
Kalm
Huidige 5 Basisdimensies

* Extraversie / expressieve stijl
* Vriendelijkheid / interpersoonlijke stijl
* Neuroticisme / emotionele stijl
* Zorgvuldigheid / werkstijl
* Openheid voor ideeën / intellectuele stijl

Behavioristen
(Pavlov, Watson, Skinner) Gedrag is te voorspellen, te benoemen, te meten en te beïnvloeden

* Gedrag is belangrijk, karakter niet.
* Gedrag is waarneembaar via de zintuigen (geen speculaties over emoties en gevoelens)
* De mens is bij geboorte een onbeschreven blad en kan in principe alles leren. Hij heeft geen driften, behoeften of geërfde karaktereigenschappen. Door systematische opvoeding (operant en/of klassiek conditioneren) is de mens in alle richtingen vormbaar.
* De mens is in grote mate veranderbaar.

Humanisten
(Maslow, Rogers) Een beetje de middenweg tussen freudianen en behavioristen (de “Derde Weg”)

* Mens heeft wel driften (fundamentele behoeften), maar die regeren niet alles.
* Er hoeven lang niet altijd conflicten te zijn tussen id, ego of superego. Je kunt leren om in harmonie te leven met jezelf en anderen.
* Mens ontwikkelt zich niet alleen door conditioneren, opvoeding en omgeving. Je kiest door wie je je het meest laat beïnvloeden, en je kunt jezelf ook opvoeden.
* Eerste jaren zijn wel belangrijk, maar niet allesbepalend.

Socialisatie Het overnemen en verinnerlijken (internalisatie) van opvattingen en gedragsregels van mensen binnen een bepaalde gemeenschap (cultuur).
Hierbij kom je in aanraking met geslachtsidentiteit en de rollen die bij je geslacht horen.
Imitatie / identificatie Imitatie is een aangeboren vermogen. Identificatie betekent dat je wilt vereenzelvigen met een persoon. Daarvoor is een gehechtheid aan die persoon nodig, voor imitatie niet.
Hoofdstuk 3 – Leerprocessen (Psychologie)
Leren Veranderingen in iemands gedrag of gedragspotentieel in een bepaalde situatie, als gevolg van herhaalde ervaringen in diezelfde situatie, mits deze verandering niet verklaard kan worden door natuurlijke instincten of reflexen, rijping of tijdelijke toestanden (zoals vermoeidheid of gewenning)
Manieren van leren en Leervermogens Verschillende “typen” studenten:

* Veldafhankelijk: neemt globaler waar
* Veldonafhankelijk: neemt gestructureerd, ontledend waar
* Accomodator: leert door te doen en te experimenteren
* Assimilators: leert door nadenken, analyseren, problemen te bekijken
* Diverger: bedenkt allerlei nieuwe dingen
* Converger: maakt plannen en modellen toepasbaar en interpreteert gegevens

Leerstijl
Het geheel van studentactiviteiten, ideeën over leren en motiveren, dat iemand op een bepaald tijdstip kenmerkt. (Vermunt)

Volgens Vermunt hebben propedeuse-studenten 4 leerstijlen:

* Betekenisgericht
* Toepassingsgericht
* Ongericht
* Reproductiegericht

Leertheorieën Behavioristen: richten zich op eenvoudige leerprocessen zoals conditioneren.
Cognitieve psychologen: richten zich meer op het innerlijke leren, zoals kennis vergaren.
Behavioristen:
Klassiek conditioneren
(Pavlov)

* Ongeconditioneerde Stimulus (voer) à Ongeconditioneerde Reactie (kwijlen)
* Geconditioneerde Stimulus (bel) à Geen Reactie

Maar als nu de ongeconditioneerde èn de geconditioneerde stimuli worden samengevoegd…

* Ongecond. + Gecond. Stimuli (voer + bel) à Ongeconditioneerde Reactie (kwijlen)

Dan gebeurt er na een tijdje het volgende:

* Geconditioneerde Stimulus (bel) à Geconditioneerde Reactie (kwijlen)

Mensen kunnen dus ook angst aanleren middels klassieke conditionering. Hierbij treden vaak twee situaties op:

* Generalisatie: iemand is niet meer alleen bang voor de tandarts, maar voor iedereen in witte jassen.
* Discriminatie: iemand maakt onderscheid en is in bepaalde gevallen wel bang en in andere niet: iemand is bijvoorbeeld alleen nog maar bang voor hele grote spinnen in plaats van alle spinnen.


Uitdoven

* Aangeleerde reacties kunnen ook worden afgeleerd, door de ongeconditioneerde en de geconditioneerde stimuli niet meer samen te laten gaan.

Behavioristen:
Operant Conditioneren
(Skinner) Belonen

* Een proefdier of -persoon vertoont allerlei gedragingen. Als één van die gedragingen telkens beloond wordt, leert het dier of de persoon dat gedrag te herhalen.
* Die beloning heet een “positivereinforcement”.

Het kan ook omgekeerd:
Straffen

* Een proefdier of -persoon vertoont allerlei gedragingen. Als één van die gedragingen telkens bestraft wordt, leert het dier of de persoon dat gedrag te niet meer te vertonen.
* Die straf heet een “negativereinforcement”.

Behavioristen:
Sociaal leren

* Iemand leert nieuwe handelingen door imitatie van iemand anders of door instructies.
* Wordt ook wel model-leren genoemd.

Cognitieve Psychologen:
Gestalt-theorie Mensen nemen allerlei informatie in zich op en ordenen dit tot een logisch geheel (Gestalt). Er vinden geen simpele stimulus-respons-koppelingen plaats.
Cognitieve Psychologen:
Inzicht Mensen en hogere dieren kunnen leren door inzicht: je ziet opeens een nieuw verband in de informatie die je in je opneemt. Je kunt dan een zogenaamde “Aha-erlebnis”hebben.(Köhler)
Cognitieve Psychologen:
Cognitive map Mensen en dieren leren lange tijd onbewust, maar slaan wel alle informatie op in een “cognitieve map”. Zodra je een bepaald doel wilt bereiken, zet je al die opgeslagen informatie om in bepaald gedrag. (Tolman)
Cognitieve Psychologen:
Informatieverwerking

* Parallel: je neemt allerlei informatie tegelijk in je op.
* Serieel: de aandacht wordt op één ding/persoon/situatie gericht. Dit proces verloopt meer gericht, bewuster en dus ook langzamer.

Geheugen

* Sensorisch register: indrukken blijven heel kort aanwezig. Dient vooral als mechanisme om je aandacht te trekken en te focussen, zodat je relevante informatie kunt gaan opnemen. Duur: milliseconden

* Korte Termijn Geheugen (KTG): Als je aandacht is gefocust en je hebt informatie opgenomen, komt dat in het KTG. Als je die informatie niet herhaalt, is het snel weer weg. Duur: 30 seconden (zonder herhaling). Capaciteit: 7 gegevens (plus of min 2)

# Lange Termijn Geheugen (LTG): Heeft een onbeperkte duur en capaciteit. Informatie in het LTG verdwijnt ook niet zomaar met het verstrijken van de tijd.
Er kan interferentie optreden:

* Nieuwe informatie verdringt oude informatie
* Oude informatie bemoeilijkt het opnemen van nieuwe informatie

Het LTG codeert de informatie op betekenis: je bewerkt de informatie zodat het voor jou zinvol wordt.
Bij het zoeken in het LTG is kunnen mensen meer of minder effectief gebruik maken van hun geheugen. Je kunt serieel zoeken (is “aus” derde of vierde naamval?) door het hele rijtje op te dreunen, maar je kunt ook denken aan vijf Duitse teksten die je hebt gelezen voor je examens (parallel zoeken). Misschien staat “aus”daar bij een woord waardoor je meteen de naamval weet.
Hoofdstuk 4 – Motivatie (Psychologie)
Motivatie Het totaal van beweegredenen of motieven dat op een bepaald ogenblik werkzaam is binnen een individu.

Emoties
Psychische en lichamelijke reacties die ontstaan door interne of externe prikkels, die je als gunstig of schadelijk ervaart voor je belangen.
Moderne emotietheorie Vier componenten:

* Cognitieve component: de interpretatie van een waarneming
* Expressieve of gedragscomponent: lichaamshouding, uiterlijk en gedrag tonen dat iemand een bepaalde emotie ervaart
* Fysiologische component: lichamelijke reactie op de emotie
* Subjectieve component: de beleving, het voelen van de emotie

Functies

* Emoties hebben allerlei functies. Voorbeeld: je bent door een sterke emotie in staat tot oerreacties (vluchten of vechten), waarbij je lichaam ervoor zorgt dat je optimaal kunt gaan handelen. (Bijvoorbeeld een sterk vergrote spierkracht, of de mogelijkheid om zeer snel waar te nemen.)

Motivatietheorieën Onderscheid op basis van

* Eén of meerdere beweegredenen die gedrag verklaren.
* Verklaring voor gedrag zoeken in interne of in externe factoren.


De laatste tijd kiest men vooral voor de volgende twee benaderingen:

* Interactiebenadering: er is een wisselwerking tussen de persoon en de situatie, en het gedrag hangt van beide af.
* Cognitieve benadering: benadrukt de interpretatie die de persoon aan de situatie geeft.

Motivatie door interne krachten

* Iemand heeft een bepaald temperament, een bepaalde mate van introversie of extraversie, of bepaalde driften die bepalen dat iemand zich hetzelfde gedraagt in verschillende situaties.
* Maslowonderscheidt een aantal behoeftenniveau’s: Je moet aan een lagere behoefte voldoen, voordat je een volgende, hogere behoefte kunt gaan vervullen.

Zelfactualiseringsbehoeften V
Erkenningsbehoeften
V
Sociale behoeften
V
Veiligheidsbehoeften
V
Fysiologische behoeften
Maslow’s behoeftenpiramide geeft een verklaring voor intrinsieke motivatie: iemand kan gedrag vertonen dat geen beloning lijkt te hebben. Dat gedrag op zich kan echter voor die persoon al een beloning op zich zijn. Het uitoefenen van bijvoorbeeld een hobby levert niet echt iets op, maar je vindt er wel bevrediging in.

Motivatie door externe krachten (conditionering)

* Gedrag dat beloond of bestraft wordt, geeft een motivatie van buitenaf om dat gedrag wel of niet te vertonen.

Motivatie door een combinatie van in- en externe krachten

* Interactiebenadering: motivatie komt vanuit de persoon zelf en vanuit de situatie.

Persoon zelf + Situatie
V
Gedragsdispositie (neiging tot bepaald gedrag)
V
Nogmaals situatie interpreteren
V
Gedrag
Cognitieve benaderingen:

* Waardeverwachtingstheorie

Verwachting over de kans op gewenste resultaten Instrumentaliteit
kans dat de resultaten van je gedrag leiden tot andere opbrengsten Waarde
van die opbrengsten
V V V
Motivatie
(tot het leveren van prestaties)

* Attributietheorie: benadrukt waar je je succes of falen aan toeschrijft of attribueert.

Vind je dat je succes of falen aan jezelf of aan iets anders te wijten is? > intern / extern
Is je succes of falen langdurig of éénmalig? > stabiel / instabiel
Instabiel Stabiel
Extern Geluk Taakmoeilijkheid
Intern Inspanning Bekwaamheid
Prestatiemotivatie
Faalangst
Angst voor succes

* Positieve faalangst: je bent gespannen, maar denkt niet dat dit je resultaten nadelig zal beïnvloeden.
* Negatieve faalangst: spanning maakt je zo gestresst dat je slechter presteert dan je normaal zou kunnen.
* Angst voor succes: hangt samen met sekse en sekse-rollen. Vrouwen zijn eerder bang voor succes doordat de (mannelijke) maatschappij niet veel ruimte geeft voor succesvolle vrouwen.

Hoofdstuk 5 – Attitude (Psychologie)
Attitude Soort ‘houding’ die je hebt tegenover een bepaald onderwerp.

Een attitude is een consistente en voorspelbare manier waarop een persoon:

* denkt over een object van de attitude
* voelt met betrekking tot een attitude-object
* geneigd is zich te gedragen ten opzichte van een attitude-object.


Via attitudes kun je gedrag min of meer voorspellen.

Attitudes zijn aangeleerd, dit gebeurt door:

* Klassiek conditioneren
* Operant conditioneren
* Imitatie en Identificatie
* Trial and error
* Inprenting
* Inzicht
* Etc.

Cognitieve dissonantie Bij cognitieve dissonantie ontstaat een bewuste ervaring van spanning, wanneer bepaalde informatie strijdig is met andere informatie. Je krijgt bijvoorbeeld informatie binnen is die tegen je eigen attitude ingaat: dit werkt verwarrend. Dit kan uiteindelijk leiden tot een attitude-verandering.
Cognitieve consonantie Met cognitieve consonantie wordt bedoeld: elke gedachte, idee of reden die helpt om je eigen gedrag (en attitudes) goed te keuren en te versterken.
Relatie tussen attitude en gedrag Gedragsintentiemodel van Ajzen en Fishbein
Attitude t.o.v. gedrag
v Perceptie van persoonlijke of situationele belemmeringen
v
>>>>>>>>>> >>>> Intentie tot gedrag >>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>> Gedrag
^
Perceptie van de sociale norm
Hoofdstuk 6 – Perceptie (Psychologie)
Perceptie Het proces waarbij de waarnemer prikkels (stimuli) vanuit de omgeving selecteert, organiseert en interpreteert, zodat er een zinvol en betekenisvol beeld van de werkelijkheid ontstaat.
Subliminale perceptie Prikkels worden zo snel aangeboden dat je ze alleen onbewust waarneemt en verwerkt.
Selectie Een mens selecteert binnenkomende prikkels. Dit hangt af van:

* Kenmerken van de prikkels
o Intensiteit
o Contrast
o Herhaling
o Habituatie (verzadiging)
o Beweging
o Nieuwheid
* Kenmerken van de waarnemer
o Lichamelijke factoren
o Psychische factoren
o Persoonlijkheid
o Leerprocessen
o Motivatie
o Referentiekader
o Verwachting
* Kenmerken van de sociaal-culturele omgeving
o Groep
o Positie in de groep(en)
o Waarden en normen van de cultuur

Organiseren en structureren van informatie Figuur-achtergrondrelatie

* Sommige prikkels (de figuur) worden naar de voorgrond gehaald, andere worden naar de achtergrond gedrongen.

Gestalt-wetten

* Wet van de gelijkheid
* Wet van de nabijheid
* Wet van de goede voortgang
* Wet van de geslotenheid

Interpretatie Je geeft informatie een bepaalde betekenis. De manier waarop je dit doet hangt af van:

* Psychologische factoren
* Sociaal-psychologische en sociologische factoren

Interpersoonlijke perceptie (perceptie bij het waarnemen van mensen)

* Halo-effect: een eerste indruk blijft doorwerken
* Projectie: je schrijft je eigen gedachten en gevoelens toe aan anderen
* Categoriseren: je plaatst mensen in hokjes op basis van uiterlijke kenmerken
* Stereotypering: je kent bepaalde eigenschappen toe aan die hokjes
* Vooroordelen
* Attributieproces: je ziet gedrag en je zoekt daar verklarende oorzaken bij
* Fundamentele attributiefouten: als je zelf faalt, schrijf je dat volledig toe aan je omgeving: als je succes hebt, schrijf je dat volledig toe aan jezelf. Bij anderen keer je dit juist om.

Hoofdstuk 7 – Communicatie (Sociale Psychologie)
Communicatie De overdracht van verbale en non-verbale boodschappen (informatie) tussen twee of meer personen. Zenders en ontvangers voorzien de informatie van een persoonlijke betekenis.
Non-verbale signalen Bijvoorbeeld gebaren, lichaamshouding, gezichtsuitdrukking en oogcontact, geluiden (zuchten, snuiven) en stemgebruik.
Cultuurverschillen en communicatie
Centrale Waarden Wij-Cultuur Centrale Waarden Ik-Cultuur
- Verbondenheid met de groep - Onafhankelijkheid, zelfontplooiing
- Loyaliteit aan tradities en normen - Eigen geweten en verantwoordelijkheid
- Behoefte aan rangen en regels - Globale regels, geen behoefte aan rangen
- Relaties belangrijker dan geld - Tijd is geld
- Beleefdheid, gehoorzaamheid - Eerlijkheid, duidelijkheid
- Bescheidenheid, ingetogenheid - Assertiviteit, jezelf goed “presenteren”
- De man is de baas, traditionele rollen - Man en vrouw hebben gelijke rechten
- Respect voor ouderen - Accent op jong en dynamisch
Circulariteit Deze termwijst op het rondgaan van de communicatie: er ontbreken een duidelijk begin en een duidelijk eind aan de communicatie. Beide personen zijn bezig met zenden en ontvangen.
Interactiepatroon Een serie gedragingen of uitingen die kenmerkend is voor de subgroep
Interpunctie Letterlijk: scheiding der woorden door punten. Figuurlijk betekent het dat ieder mens ‘de punt’ anders zet; ieder mens heeft een andere kijk op de werkelijkheid. Wat de een als oorzaak ziet, ziet de ander als gevolg.
Misverstanden en storingen Kunnen optreden door:

* Selectieve perceptie: het is onmogelijk om een boodschap exact zo te interpreteren als de zender ‘m bedoelde.
* Definitie van de relatie: zender en ontvanger kunnen een andere kijk hebben op hun relatie.
* Diskwalificaties zijn tactieken die mensen gebruiken om zaken te verhullen, om niet direct aan te geven wat ze bedoelen. Het kan een meer of minder bewuste strategie zijn.
Voorbeelden:
o Jezelf tegenspreken
o Vaag en algemeen praten
o Zeggen dat jij het niet vindt, maar dat men (groep, God, een persoon) het niet goed vindt

Misverstanden komen onder andere door:
o Negeren van informatie die strijdig is met eigen kennis en attitudes
o Non-verbale signalen die niet kloppen met wat gezegd wordt
o Emotionele geladenheid
o Gebrek aan vertrouwen
o Machts- en statusverschillen
o Milieuverschillen en cultuurverschillen
o Verschillen in beleving van de werkelijkheid door mannen en vrouwen

Aspecten van een boodschap

* Zakelijke aspect: de feitelijke inhoud
* Expressieve aspect: de zender geeft informatie over zichzelf
* Relationele aspect: zender maakt zijn visie op de relatie tussen de zender en de ontvanger duidelijk
* Appellerende aspect: effect dat de zender wil bereiken

Communicatie is dus effectief, wanneer de ontvanger niet alleen begrijpt wat de zender bedoelt, maar ook de reactie laat zien waar de zender op gerekend heeft.
Voorwaarden voor effectieve communicatie (Pinto)

* Technische voorwaarde: je moet elkaar kunnen verstaan (taal, volume, etc.)
* Cognitieve voorwaarde: je moet elkaar kunne begrijpen, op hetzelfde niveau zitten
* Interpretatieve voorwaarde: de zender en ontvanger moeten het onderwerp van de boodschap op dezelfde manier interpreteren
* Affectieve voorwaarde: de zender en ontvanger moeten wat betreft referentiekader op dezelfde lijn zitten

Metacommunicatie Expliciet feedback geven, of: communicatie óver de communicatie.
Hoofdstuk 8 – Interpersoonlijke Attractie (Sociale Psychologie)
In een andere samenvatting zag ik dat de maker dit hoofdstuk had overgeslagen – en ik sluit me er bij aan… Sommige dingen moet je niet teveel willen analyseren.
Hoofdstuk 9 – Groepsprocessen (Sociale Psychologie)
Groep Een begrensde eenheid van twee of meer personen die in bepaalde opzichten van elkaar afhankelijk zijn, gemeenschappelijke uitgangspunten (waarden) hebben en elkaar wederzijds beïnvloeden.

Kenmerken:

* Directe interactie
* Gezamenlijke waarde, normen en doelen
* Groepsstructuur

Groeperingen

* Sociale categorieën: leden hebben een bepaald kenmerk gemeen (studenten)
* Collectieven: leden hebben een zeker verwantschap in doel, waarden of opvattingen (Amnesty, bedrijven, scholen)
* Togetherness-situatie: mensen zijn tijdelijk samen

Gemeenschappelijk kenmerk

Waarden en normen


Directe interactie
Groep x x x
Collectiviteit x x ―
Sociale categorie x x ―
Togetherness ― ― x
Groepen Verschillende soorten indelingen:

* Formele groep: iedereen weet zijn taak en positie
* Informele groep: wisselende posities en rollen, ontstaan vaak spontaan

* Primaire groepen
* Secundaire groepen

* Taakgerichte groepen
* Relatiegroep

Functies van groepen De referentiegroep dient als een vergelijkingspunt bij het vormen van bepaalde algemene of specifieke waarden of attitudes en het ontwikkelen van bepaalde gedragingen. Je hoeft niet perse lid te zijn van een referentiegroep.

Referentiegroepen hebben de volgende functies:

* Normatieve functie: om de waardering en bevestiging van de andere groepsleden te krijgen moet je je aanpassen aan de gedragsnormen van de groep.
* Vergelijkende functie: je vergelijkt je meningen, attitudes en gedrag met dat van de groep
* Negatieve referentiegroepen: groepen waar je geen lid van wilt zijn, en waar je je tegen afzet
* Aspiratiegroep: groep waar je lid van wilt worden
* Anticiperende socialisatie: je “alvast” aanpassen aan de groep waar je lid van hoopt te worden

Ontwikkeling van
de taakgerichte groep Vijf fasen:

* Testfase: de mensen in de groep tasten elkaar af
* Stormfase: rollen posities zijn al wel verdeeld, maar er zijn nog allerlei conflicten
* Normfase: afspraken zijn gemaakt, taken en procedures liggen vast
* Uitvoeringsfase: goed werkklimaat, groep functioneert als eenheid
* Oplosfase: groep gaat uit elkaar

Communicatie binnen
de kleine groep Interactie Proces Analyse (Bales)
A Sociaal-emotioneel gebied
Positieve reacties

1. Toont zich vriendelijk
2. Ontspant de atmosfeer
3. Toont instemming

B Taakgebied
Pogingen tot antwoord

4. Doet voorstellen
5. Geeft zijn mening
6. Geeft informatie

C Taakgebied
Vragen

7. Vraagt om informatie
8. Vraagt om meningen
9. Vraagt om voorstellen

D Sociaal-emotioneel gebied
Negatieve reacties

10. Toont zich oneens
11. Toont zich gespannen
12. Toont zich vriendelijk


Elke groep heeft een bepaald interactieprofiel, dat wil zeggen: elke groep scoort bepaalde percentages op bepaalde nummers.
Structuur en positie

* De groepsstructuur is een netwerk van mensen die een bepaalde positie innemen (binnen een groep) en onderling met elkaar verbonden zijn. Iedere groep heeft haar eigen structuur.

* Een groep kan een formele of een informele structuur hebben, maar ook vaak beide.

Posities:
* Verworven (achieved) positie
* Toegewezen (ascribed) positie

Rollen en rolconflicten

* Rollen zijn verwachtingen die mensen hebben over gedrag dat iemand in een bepaalde positie moet vertonen. Als je gedrag laat zien dat past bij je rol, vertoon je ‘rolgedrag’.

* Als je wel het gepaste rolgedrag vertoont, maar je daar niet mee verbonden voelt, heet dat roldistantie.

* Rol-overidentificatie is het toepassen van rolgedrag in situaties waar dat niet gepast is. De rol is dan te diep in je persoonlijkheid doorgedrongen.

* Bij rolconflicten zijn er tegenstrijdige eisen of verwachtingen met betrekking tot de rollen, die iemand heeft of moet vertonen.
o Intern rolconflict: middenmanager die aan de “eisen” van de directie èn aan die van de werkvloer moet voldoen
o Extern rolconflict: iemand die bij Shell èn bij Greenpeace werkt.

Groepscultuur en
groepsnormen

* Een groepsnorm is een ongeschreven regel, waaraan de groepsleden zich aan dienen te houden. Hierbinnen heb je taaknormen en omgangsnormen.

* Normen kunnen blokkerend of stimulerend werken.

* Normen kunnen een gunstige werking hebben op de groepscohesie.

Groepscohesie

* Cohesie is te omschreven als een goede teamgeest, een grote saamhorigheid of een “wij-gevoel”.

* Met een sociogram kun je in kaart brengen tot welke groepsleden binnen een groep de anderen zich wel of niet voelen aangetrokken. Je brengt dus de positieve en negatieve voorkeursrelaties in beeld.


Factoren die cohesie kunnen verhogen:

* Pressie van buitenaf, bijvoorbeeld oorlogsdreiging (denk aan het nationalisme in de VS na de aanslagen van 11 september).
* Een taak succesvol afronden: geeft een trots gevoel.
* Moeizaam verkregen lidmaatschap: als je veel moeite hebt moeten doen om lid te worden van de groep, ben je er des te trotser op als je lid wordt. Cognitieve dissonantie speelt hier ook een rol: als het lidmaatschap tegenvalt na al die inspanning, ben je geneigd om het lidmaatschap toch positief te waarderen.

* Een hoge cohesie leidt tot een versterking van de informele regels (normen) binnen de groep, en de groepsleden zullen zich sterker conformeren.

* Cohesie kan negatief werken, als bijvoorbeeld groepen met een hoge cohesie moeten samenwerken, of nieuwe regels van hogerop krijgen opgelegd.



Gepost door: section | 19-07-06

De commentaren zijn gesloten.