31-08-04

HOCKEY

De lange hete sportzomer van 2004 is zo goed als voorbij. Zo lang en heet was hij nu ook weer niet. Dingen die voorbij zijn lijken altijd korter en kouder dan ze in werkelijkheid waren. Zo lijkt het nog de dag van gisteren dat ik werd geboren in een duister Kortrijks hospitaal met vaalwitte muren en veel te vriendelijke zusters, die ’s nachts nauwelijks in slaap durfden te vallen omdat ze vreesden overmand te worden door een nachtmerrie, waarin ze in zwart-witte beelden iets onkuis doen met de lokale parochiepriester. Hoe ik dat zo goed weet? Ik was een bijdehand kind, vanaf dag 1 al. Als ik dan toch moest leven, dan kon ik me maar beter meteen de juiste ingesteldheid aanmeten. Helaas heeft een kind, zeg maar een mens, de dingen niet altijd zelf in de hand, maar dat bleek pas na het verlaten van de kraamkliniek.

Ik heb veel Olympische Spelen gekeken de voorbije twee weken, evenwel niet altijd op onze speciaal voor dat doel gecreëerde zender Sporza genaamd. Want wat bleek, onze nationale televisieomroep had niet genoeg rechten gekocht om een hele dag lang uit te zenden, wat me eerlijk gezegd nogal tegenviel van die goede, ouwe, betrouwbare tante VRT. Ik heb dus basketbal gezien op TVE, handbal op ARD, atletiek op BBC en dameshockey op de NOS. Ik voel me een beetje een voyeur als ik naar hockeyende vrouwen kijk, een pervert zelfs. Ook al is ‘pervert’ volgens Van Dale en het Groene Boekje geen correct Nederlands woord, zo voelde ik me toch, u snapt wel wat ik bedoel. Onder die rokjes dragen ze gelukkig een sportbroekje, dat is alvast een geruststelling. Het zal me maar overkomen dat ik ’s nachts door de zedenpolitie van mijn bed word gelicht. De aanklacht luidt: dameshockey kijken. "Dit is in België helemaal geen populaire sport, mijnheer Hoorne, dus vragen wij ons af waarom u ineens zo geïnteresseerd bent in hockey en dan nog wel dameshockey". "Ik heb maar een klein stukje gezien van de wedstrijd tussen Nederland en Argentinië, mijnheer de commissaris". Mijn gefleem - want dit is natuurlijk geen commissaris maar een hulpagent die na de Olympische Spelen weer gewoon jacht moet maken op kinderen die fietsen zonder licht - helpt niet. Even later in het politiebureau lig ik aan de leugendetector terwijl een helle ondervragingslamp mijn netvlies schroeit. "Waar was u trouwens vannacht tussen twaalf en half twee, mijnheer Hoorne?" In mijn bed natuurlijk, wil ik antwoorden, maar dat zullen die matrakdragers niet geloven. Ik raak in paniek, ik moet het land uit, vluchten naar Trinidad en Tobago. Kan je vluchten naar twee landen? Ik moet dringend eens opzoeken hoe en wanneer dat hele Tobago ineens bij Trinidad werd gevoegd, want Crawford, de Olympische kampioen op de 100 meter van Montreal ‘76, die kwam toch gewoon uit voor Trinidad en niet voor Trinidad en Tobago, of wel? Gelukkig zijn zij die zich geen kwisvragen stellen.

Ondanks de netelige situatie waarin ik me bevind, spelen in mijn hoofd drie liedjes van Wham! om de gouden plak in de categorie Foute-Maar-Desalniettemin-Oneindig-Mooie- Songs-Uit-Middellang-Vervlogen-Tijd. Young guns behaalt goud, Wham Rap! zilver en Club Tropicana brons. Freedom valt net buiten de medailles, maar neemt later op de week nog deel aan de competitie George-Michael-Songs-Uit-De-Tijd-Dat-Hijzelf-Al-Wist-Dat-Hij-Homo-Was-Maar-Wij-Nog-Niet-Of-Is-Het-Omgekeerd. Gelukkig is korfbal geen Olympische sport, denk ik heel even, zo is het wel welletjes. Ik hoor Griekse idioten de woorden Kenteris en Hellas scanderen. Er ontploft geen bom in het stadion, waar zijn de terroristen als je ze nodig hebt? Dit laatste is een grapje, zeg ik er voor alle duidelijkheid even bij. Maar ernstig, is het geen zonde om zoveel geld aan veiligheid te spenderen om dan achteraf te moeten vaststellen dat er helemaal niks is gebeurd? Ook dat is een grapje, zeg ik er even voor alle duidelijkheid bij, want ik ken u niet, lezer, en u kent mij niet. Duidelijkheid voor alles, zei mijn grootvader, en hij kocht vijf brillen en een vergrootglas bij Optiek Verougstraete. De enige terreurdaad werd gepleegd door een Ierse gek in een onmodieus groen rokje, die de leider in de marathon in het publiek duwde. Hij had dat eerder al geprobeerd met Formule 1-wagens, maar is dan wijselijk overgeschakeld op uitgemergelde langeafstandslopers. Zo gek is die Ier dus ook weer niet. Oppassen met gekken, ze durven wel eens beweren dat het de niet-gekken zijn die gek zijn, en af en toe hebben ze nog gelijk ook. Maar dat die Ier niet goed bij zijn zinnen is, staat wel degelijk vast, anders had hij er wel voor geopteerd om in zijn blote flikker het veld op te rennen tijdens een wedstrijd van de Nederlandse hockeymeisjes in plaats van in zo'n aartslelijk groen rokje een Braziliaanse marathonleptosoom voor de voeten te lopen.

Morgen of later op de week schrijf ik iets over de Belgen in Athene en dan heb ik het niet over Robert en Mariette Deschamps-Vandenbogaerde van restaurant Akropolis Adieu, gelegen Kariatidenplein nr. 44 maar wel degelijk over onze atleten.


12:30 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

24-08-04

NEUS

Ik heb een zwakke plek. Op mijn neus. Het is een heel klein puistje dat af en toe open gaat, meestal 's morgens bij het wassen. Voorzichtig, bezwoer ik mezelf de voorbije dagen telkens ik de lichte, mij zo vertrouwde, pijnscheutjes voelde. Ik tastte naar het bobbeltje en keek met angst, die recht evenredig is aan het te verwachten leed, in de spiegel. Niets aan de hand, gave neus. Deze morgen was het dan weer zover. Te ruw met het washandje over mijn reukorgaan gewreven en daar vloeide al rijkelijk het bloed. Ik depte het met mijn wijsvinger en spoelde die af onder de koudwaterkraan. Dit nauwelijks waarneembare puistje, dat me gelukkig geen esthetische last berokkent, baart me zorgen. Als ik ooit kanker krijg, zal dit hobbeltje er voor iets tussen zitten. Kwade krachten zullen langs dit kanaal mijn lichaam binnendringen en de kankermachine in gang zetten. Via een klein zwak plekje gaan de indringers op zoek naar mijn echt zwakke plek. Ik ben ten dode opgeschreven. Ruim honderd kilogram vlees, maar alle overgewicht ten spijt zal een onooglijk puntje schuin boven het topje van mijn neus mijn ondergang inluiden.

Nogmaals depte ik - het was een smaller bloedstreepje dan daarnet - en na het reinigen van mijn vinger keek ik in de spiegel. Het vloeide niet meer. Nooit voorheen stopte het bloeden zo snel. Ik herinnerde mij de ochtenden dat ik aan de ontbijttafel met mijn ene hand een boterham in de koffie sopte en met mijn andere potsierlijk een pluk wc-papier tegen mijn gezicht hield. Ik liet mijn vinger over mijn neus glijden. Droog. Een goed teken. Vele jaren geleden had een leraar ooit een verhaal verteld van een jongentje dat altijd voorzichtig moest zijn en nooit buiten mocht spelen. Bij het minste schrammetje zou hij helemaal leegbloeden. Ik geloof zelfs dat het kind constant een beschermend pak moest dragen. Dat mijn neus zo snel stolde stelde me gerust. Maar betekende dit stollingsproces dan ook dat ik dik bloed had? En dik bloed, betekende dat dan een slechte doorbloeding met kans op klontervorming en alle risico’s die daaraan verbonden zijn? Het is ook altijd wat.

Eind dit jaar word ik veertig. Na je veertigste verdrievoudigt de kans op allerlei medische besognes, hoorde ik laatst op tv. Ik haat dergelijke belerende onheilstijdingen, want meestal word je dan in één ruk door opgezadeld met een hoop goedbedoelde raadgevingen van dokters die ofwel nog nooit in hun leven een druppel alcohol hebben gedronken en op extatische wijze genieten van het sabbelen op een rauwe wortel, ofwel zelf twee pakjes sigaretten per dagen roken en in hun Artsen Zonder Grenzen-tijd half zwart Afrika hebben platgeneukt, zonder condoom. Mijn beste jaren liggen nog voor mij, zeker weten, maar als het hier opeens enkele weken stil blijft, dan ben ik waarschijnlijk dood. U hoort het wel van iemand, u leest het wel ergens.


20:23 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

15-08-04

3 X WEEMOEDT

Nog meer bewondering. De trouwe bezoekers van deze weblog weten dat ik veel hou van de verzen en verhalen van Lévi Weemoedt - enkele weken geleden publiceerde ik al een gedicht van hem - een man die mij heel hard aan het huilen kan brengen. Van het lachen welteverstaan.
 
Let wel: zijn werk is niet altijd even briljant, maar u mag deze uitspraak gerust als een compliment beschouwen, want in zijn beste geschriften is Weemoedt onovertroffen en meer dan gewoon maar simpelweg briljant. Meer dan twintig jaar geleden wees mijn voortreffelijke docent, Jef Tytgat, zijn studenten al op Lévi Weemoedt. Met -dt, zei hij, en ik begreep wat hij bedoelde.
 
Humor is een moeilijke discipline. Ooit wil ik een bundel publiceren met alleen maar light verse, pretverzen. Het probleem is dat ik de grens tussen mijn regulier werk en mijn light verse nog moet trekken. Is ‘Lipide’ uit mijn eerste bundel een light verse? Wis en zeker, maar daarnaast is het ook een schitterende stukje ‘gewone’ poëzie dat zo in de dikke Komrij had gekund. In mijn tweede bundel ‘Inbreng nihil’ staan er ook een aantal gedichten dat door de droogstoppels van bijvoorbeeld het Vlaams Fonds voor de Letteren wel weer als light verse zal worden omschreven, maar waarvan ik dan weer vind van niet. Een gedicht met één of enkele verrassende of spitse wendingen is niet noodzakelijkerwijs een light verse. De grens is vaak heel subtiel en ik wens daar nu niet verder op in te gaan, omdat ik het ook allemaal niet zo goed weet. Ondanks de gekte in mijn hoofd - of precies daardoor - lach ik niet zo gemakkelijk. Ik kan me zelfs verschrikkelijk ergeren aan mensen die lachen met wel heel zoutloze flauwigheden: de VTM-humor, de plezante nonkel op het familiefeest met de dubbelzinnige opmerkingen die je al van een half uur ver ziet aankomen.
 
Enfin, hieronder vindt u drie gedichten van Lévi Weemoedt uit zijn bundel ‘Rijk verleden’:
 

DE TREK
 
’s Avonds gezeten op een hek,
zag ik het naad’ren van een trek:
 
een grote biefstuk kwam voorbij,
gabakken aardapp’len en prei
 
gevolgd door flensjes, Franse kaas,
een dikke pens, een volle blaas.
 
Daarachteraan op zijn gemak,
slofte de koffie met cognac,
 
en in der wolken tekening:
ziedaar, daar kwam de rekening!
 

OUDHOLLANDS TAFELGEBED
(17de eeuw)

 
Ick doe mijn handjes
samen
Ick doe mijn ooghjes
dicht
 
En bid dat
na het
Amen
 
mijn gehackbal
er nog ligt.
 

NACHTLEVEN
 
Uit de glasbak zweefde laat feestgedruis:
schorre zang, ’n polonaise van flessen.
Scherven kreunden, een dop zong daar hees bovenuit
over dorst die de Dood pas kon lessen.
 
En ik luisterde, terwijl ik mijn schaduw uitliet,
en mompelde onder ’t huiswaarts lopen:
 
‘Je woont hier zo ongezellig nog niet:
de glásbakken zijn nog open!’

11:35 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

10-08-04

WIGMAN PARODIE

Een lezing die ik niet wilde missen tijdens het Tuinfeest te Deventer was die van Menno Wigman, de jeune premier van de Nederlandstalige poëzie – hij is iets jonger dan ik, dus mag ik hem met recht en reden nog als ‘jeune’ bestempelen.

Menno Wigman schrijft als een slak vertrouwde hij me ooit toe, maar zijn gedichten zijn dan ook af: poëtisch, muzikaal, ritmisch, verrassend. Wigmans poëzie ademt een geur van fin de siècle en is bezwangerd met een onbestemde weemoed. Hij is God in Nederland, maar in Vlaanderen nog veel te onbekend, ook in boekhandel en bibliotheek.

Ik hoef Wigman niet te promoten, dat doet hijzelf in hoge mate – een poëziefestival zonder Wigman is even zeldzaam als een rijkswachter zonder snor. En terecht, want wie een beter dichter wil worden, kan er alleen maar baat bij hebben zich in Wigmans werk te verdiepen. Zijn poëzie lijkt eenvoudig, maar dat is slechts schijn.

Op Oudejaarsavond ontving ik in mijn mailbox het gedicht ‘Tot besluit’, Wigmans nieuwjaarswens voor het jaar 2004. Ik vermoed dat het ook in zijn nieuwe dichtbundel, die over enkele maanden verschijnt, zal worden opgenomen. Zolang wilde ik echter niet wachten om dit mooie gedicht te parodiëren. Een parodie als eerbetoon welteverstaan – net zoals ik vroeger al deed met de klassieker ‘Sourdine’ van Luuk Gruwez.

Mijn persiflage ‘Was bevuild’ heb ik nogal impulsief geschreven. Ik sluit niet uit dat ze ooit nog verfijnd wordt, maar wat zou ik u de gunst ontzeggen al even over mijn schouder mee te lezen.


Tot besluit
(Menno Wigman)

Ik ken de droefenis van copyrettes,
van holle mannen met vergeelde kranten,
bebrilde moeders met verhuisberichten,

de geur van briefpapieren, bankafschriften,
belastingformulieren, huurcontracten,
die inkt van niks die zegt dat we bestaan.

En ik zag Vinexwijken, pril en doods,
waar mensen roemloos mensen willen lijken,
de straat haast vlekkeloos een straat nabootst.

Wie kopiëren ze? Wie kopieer
ikzelf? Vader, moeder, wereld, dna,
daar sta je met je stralend eigen naam,

je hoofd vol snugger afgekeken hoop
op rust, promotie, kroost en bankbiljetten.
En ik, die keffend in mijn canto's woon,

had ik maar iets nieuws, iets nieuws te zeggen.
Licht. Hemel. Liefde. Ziekte. Dood.
Ik ken de droefenis van copyrettes.


Was bevuild
(Philip Hoorne)

Ik ken de droefenis van wasserettes,
van volle manden met vuile lakens,
alleenstaande moeders met propere plichten,

de geur van lege slipjes, zomerrokken, sexy
topjes, pantalons, waskracht die reinigt
tot we blèrend in ons blootje staan.

En ik zag Bonuxlijken, witter dan wit, van mensen
die op lijken wilden lijken, zich verhingen aan een
wasdraad die ooit een strakke wasdraad was.

Wie wasten ze? Wie was ikzelf?
Vader, moeder, zeeman, landgraaf, c&a,
daar sta je met je stralend opgeblonken hoofd,

je drooggekuiste das met veel te losse knoop,
damesschoenen, maatpak, hoogmoed, misantroop.
En ik, die vruchteloos mijn viezigheid verdring,

had ik maar iets nieuws, iets nieuws om uit of
aan te trekken. Bermuda. T-shirt. Penis. Ring.
Ik ken de droefenis van wasserettes.


20:27 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

09-08-04

EEN ROMAN ZOALS EEN GEDICHT VAN WOUTER GODIJN

Ik ben niet zo tevreden over mijn vorig bericht. De woede die er in doorklinkt mag dan wel oprecht zijn en elke gelegenheid waarbij ik wild om me heen kan schoppen is meegenomen, maar toch zit dat stuk me niet lekker. Ik hoef me niet te bemoeien met wat er aan deze of gene zijde van de wereldbol gebeurt. Ik ben een dichter en fictieschrijver. De realiteit is een competitie waar ik liever niet aan deelneem, het kan soms niet anders, maar er verslag van uitbrengen, dat doe ik niet meer, zelfs niet op geïnterpreteerde wijze. Ik wil in de eerste plaats mooie en sterke gedichten schrijven, daar heb ik goddank die deksels realiteit niet voor nodig. Mijn gedichten gaan ergens over, zegt men. Akkoord, maar dan toch niet over de werkelijkheid, wel over liefde, dood, vergankelijkheid, be- en vervreemding. Daar heb ik al een hele kluif aan.

Naast schitterend poëtisch werk wil ik ooit een roman schrijven die nergens over gaat, een 150-tal pagina’s gestileerde bullshit, of misschien wel 250, ik heb er nog geen enkele notie van, een boek dat alle regels van de romanschrijverij aan zijn laars lapt, een boek waarin er ogenschijnlijk niet werd geschrapt, een beetje zoals een gedicht van Wouter Godijn, maar dan langer uitgesponnen. Een boek waarin personages worden opgevoerd om drie pagina’s verder alweer te worden afgevoerd. En reken er maar niet op dat ze terugkeren. Uitgevers en redacteuren zullen mij met zachte dwang sommeren om ettelijke fragmenten te herwerken, waartegen ik mij natuurlijk zal verzetten, en zoals altijd zal de waarheid weer ergens in het midden liggen, zal ik al die raadgevingen schiften tot alleen nog de naar mijn aanvoelen bruikbare tips overblijven, en als het boek er dan eindelijk is, zullen de meeste critici mij hekelen, want het is not done om een personage op te voeren dat voor het verhaal geen functie heeft. Verhaal? Heb ik iets gezegd over een verhaal? Duizend verhalen misschien, elke zin een verhaal, maar toch niet één verhaal, of meerdere verhaallijnen die op een gegeven moment naadloos in elkaar overvloeien. Naadloos, beseft u wel hoe hol dat woord klinkt als het in figuurlijke zin wordt gebruikt? De truitjes van het Italiaans elftal, die zijn naadloos. In mijn boek daarentegen zal elke zin van de volgende worden gescheiden door een Grand Canyon, en uit elk van die ravijnen zal een verblindend licht schijnen dat pijn doet aan de ogen, maar dan wel een pijn die synoniem is voor een groot, onmetelijk genot. Vergelijk het met een nooit eindigende ejaculatie of voor de clerici onder mijn lezers, een dubbele hostie met choco, want zo’n boek zal het worden, een boek met voor elk wat wils, allesomvattend zoals de Van Dale of het Groene Boekje, maar verrassender, want in mijn boek zullen sommige woorden meer dan één keer voorkomen en andere helemaal niet. Een spannend boek dus ook nog. Dat de woorden ‘niets’, ‘misschien’ en ‘allicht’ erin zullen voorkomen, leidt weinig twijfel, maar hoe zit het met de woorden ‘heipaal’, ‘misfit’ en ‘brokjespuree’?

Het laatste woord ontlokt iemand een glimlach. Niet zomaar iemand, niet zomaar een glimlach.


16:32 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

04-08-04

DREIGING

In Asuncion, de hoofdstad van Paraguay, brak enkele dagen geleden een brand uit in een warenhuis. Er zijn 372 doden tot nu toe. Niet alleen waren de nooduitgangen gesloten, de winkeluitbaters en veiligheidsagenten blokkeerden de uitgang om te beletten dat klanten zouden weglopen zonder te betalen. Indien het niet zo tragisch was, zou ik dit een hilarisch bericht vinden met een stelletje hersenloze Zuid-Amerikanen in de hoofdrol. (U moet er eens op letten, tv-beelden uit dat continent zijn altijd van een slechte kwaliteit, korrelig en duister, precies alsof het daar altijd avond is.) De gitzwarte achterkant van de menselijke natuur werd weer eens in al zijn glorie geëxposeerd. Het risico dat klanten enkele spulletjes stelen elimineren door de klanten zelf te elimineren. Heel onverstandig! Die 372 zullen niet meer terugkeren, ook niet voor de solden of hun Christmas shopping. Weegt de kans op diefstal door enkele onverlaten en wat die naar buiten hadden kunnen sjouwen op tegen wat ze in de rest van hun leven nog in dat warenhuis hadden aangekocht? Me dunkt van niet. Vanuit commercieel oogpunt een bijzonder verlieslatende zaak, heren winkeluitbaters! Misschien hadden ze nog een tegoedje op hun klantenkaart, hoeven jullie dát alvast niet meer uit te betalen, want de kans is meer dan reëel dat de nabestaanden te bedroefd zijn om die getrouwheidskorting ooit nog te innen. Maar denkt u nu echt dat die klanten zo trouw waren dat u het recht had hen levend te braden? Enfin, over het menselijk leed zullen we het maar niet hebben. Heren zelfstandige ondernemers, blijf vooral doen waar jullie sterk in zijn, nl. het gouden kalf aanbidden. Of mensen op hun tachtigste rustig ontslapen door ouderdom of op hun twintigste verkolen in uw paleizen van platte commercie zal u een zorg wezen. Zou de doodstraf nog bestaan in Paraguay? Zo ja, mag ik dan een goeie ouwe brandstapel aanbevelen? Hoe het zit met de integriteit van Paraguayaanse rechters weet ik niet - ik heb er weinig vertrouwen in - er is dus nog hoop dat jullie ooit weer in alle vrijheid onder het grauwe Zuid-Amerikaanse zwerk kunnen rondlopen, maar als het van mij afhangt kijken jullie voortaan naar die broeierige wolken van op een met hoge omheiningen en prikkeldraad omringde gevangeniskoer. Mocht er brand uitbreken in de rechtszaal, dan is de kans klein dat de rechter de deuren laat barricaderen opdat de beklaagden niet zouden ontvluchten naar een ander Zuid-Amerikaans apenland. Het zou van weinig originaliteit getuigen. Dat patent behoort jullie toe. Yep, jullie hebben je onsterfelijk belachelijk gemaakt, maar het blijft wel onsterfelijk natuurlijk. Dat kunnen die 372 niet meer zeggen.

In het Waalse Ghislenghien vielen tot nu toe achttien doden te betreuren toen bij het dichten van een gaslek een ontploffing plaatsvond. De explosie was zo hevig dat automobilisten op de autostrade - toch een serieus eind van de plek des onheils vandaan - in hun wagen verbrandden. Als straks de doden onder de zoden liggen en de meeste gewonden buiten levensgevaar verkeren, zal de schuldvraag alsmaar luider klinken, want zondebokken moeten er hoe dan ook gevonden worden. Het geëxplodeerde stuk gasbuis werd tijdens wegenwerken beschadigd, maar kan je dat die kraanman ten kwade duiden? Nu opeens komt iemand op het lumineuze idee dat alle ondergrondse leidingen in kaart moeten gebracht worden, dat die gegevens te zeer versnipperd zijn. Tja, zo kan ik ook het land besturen, na elke ramp inspanningen doen om die in de toekomst te vermijden, fluitje van een cent. Zullen we de schuld dan maar weer in de schoenen van de overheid schuiven en een minister ontslaan, of beter nog, hem op edelmoedige wijze zelf zijn ontslag laten indienen, zeer tegen zijn zin, maar tja, er moet een gebaar gesteld om het geschokte plebs te sussen. De slachtoffers werden te laat verwittigd, want men wist dat ze zich in een gevaarlijke situatie bevonden. Dit gegeven levert alweer een kransje potentiële schuldigen op. En hebben de slachtoffers, waaronder nogal wat brandweermannen, zelf wel alle veiligheidsvoorschriften nageleefd, zo niet, dan kwam boontje wel heel erg verhit om zijn loontje. Vragen, vragen. Gladde verzekeringsyuppies - de meest cynische maatpakken die er bestaan - kunnen weldra hun beroepscompetentie bewijzen door er zorg voor te dragen dat hun fonds zo weinig mogelijk schadevergoeding moet uitbetalen. Promotie wenkt voor de vlotte jongens met hun flashy GSM’s en hun geleasde automobielen van een duur merk. Onderzoeksjournalisten scherpen hun pen, want ze kunnen het toch niet maken dat hun artikel minder smeuïg wordt dan dat van de concurrerende pennenridders. Ook Hoorne heeft er weer een leuk stukje voor op zijn weblog bij, al is de omschrijving leuk voor één keer niet bijster gelukkig gekozen.

Al wie er niet bij betrokken raakte, noch in Paraguay noch in Ghislenghien, haalt opgelucht adem. Oef, het was maar een ver-van-mijn-bed-show - een Schwarzenegger-film maar beter want ‘based on a true story’- we zijn weer maar eens ontsnapt. Misschien is leven wel de kunst om voortdurend te ontsnappen aan de dood. Ook al is de dreiging dat het leven zo maar ineens ophoudt minder groot dan eeuwen geleden, toen je zonder daar de minste inspanning voor te doen ten prooi kon vallen aan een hongerige dinosauriër, sadistische struikrovers of de builenpest, ze is er nog steeds, die dreiging, alleen heeft ze nu andere gedaanten aangenomen. Ik ben niet bang dat mijn leven ooit abrupt eindigt, wel dat iemand anders daar schuld aan zal hebben. Ik zie wel.


17:40 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

02-08-04

DE SEIZOENEN MAKEN MIJ WEEK

De seizoenen maken mij week. Toen ik nog heel jong was en er nog maar weinig op mijn teller had staan, viel het al bij al nog reuze mee, maar hoe ouder ik word, des te sneller roteren de jaargetijden om me heen, zo snel dat ik er helemaal dizzy van word.

Er zijn geen seizoenen meer, klinkt het pretentieus uit tal van monden als de temperatuur in december boven de 15° stijgt of als het in de zomermaanden eens drie dagen na elkaar regent. Van alle deskundigheid verstoken oudewijvenpraat, maar het lijkt me wel een leuk idee om die dekselse seizoenen nu maar eens voorgoed door elkaar te husselen. Stel je voor: eerst op tv de koninginnerit in de Tour de France volgen en daarna met de kinderen nog wat sneeuwballen gooien. Of Sinterklaas die zijn blijde intrede maakt in zwemshorts, zijn Pieten heeft hij ingewisseld voor een horde bikini babes. Het aantal stoute kinderen stijgt ineens onrustwekkend.

Waar wil ik naartoe met dit verhaal over de seizoenen? Ik weet het niet. Ik vind dat elke schrijver die zich in zijn eigen verhaal vast rijdt het lef zou moeten hebben om dat toe te geven. Waar naartoe? Wel, ik weet het niet. Er zijn er die bij hoog en laag beweren dat poëzie nergens over moet gaan. Wel, als ik nu eens gedichten schreef die wel ergens over gaan en verhalen die nergens over gaan, zou literair Nederland en Vlaanderen dat pikken? Ik begin wat uit mijn nek te lullen over de vier seizoenen, en opeens maak ik een sprongetje naar … ja, naar wat eigenlijk? Kikkerdril? Waarom niet?

Begin jaren zeventig kon onze schoolmeester zijn leerlingen helemaal euforisch maken met een uitstapje naar een nabijgelegen poel die op bepaalde tijdstippen van het jaar helemaal met die groene smurrie was bedekt. De grootste waaghalzen gleden langs de steile oever naar beneden en vulden een bokaaltje met kikkerdril. De meester bezwoer hen voorzichtig te zijn, want een nat pak was snel gebeurd, en zoiets ontwrichtte alleen maar het rustig voortkabbelende schoolleven. Dan werden de kinderen lacherig en sommigen zetten ineens een grote bek op. Om die reden vonden risicoactiviteiten, en openluchtgedoe hoorde daar onomstootbaar bij, altijd zo laat mogelijk in de namiddag plaats. Als er iets voorviel, dan konden de al dan niet kletsnatte braniemakers om klokslag vier uur aan hun verwekkers worden uitgeleverd, en die zaten dan maar mooi met de last opgescheept.

Ik was een stil en timide kind dat altijd en overal zijn best deed, ik gleed niet in poelen, klauterde niet in bomen en trok niet aan meisjesvlechten. Dat laatste vooral niet. Lieve God, laat jongens die meisjes pijn doen sterven, zo bad ik elke avond. Zelf zal ik braaf zijn – voor wat hoort wat, wist ik toen al – als u die jongens maar laat sterven, u kent ze wel. Dan liet ik ze één voor één voor mijn geestesoog passeren en ik hoopte dat God meekeek en hun foto’s in zijn ‘to do’-lijst opsloeg. God was niet meer van de jongste, gegarandeerd had hij te kampen met erectiestoornissen en slechte ogen, daarom liet ik de grootste booswichten meerdere malen de revue passeren. Vandaag de dag leven die jongens nog allemaal – wat is die God me toch een koppige en tegendraadse stijfkop, verdiende loon die erectiestoornissen, loser! – op één na. Johan S. stierf drie jaar geleden aan zijn verwondingen nadat zijn echtgenote hem verschillende keren met een braadpan op de schedel had gemept. Johan S. kon hele plukken haar uit meisjeskoppen trekken, als klootzak kende hij zijn gelijke niet. Ik was aanwezig op zijn begrafenis en heb de hele plechtigheid van begin tot einde gevolgd, een mens mag wel eens een verzetje hebben. Toen zijn kist werd neergelaten, heb ik me heel even met de Schepper verzoend. Heel even maar, want op de terugweg van het kerkhof, nadat ik de stralende weduwe nog eens uitbundig had gecondoleerd, zag ik hoe een klein poesje onder de wielen van een vrachtwagen met dubbele oplegger terechtkwam. Wie een klein poesje onder de wielen van een vrachtwagen verpletterd ziet worden, houdt daar minstens één slapeloze nacht aan over. Bij mij duurde het een half jaar. In die tijd vroegen mensen mij wel eens waarom ik er altijd zo moe en afgeleefd uit zag. Waarom krijg ik altijd van die holle vragen? Ik zweeg, want begrijpen zou men mij toch niet.


17:41 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

01-08-04

BERICHT AAN MIJN BIOGRAAF

Mijn redacteur Martien zegt dat ik mijn nieuwe gedichten best dateer en dat ik zoveel mogelijk gegevens over mezelf moet bijhouden, dat ik het mijn toekomstige biograaf niet moeilijk moet maken. Ach, zeg ik dan, laat die biograaf zijn vuile werkjes zelf opknappen. Maar goed, omdat het zo’n bovenste beste kerel is, die Martien, wil ik hem vandaag even ter wille zijn. En waar kan ik informatie over mijn eigen ik beter bijhouden dan op mijn weblog? Yep, dit wordt een nogal zakelijk bericht.
 
Op het Tuinfeest te Deventer op 31 juli 2004 las ik volgende gedichten voor:
 
om 21u.30 in de Atheneumtuin:
 
Lipide
Vogeltje
Ballotage
Oevers
Zomer
Hoe ik me voelde?
Tafelrede
Slotpleidooi
Niemand thuis en het eten is klaar!
Een dunne plek om te lekken
Erfelijkheid
Door bloot verstoord zelfbeeld
Mijn kleine holocaust
Ik wilde iets maken met mijn handen
 
om 23u.15 in de Archieftuin:
 
Lipide
Vogeltje
Ballotage
Oevers
Zomer
Hoe ik me voelde?
Gelredome
Slotpleidooi
Niemand thuis en het eten is klaar!
Een dunne plek om te lekken
Erfelijkheid
Mijn kleine holocaust
Ik wilde iets maken met mijn handen


22:21 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |