01-09-04

DE KAMPIOENEN

Het beeld dat mij het meest is bijgebleven van deze 28ste Olympische Spelen is de brede glimlach van de met goud omhangen Justine Henin-Hardenne. Zoveel tandvlees had ik bij Justine niet vermoed. Ze slaapt in het atletendorp, merkte de commentator fijntjes op, en onze tenniskampioene verkondigde dat ze er een fijne tijd beleefde, jazeker, ze amuseerde zich uitstekend en had zich heel goed geïntegreerd. Vroeger dacht ze al te vaak dat alles rond haar persoontje draaide – "Ik was een machine", las ik enkele dagen later op Teletekst – maar het verblijf in het Belgische kamp had haar geleerd dat die andere sporters ook hard moeten werken voor een in bijna alle gevallen beduidend minder resultaat. Om haar integratie te illustreren schonk ze na afloop van de gewonnen finale haar bloemen aan turnster Aagje Vanwalleghem en dat leek me heus geen schouwtoneel omdat er toevallig - nou ja, zo toevallig was dat ook weer niet – nogal wat camera’s in de buurt waren. Ik vond het een heel oprecht gebaar. Justine verrees uit het blessureleed dat haar elf weken van de court had gehouden en won goud. "Pour la Belgique."

Dat geïntegreer van Justine Henin valt me wat tegen. Zich integreren is iets voor allochtonen; zij die tennis brengt van een andere planeet, mag daar gerust van vrijgesteld worden. Ik heb het altijd meer gehad voor Henin dan voor Clijsters, precies omdat Henin zo’n verbeten vechtjas is, terwijl Clijsters het spelletje heel wat beter kan relativeren, wat haar ongetwijfeld een betere nachtrust oplevert, maar in de galerij der sportgoden koop je daar niks mee. Henin die in Athene zit te kleurwiezen met Wouter D’Haene, Catherine Jacques en Elodie Oueaoueueadrogo, enkele blikken Aquarius en een thermos halfkoude kamillethee binnen handbereik, ik vind het maar een eng beeld. De echte kampioenen – een paar toppers zo gering in aantal die, als ze zich heel smal maken, net met zijn allen in een Britse telefooncel kunnen – mogen best nukkig, asociaal en wereldvreemd zijn, als het maar niet neigt naar onredelijkheid of arrogantie. Ze behoren tot leven gewekte striphelden te zijn, ongenaakbare iconen, nauwelijks mensen van vlees en bloed, want daar zijn er al genoeg van. Bij voorkeur kappen ze ermee na een topprestatie of op hun hoogtepunt. Ze blèren niet tien keer, zoals Johan Museeuw, dat ze gaan stoppen om het dan de elfde keer toch te doen, in mineur, met een speciaal voor het klootjesvolk georganiseerde pensenkermis. Echte kampioenen monkelen één keer binnensmonds dat ze ermee stoppen en houden meteen woord. Én – niet onbelangrijk – vanaf dat moment schuwen ze het publieke leven om het plaatje van sportheld, dat ze zorgvuldig hebben opgebouwd, gaaf te houden.

Fons Brydenbach is één van de grootste atleten die ons land ooit heeft gekend, hoorde ik één van Frank Raes’ gasten zeggen. Ik knikte instemmend. Brydenbach liep in Moskou de 400 meter vlak. Na 300 meter lag hij aan de leiding, uiteindelijk werd hij vijfde. Declasseer de waarschijnlijke dopingzondaars die voor hem eindigden en hij had ook een plak beet, maar misschien is het beter zoals de geschiedenis het gewild heeft. Na zijn carrière heb ik hem nooit meer teruggezien, niet op tv, niet elders, hij leek als van de aardbol verdwenen. Brydenbach blijft in mijn herinnering de ranke, blonde Belg die in een smetteloze witte outfit met Olympisch eremetaal flirtte, terwijl bijvoorbeeld iemand als Eddy Merckx mij hoe langer hoe meer een slordig pratende fietsenfabrikant lijkt, zo’n doorsnee neringdoener die apetrots is op zijn bollenwinkel, terwijl de grootste coureur aller tijden de kneuterige fierheid van de wegens tijdsgebrek slechtgewassen en bijgevolg naar okselzweet en tenenkaas ruikende commerçant eigenlijk niet nodig heeft. Merckx zou ver van alle drukte het leven moeten leiden van een Kannibaal op rust in plaats van een kannibaal op dieet. Idem dito voor Bernard Hinault die na de aankomst van elke Touretappe de ritwinnaar en de klassementsleiders een handje mag geven, als was hij een prima afgerichte menselijke woef die goed heeft opgelet in de hondenschool, en al die anderen die de wereld waarin ze ooit schitterden niet kunnen loslaten. Begrijpelijk, maar in het licht van de eeuwigheid, hoe lang of hoe kort die ook moge duren, is wat ze doen geheel en volledig af te raden.

Onlangs stuitte ik al zappend op een sloom heertje in een kleurig jasje. STER, dacht ik. Ik wachtte even om te zien welk product de man mij zou aanprijzen: waspoeder? scheermesjes? verzekeringen? … Niets van dat alles, het bleek Marco Van Basten te zijn, de kersverse Nederlandse bondscoach. Ik had hem niet meteen herkend. Van Basten is toch die jongen die, in de tijd dat de truitjes van het Nederlands elftal wel heel erg lelijk waren, de bal desondanks in één tijd op de slof nam en hem diagonaal over het hoofd van Dasaev in doel joeg? Wat deed hij in dat gekke jasje op tv? Hé, de man kon ook praten. Niet doen, Marco, niet doen! Houd je bek dicht, de mythe intact, en verdwijn! Ga vissen met Robbie Rensenbrink, als je hem kan vinden tenminste, en neem Johan Cruyff mee.


17:22 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

De commentaren zijn gesloten.