04-10-04

TIJD

Ik ben iets over de helft in ‘Lotte Weeda’, de nieuwe roman van Maarten ’t Hart. Eerst heb ik het boek enkele weken laten sudderen op mijn bureau, er nu en dan aan geroken, af en toe die typische ’t Hart-omslag geaaid, totdat ik zaterdagmorgen besloot dat het maar eens tijd werd. Maarten ’t Hart verdeelt zijn boek in korte hoofdstukjes, filmische scènes a.h.w., heel overzichtelijk voor de lezer. Zijn vorige boek ‘De Zonnewijzer’ beviel me enorm tot twee hoofdstukken voor het einde. Pagina’s lang kabbelt het boek voort als een ware whodunit en dan lijkt het ineens alsof de auteur onder enorme tijdsdruk een einde aan zijn verhaal moest breien. Totaal verbouwereerd kon ik niet anders dan vaststellen dat de slothoofdstukken totaal de mist ingaan. Dit keer maak ik me sterk dat dat niet het geval zal zijn. Tot op het punt waar ik ben aanbeland is ‘Lotte Weeda’ weer zo’n prachtig en uniek boek van één van mijn absolute lievelingsschrijvers.

Inmiddels is POËZIERAPPORT gelanceerd. Gisteren hebben Tania, Karel en ik een eerste evaluatie gemaakt. De site was nog maar pas in de lucht of we werden in de comments al bestookt door vier Kasper Peters-fans (alle vier, waarvan eentje zich dan nog voordoet als Peters zelf, vuilbekte Tania, doch dit terzijde), maar dan volgden alleen nog positieve commentaren en e-mails. Blijkbaar valt onze stijl in de smaak. Goed zo, want stijl, daar is het ons om te doen. Verder wensen wij geen spontane verklaringen meer af te leggen over POËZIERAPPORT, interviews daarentegen zullen we niet weigeren. Evenmin willen wij ons vastpinnen op een frequentie van publiceren. Kom maar af en toe eens kijken, POËZIERAPPORT is dag en nacht open. We zijn niet van plan te werken met mailbrieven en abonnees of iets dergelijks. Dat is zo opdringerig en opdringerig willen we niet zijn. Gastbijdragen zijn welkom, zolang ze maar dat je-ne-sais-quoi hebben dat bij POËZIERAPPORT past.

Intussen is het alweer oktober. Ik weet niet goed wat ik daar moet van denken. Soms heb ik helemaal geen notie van tijd, zo kan ik eind september opeens denken dat we maart zijn. Tijd is een kwaaie tante. Momenteel werk ik hard aan nieuwe gedichten en één daarvan gaat over de tijd, maar precies dat gedicht stribbelt verschrikkelijk tegen. Tijd is nog erger dan de dood. Voor wie een panische angst koestert voor de tandarts, is dood het moment waarop de tand getrokken wordt, onder narcose. Tijd daarentegen is het cirkeltje op de kalender dat aanduidt op welke dag je bij de tandarts verwacht wordt.

Precies omdat de tijd meedogenloos is, hebben we routine nodig. Of neen, het zijn net die routines die het allemaal zo erg maken. We lopen in cirkels, maar dat is een valse indruk, want we lopen helemaal niet in cirkels. Waarom kan tijdrekening niet iets zijn dat alsmaar verder loopt zonder herhaaldelijk weerkerende merktekens? Daar moest dat weerspannige gedicht dus over gaan, maar voorlopig zit het even in de ijskast.

Spiksplinternieuwe gedichten die daarentegen wel zo goed als af mogen beschouwd worden, zijn het hier eerder geplaatste Bosbegeer en Donut, en verder ook nog Dakman, De klingelaar van de kwart over twee, Oude mensen, Bijna is niet, Dat inzicht, Het geluk weet niets van ons en Dood is een modewoord, enkele titels nog onder voorbehoud. Enkele titels nog onder voorbehoud is voor alle duidelijkheid geen titel van een gedicht, maar het zou er best één kunnen zijn. En nog geen misse ook.


14:41 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

De commentaren zijn gesloten.