13-05-05

DAT HEET DAN GELUKKIG ZIJN (3)

- vervolg van Dat heet dan gelukkig zijn (1) en (2) -

 

De Erfelijkheidsleer scoorde enkele jaren geleden een hitje met de meezinger Genen Tijd. (Hebt u hem? Vette knipoog), maar ik wil het hier natuurlijk niet hebben over dit one hit wonder, maar over dé erfelijkheidsleer. Daar zijn vele dikke boeken over geschreven die door niemand gelezen worden, sta mij dus toe een en ander voor u samenvatten. De erfelijkheidsleer of genetica bestudeert erfelijke eigenschappen van o.a. mensen, maar hoe werkt dit nou eigenlijk? Wel, in het woord genetica zit het woord en, het woord ene, het woord net, het oud-Nederlandse woord ic – zoals in de beroemde quote van Hadewyck uitgesproken na het nuttigen van enkele flessen Elixir d’Anvers "Alle dinghe sijn mi te inghe, ic ben so wyt" – maar ook het woord gen. Een gen is in West-Vlaanderen een stuk pluimvee van het vrouwelijke geslacht, maar buiten de provinciegrenzen tevens een deel van een chromosoom dat erfelijke informatie bevat. Bij de productie, als ik het even oneerbiedig mag stellen, van een kind doen die chromosomen datgene wat ze geacht worden te doen en de rest van het verhaal kent u, zoniet moet u zich dringend laten voorlichten door enkele gerichte vragen te stellen aan uw moeder of toch maar eens zo’n dik boek gaan lezen. Titel en auteursnaam worden zichtbaar na het wegblazen van de stoflaag.

 

In elk geval ben ik een fervent aanhanger van die goeie ouwe genetica. Dat rommelen in mijn eigen prille verleden waar ik me trouwens helemaal niks meer van herinner, en daar op zoek gaan naar wat er allemaal verkeerd is gelopen, da’s niks voor mij. Laten we er maar van uit gaan dat alles wat fout is altijd al fout is geweest en altijd fout zal blijven. De genen als zondebokjes, yep, ik lust wel pap van dat soort gemakzuchtige theorietjes. Dat komt natuurlijk omdat ik een door en door slecht mens ben, die niettegenstaande zijn aangeboren verslaving om iedereen voor de gek te houden, om de tuin te leiden en in het ootje te nemen, nog totaal niks heeft bereikt in het leven en stellig van plan is dat zo te houden. Alle aan mijn adres gerichte verwijten dienaangaande zijn dom, kortzichtig en onredelijk, ik ben immers ten allen tijde gedekt door mijn beschermengel en excuus-Truus, de erfelijkheidsleer.

 

Mijn vader, de postbode, hield er dezelfde levensopvatting op na, of wat had je gedacht? Niet dat mijn vader postbode is, toch niet de man die ik vader noem, maar wel mijn ‘echte’, zeg maar biologische vader. Die betrad ’s morgens het postkantoor waar hij werkte en begon naarstig de post te sorteren. Links een hoopje met de cheques, pensioenen voor de oudjes, en rechts een hoopje met de andere poststukken. Die laatste kieperde hij in de eerste vuilnisbak die hij op straat tegenkwam en de cheques inde hij in het nabijgelegen bankfiliaal. Vervolgens ging hij twee tassen warme chocomelk drinken in café ’t Facteurke, waar hij door de andere postbodes op handen werd gedragen omdat hij altijd als eerste klaar was met zijn ronde. Dat op handen dragen viel al bij al nog mee, want meestal was hij alweer vertrokken voor de andere facteurs er aan kwamen, want vanaf tien uur ging mijn vader poepen, niet in de Nederlandse betekenis van kakken – want mijn vader kakte net zoals ik op de vaste tijdstippen zes uur ’s morgens en zes uur ’s avonds, en als er ’s middags bonen op het menu stonden durfde hij wel eens een extra laatavondsessie inlassen – maar wel in de Vlaamse betekenis die ook de Nederlanders maar al te goed begrijpen. Zeg aan een Nederlander op café dat hij moet trakteren en hij zal het in nog geen honderd jaar begrijpen of doen alsof zijn neus bloedt, maar zeg hem dat hij mag poepen met de serveuse en zijn broek hangt al op zijn knoesels. Leer mij de mensen niet kennen.

 

Enfin, we dwalen af. Mijn vader dus, de postbode, de biologische, die kende alle eenzame huisvrouwen van de gemeente en zo kwam hij op een dag bij mijn moeder terecht.

“Hooggeachte vrouwe, ik heb voor u geen cheques die gij kunt innen, geen krant om de patatten op te schillen en geen wenskaart met rode rozen, niets van dit alles heb ik, ik heb alleen mezelf,” luidde een van zijn meest gebruikte openingszinnen. Een beetje lang en melig als versiertekst hoor ik u meesmuilen, maar dat maakte net deel uit van zijn strategie. Als hij voor hij die zin had uitgesproken de voordeur tegen zijn neus kreeg, wist hij dat het niks ging worden. In het andere geval, werd hij overweldigd door een bingo!-gevoel. Een vrouw die tijd en goesting heeft om te luisteren naar een potje gewauwel, die heeft ook tijd en goesting om een potje te seksen. Let ook op het poëtisch karakter van die volzin. Ja, ook de poëzie heb ik van hem geërfd. Al ben ik natuurlijk een eersteklas kutdichter en dat zal altijd zo blijven, dat is erfelijk bepaald, want beter en poëtischer dan die binnenkomer kon mijn vader niet, en mijn moeder kan nog steeds niet lezen, laat staan schrijven of godbetert dichten, de nobelste aller kunsten als we kantklossen en het rooien van bonsaiboompjes even buiten beschouwing laten.

 

Intussen zijn we wel heel ver verwijderd van Ignace Rondeel die een ladder op zijn hoofd kreeg en rammelt dit verhaal al een hele poos van alle kanten. Heeft u opgemerkt dat een en ander niet klopt? Neen? Ik wel. In deel één schrijf ik dat Ignace na het ladderincident gelukkiger werd dan ooit voorheen omdat zijn hersenen een beetje door elkaar gehusseld werden. In deel twee wil ik Ignace, inmiddels luisterend naar de naam Jos, aanvankelijk voorstellen als een treurwilg met takken tot in de grond, maar het pakt anders uit. Ineens staat er dat Jos vanaf de periode rond zijn eerste nachtelijke zaadlozing een opgewekte kerel werd, net zoals zijn ouders en zijn tantes. Ik gebruik de termen ‘levensgenieter’, ‘vrolijke Frans’ en ‘epicurist’. Kunnen dit soort types ook ongelukkig zijn? Ja, dat kan. Lieden die altijd grappen en grollen en een grote mond opzetten, maar in tranen uitbarsten als ze eventjes alleen zijn, u kent ze wel of bent er zelf één. Maar ik schrijf wel degelijk dat Jos een levensgenieter was, niet dat hij die indruk gaf of zich zo voordeed. Als verteller van dit verhaal behoor ik toch te weten hoe Jos Rondeel in mekaar steekt, ik heb hem immers zelf geschapen. Wat dan met die ladder? Moet ik even retroactief ingrijpen en mezelf corrigeren, u wijsmaken dat de vrolijke huisschilder na zijn ongeluk onmogelijk nog vrolijker kon worden en dan maar een verdorde plant werd? Neen, terugkrabbelen is niet goed voor mijn geloofwaardigheid en het ligt ook al te zeer voor de hand, want na een zwaar arbeidsongeval blijft er van een working class hero meestal niet veel meer over dan een zielige working class zero, dat weet iedereen. Ik zit vast, maar gelukkig heb ik een verlengd weekend om er uit te geraken, want het is niet de bedoeling dat ik hier eventjes een verhaal ga neerpennen dat u ook bij een honderdtal andere schrijvers had kunnen lezen. Neen, deze vertelling moet Hoorniaans blijven, dat wil zeggen: swingen als de neten in de haardos van Wim Duisenberg.

 

(wordt vervolgd)


18:12 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

De commentaren zijn gesloten.