18-05-05

DAT HEET DAN GELUKKIG ZIJN (4)

- vervolg van Dat heet dan gelukkig zijn (1), (2) en (3) -

Ignace – Jos – Rondeel kreeg dus een ladder op zijn hoofd. Hij hoorde iets kraken tussen zijn oren en verloor het bewustzijn. Vier maanden later mocht hij het ziekenhuis verlaten. De dokters hadden hun best gedaan, de verpleegster hadden goed voor hem gezorgd, zijn vrouw Irene kwam hem ophalen. Ignace, alias Jos, voelde zich goed noch slecht, maar wist niet meer wie hij was – gelukkig wist Irene het wel nog, zodat ze niet met de verkeerde vent huiswaarts keerde – net zoals u ook niet meer weet of de man naar wie ik nu eens verwijs als Ignace en dan weer als Jos nu eigenlijk Ignace of Jos heet. Verwarring alom, ook en vooral onder het schedeldak van – laten we maar kiezen voor zijn oorspronkelijke naam – Ignace Rondeel, ex-huisschilder, thans invalide, levensgenieter van huis uit, geknakt voor het leven door een vallende ladder, zo’n vreselijk werktuig waarmee mensen alleen maar letterlijk hogerop geraken, zo’n ding waar ik, en nu spreekt tot u de schrijver zelve, helemaal niet van houd, want ik heb hoogtevrees.

Dertien sporten durfde ik ooit op, maar omdat dertien het ongeluksgetal bij uitstek is, moest ik naar de veertien of terug naar de twaalf. Ik koos eieren voor mijn geld in de plaats van eieren in mijn broek en daalde af naar de twaalf. Dat stond heel lekker. Wie ooit op de dertien heeft gestaan, voelt zich op de twaalf heel dicht bij de grond. Ik stal de show door heel even één hand los te laten, want beneden hield een klein legertje mensen mijn ladder vast, allemaal mensen op wie ik volledig kon betrouwen en die wel een miniperformance van mijnentwege verdienden, zolang ze maar niet begonnen te applaudisseren, aan die ladder met die handen! Eentje moest er ineens niezen waardoor de ladder een schokje kreeg. Die kerel heb ik met een strenge berisping weggestuurd:

"Ik wil je nooit ofte nimmer meer zien, ik heb jou mijn vertrouwen geschonken en je hebt het beschaamd, meer dan één keer trouwens, want denk je misschien dat ik niet merk dat je helemaal niet gemotiveerd bent om mijn ladder vast te houden, dat het jou zelfs ronduit verveelt dat ik op jou een beroep doe om mijn veiligheid te garanderen. Ga dan – en ik wees theatraal met een reetstrakke wijsvinger over de daken onder mij, nou ja, ik stond toch ietsjes hoger dan het kippenhok van de overburen – als je interessantere dingen te doen hebt, ik zal je niet tegenhouden, want ik sta hier bijzonder comfy ruim twee meter boven de grond op de twaalfde sport van deze ladder, en hoe langer ik hier sta, hoe meer ik het gevoel heb dat ik hier wil blijven staan, dat ik hier thuishoor, dat ik geboren ben om op ladders te staan, dat ik op deze ladder wil sterven, hoe melig jullie onderkruipers, wormen, laag-bij-de-gronds gespuis, dat ook zullen vinden. Van hieruit zie ik dingen die ik nooit eerder zag – een rivier die ligt te liggen zoals in een gedicht van Rutger Kopland, twee honden die vechten om een been – het rechter van de postbode – zoals in het gelijknamige spreekwoord, de buurvrouw die topless ligt te zonnebaden zoals in mijn fantasie – ik begrijp nu pas goed hoe gelukkig Ignace Rondeel ("Wie?" riep iemand) zich gevoeld moet hebben, want het mooiste beroep ter wereld is er een waar regelmatig een ladder in opduikt. Leve de ladders, leve de mens die boven zichzelf uitstijgt, leve mij of moet dat zijn leve ik? Leve Ignace Rondeel ("Wie?" riep weer iemand onder mij, dit keer met een zweem van ergernis in de stem. "Is dat familie van Jos Rondeel?")"

Mijn tirade werd prompt gevolgd door een regiment angstscheten – in alle overmoed was ik opgeklommen naar de dertiende sport, een evenaring van mijn persoonlijk record – waardoor er onder mij nog meer deining ontstond en de ladder begon te wiebelen. In geen tijd stond ik beneden, ook de aarde leek te schuiven of was dit slechts inbeelding? Rondom mij een zootje ongediplomeerde laddervasthouders die mij maar een watje vonden, dat zag ik wel aan hun gezichten. Dat vond ik zelf ook als ik naar de dertiende sport keek en moest vaststellen hoe hoog dat maar was, amper twee kontjes boven mijn kruin. Hoorne, onnuuzel menneke, dacht ik en alleen ik mag zoiets denken. U mag dat niet. Don’t call me sissy, ik durf dertien sporten hoog – dat is niet min, van op die hoogte kan ik, mits ik even op de toppen van mijn tenen ga staan, de vensterbank van het raam op de eerste verdieping afstoffen – ik durf zelfs naar beneden kijken om de Judassen eruit te halen en weg te sturen, en ik durf all the way als de ladder plat op de grond ligt, maar stappen op een ladder die op de grond ligt is niet alleen een nutteloze maar ook een nogal belachelijke bezigheid.

Irene begeleidde haar man naar de auto die ze op de ziekenhuisparking had achtergelaten. Ze zei dat hij naar huis mocht, dat hij eindelijk naar huis mocht, dat het allemaal wel goed zou komen. Ze hielp hem in de wagen en gooide het portier dicht. Vervolgens liep ze naar de kant van de bestuurder, stapte in en startte de motor. Ze reed naar de uitgang en wachtte tot de slagboom omhoog klapte. Op dat moment sprong Ignace Rondeel uit de auto en zette het op een lopen. Voor wie denkt dat dit verhaal nu eindelijk een spannende wending zal nemen, helaas, ik moet u wederom ontgoochelen. Ignace struikelde over een losliggende tegel en het vogeltje dat hij had willen grijpen was ineens nergens meer te bespeuren. 

(wordt vervolgd)


14:10 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

De commentaren zijn gesloten.