26-05-05

DAT HEET DAN GELUKKIG ZIJN (6)

- vervolg van Dat heet dan gelukkig zijn (1), (2), (3), (4) en (5) -

Apollonia Six vond het welletjes. Ze borg haar verrekijker in zijn koker, sloot de gordijnen, liep de trap af naar de hall, nam de hoorn van het telefoontoestel in de ene hand en vormde met de andere een nummer. Aan de andere kant van de lijn klonk een zangerige mannenstem.

"Allo, met inspecteur Haantjens van de lokale politie, zone Grensstreek."

"Allo, mijnheer de inspecteur, u spreekt met mevrouw Six uit de Frank Vandenbrouckestraat te Ploegsteert."

"Met wat kan ik u deze keer van dienst zijn, mevrouw Six?" klonk het opeens zeurderig in de plaats van zangerig.

"Ik bel u nog eens in verband met mijn buurman, de zotten Rondeel. Hij is weer bezig. Ik durf u bijna niet te vertellen wat hij nu weer aan het uitspoken is."

Wilfried Haantjens hield zijn hand voor de hoorn, zuchtte diep en katapulteerde met duim en wijsvinger een snottebel, die hij uit zijn neus had gewrikt en tot een elastisch bolletje gerold, hoog in de lucht. Het projectiel plofte geruisloos neer op de bureauonderlegger van aspirant hulpagent Vandewiele, die een week verlof zonder wedde had genomen om de Bende van Nijvel op te rollen. Haantjens geloofde stellig dat zijn collega in zijn opzet zou slagen en volgende week met een niet onaardige vangst het bureau zou betreden. De vader zaliger van Vandewiele was zelf een bendeslachtoffer, de jongen kon dus, in tegenstelling tot meer dan de helft van het korps, onmogelijk een gebrek aan motivatie worden aangewreven.

"Vertel het toch maar, mevrouw Six. Anders had u mij evengoed niet kunnen bellen en u de kosten van dit telefoontje besparen, niet?"

Hij hoopte dat de gierige weduwe Six de hint zou vatten en het niet al te lang zou maken. Hij hield zijn hand op de microfoon en geeuwde.

Op dat moment werd de helft van Vlaanderen door een telefoonpanne getroffen. Zowel Apollonia Six als inspecteur Haantjens kregen een storingstoon te horen. Haantjens haakte snel in. Hij wreef aan zijn ogen, hij voelde zich moe en lamlendig. Die verhaaltjes over zotte Rondeel begonnen hem te vervelen, net zoals die mafkees mij ook ferm de keel begint uit te hangen. Wat mevrouw Six inspecteur Haantjens te vertellen had, interesseert mij niet, ik ben het zat, en ik hoop van u hetzelfde. Dat de weduwe van Adolphe Six, gewezen ere-directeur van het muziekconservatorium van Ploegsteert, tevens uitvinder van de sixofoon, nog dezelfde dag stierf, ook dat is een verhaal dat ooit elders ofwel nooit zal worden verteld. Ik vertik het in elk geval. En wat een sixofoon is, ach, maalt iemand daarom? Een buis met gaten, een mondstuk en een trompetvormig uiteinde, tiens. Moet ik hier echt alles van naaldje tot draadje gaan uitleggen? Weten jullie dan niks? Hebben jullie geen greintje fantasie?

Sorry lezers, ik ben een beetje over mijn toeren, maar ik heb het echt wel gehad met die Ignace Rondeel. Eigenlijk heet hij niet Ignace Rondeel. Neen, ook niet Jos. Hij heet Ignace Brondeel. Brondeel is een oerdegelijke Vlaamse familienaam. Rondeel daarentegen is zo’n dichtvorm met een enkele malen weerkerende versregel, even gekunsteld als het sex-appeal van het getal pi, maar soit, wie ben ik om oordelen te vellen over wat dan ook? U ziet, ik raak weer op dreef. Uit mijn nek lullen, dat kan ik als de beste. Maar zo’n verhaal over ene Ignace Brondeel afmaken, neen, laat maar zitten. U zal wel vermoeden dat hij in een psychiatrische inrichting werd opgenomen omdat Irene niet langer voor zijn verzorging kon instaan. Dat u vermoedde wat u wilt, maar het is afgelopen met ‘Dat heet dan gelukkig zijn’. Waar die titel vandaan komt, weet ik ook niet meer. Tuurlijk is het de titel van een bekend liedje van de ons veel te vroeg ontvallen – zo heet dat dan – nachtegaal – zo ook – Ann Christy, maar of ik er goed aan gedaan heb om eerst een titel te kiezen en daar dan met haken en ogen een verhaal aan te breien is zeer de vraag. Die nu niet langer gesteld moet worden.

Titels zijn belangrijk. Ooit gaf ik een medisch-literaire lezing voor de beroepsvereniging van plastische chirurgen. Achteraf kwam een van die dokters mij feliciteren met mijn uitspraak ‘titels zijn belangrijk’ terwijl ik eigenlijk gezegd had ‘tieten zijn belangrijk’. Ik liet hem maar in de waan. Veel dokters zijn een beetje doof, vooral plastische chirurgen. Dat komt omdat er tijdens het opereren vaak silicone aan hun vingers blijft kleven, en dan peuteren ze met die siliconevingers in hun oren en zo raakt de gehoorgang verstopt. Ikzelf ben ook een beetje doof, maar geen dokter. Als mensen iets tegen mij zeggen, dan gebeurt het dikwijls dat ik glimlach en hen vriendelijk toeknik zonder dat ik een woord heb verstaan van wat mijn gesprekspartner nu eigenlijk uitkraamt. Vooral als er veel achtergrondrumoer is, gaan de woorden compleet de mist in. Heel vervelend is dat. Ik voel me soms een lul als ik weer eens schaapachtig sta te grijnzen in iemands gezicht, terwijl de mond in dat gezicht onhoorbare klanken uitstoot.

Onlangs ging ik naar de kroeg met mijn allochtone vrienden Abdelkader en Abdelflab. Abdelkader bestelde drie kamelenpis met citroen en we nestelden ons aan het enige nog vrije tafeltje. Hèhè, gezellig, zo eventjes de hort op met mijn allochtone vrienden Abdelkader en Abdelflab. Zouden er nog nieuwtjes zijn uit het verre Allochtonië?

(wordt vervolgd)


16:55 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

De commentaren zijn gesloten.