26-05-05

DAT HEET DAN GELUKKIG ZIJN (6)

- vervolg van Dat heet dan gelukkig zijn (1), (2), (3), (4) en (5) -

Apollonia Six vond het welletjes. Ze borg haar verrekijker in zijn koker, sloot de gordijnen, liep de trap af naar de hall, nam de hoorn van het telefoontoestel in de ene hand en vormde met de andere een nummer. Aan de andere kant van de lijn klonk een zangerige mannenstem.

"Allo, met inspecteur Haantjens van de lokale politie, zone Grensstreek."

"Allo, mijnheer de inspecteur, u spreekt met mevrouw Six uit de Frank Vandenbrouckestraat te Ploegsteert."

"Met wat kan ik u deze keer van dienst zijn, mevrouw Six?" klonk het opeens zeurderig in de plaats van zangerig.

"Ik bel u nog eens in verband met mijn buurman, de zotten Rondeel. Hij is weer bezig. Ik durf u bijna niet te vertellen wat hij nu weer aan het uitspoken is."

Wilfried Haantjens hield zijn hand voor de hoorn, zuchtte diep en katapulteerde met duim en wijsvinger een snottebel, die hij uit zijn neus had gewrikt en tot een elastisch bolletje gerold, hoog in de lucht. Het projectiel plofte geruisloos neer op de bureauonderlegger van aspirant hulpagent Vandewiele, die een week verlof zonder wedde had genomen om de Bende van Nijvel op te rollen. Haantjens geloofde stellig dat zijn collega in zijn opzet zou slagen en volgende week met een niet onaardige vangst het bureau zou betreden. De vader zaliger van Vandewiele was zelf een bendeslachtoffer, de jongen kon dus, in tegenstelling tot meer dan de helft van het korps, onmogelijk een gebrek aan motivatie worden aangewreven.

"Vertel het toch maar, mevrouw Six. Anders had u mij evengoed niet kunnen bellen en u de kosten van dit telefoontje besparen, niet?"

Hij hoopte dat de gierige weduwe Six de hint zou vatten en het niet al te lang zou maken. Hij hield zijn hand op de microfoon en geeuwde.

Op dat moment werd de helft van Vlaanderen door een telefoonpanne getroffen. Zowel Apollonia Six als inspecteur Haantjens kregen een storingstoon te horen. Haantjens haakte snel in. Hij wreef aan zijn ogen, hij voelde zich moe en lamlendig. Die verhaaltjes over zotte Rondeel begonnen hem te vervelen, net zoals die mafkees mij ook ferm de keel begint uit te hangen. Wat mevrouw Six inspecteur Haantjens te vertellen had, interesseert mij niet, ik ben het zat, en ik hoop van u hetzelfde. Dat de weduwe van Adolphe Six, gewezen ere-directeur van het muziekconservatorium van Ploegsteert, tevens uitvinder van de sixofoon, nog dezelfde dag stierf, ook dat is een verhaal dat ooit elders ofwel nooit zal worden verteld. Ik vertik het in elk geval. En wat een sixofoon is, ach, maalt iemand daarom? Een buis met gaten, een mondstuk en een trompetvormig uiteinde, tiens. Moet ik hier echt alles van naaldje tot draadje gaan uitleggen? Weten jullie dan niks? Hebben jullie geen greintje fantasie?

Sorry lezers, ik ben een beetje over mijn toeren, maar ik heb het echt wel gehad met die Ignace Rondeel. Eigenlijk heet hij niet Ignace Rondeel. Neen, ook niet Jos. Hij heet Ignace Brondeel. Brondeel is een oerdegelijke Vlaamse familienaam. Rondeel daarentegen is zo’n dichtvorm met een enkele malen weerkerende versregel, even gekunsteld als het sex-appeal van het getal pi, maar soit, wie ben ik om oordelen te vellen over wat dan ook? U ziet, ik raak weer op dreef. Uit mijn nek lullen, dat kan ik als de beste. Maar zo’n verhaal over ene Ignace Brondeel afmaken, neen, laat maar zitten. U zal wel vermoeden dat hij in een psychiatrische inrichting werd opgenomen omdat Irene niet langer voor zijn verzorging kon instaan. Dat u vermoedde wat u wilt, maar het is afgelopen met ‘Dat heet dan gelukkig zijn’. Waar die titel vandaan komt, weet ik ook niet meer. Tuurlijk is het de titel van een bekend liedje van de ons veel te vroeg ontvallen – zo heet dat dan – nachtegaal – zo ook – Ann Christy, maar of ik er goed aan gedaan heb om eerst een titel te kiezen en daar dan met haken en ogen een verhaal aan te breien is zeer de vraag. Die nu niet langer gesteld moet worden.

Titels zijn belangrijk. Ooit gaf ik een medisch-literaire lezing voor de beroepsvereniging van plastische chirurgen. Achteraf kwam een van die dokters mij feliciteren met mijn uitspraak ‘titels zijn belangrijk’ terwijl ik eigenlijk gezegd had ‘tieten zijn belangrijk’. Ik liet hem maar in de waan. Veel dokters zijn een beetje doof, vooral plastische chirurgen. Dat komt omdat er tijdens het opereren vaak silicone aan hun vingers blijft kleven, en dan peuteren ze met die siliconevingers in hun oren en zo raakt de gehoorgang verstopt. Ikzelf ben ook een beetje doof, maar geen dokter. Als mensen iets tegen mij zeggen, dan gebeurt het dikwijls dat ik glimlach en hen vriendelijk toeknik zonder dat ik een woord heb verstaan van wat mijn gesprekspartner nu eigenlijk uitkraamt. Vooral als er veel achtergrondrumoer is, gaan de woorden compleet de mist in. Heel vervelend is dat. Ik voel me soms een lul als ik weer eens schaapachtig sta te grijnzen in iemands gezicht, terwijl de mond in dat gezicht onhoorbare klanken uitstoot.

Onlangs ging ik naar de kroeg met mijn allochtone vrienden Abdelkader en Abdelflab. Abdelkader bestelde drie kamelenpis met citroen en we nestelden ons aan het enige nog vrije tafeltje. Hèhè, gezellig, zo eventjes de hort op met mijn allochtone vrienden Abdelkader en Abdelflab. Zouden er nog nieuwtjes zijn uit het verre Allochtonië?

(wordt vervolgd)


16:55 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

24-05-05

GEDICHT

 

ANONIEME SCHENKING

 

Ze nam ze aan en stelde geen vragen.

 

Mijn naam en wie ik ben is niet belangrijk,

wie jij al evenmin.

 

Ga nu en schik ze in een vaas.

Denk aan mij telkens je naar ze kijkt.

Kijk ernaar telkens je aan mij denkt.

Eenmaal verwelkt, gooi maar weg,

daar houdt het op.

 

Of toch niet.

 

Wat blijft heet herinnering: aan nu, hier,

jij, ik. Voor de rest: geen enkel belang.

 

Ze rook haar ogen dicht, ging heen en loste op

zonder ook maar één keer om te zien. Dit stemde

mij zo somber dat ik weken niet meer sliep.

 

Maar bloemen, meisje en wakkere nachten verwelkten.

En slaap keerde weerom als een oude vriend.

 

 

Philip Hoorne

2004


22:47 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

23-05-05

DAT HEET DAN GELUKKIG ZIJN (5)

- vervolg van Dat heet dan gelukkig zijn (1), (2), (3) en (4) -
 

Ignace Rondeel zat geknield naast zijn bed. Van op de rug gezien leek hij een man in gebed, maar dat mes en die vork in zijn handen deden een argeloze toeschouwer wis en zeker twijfelen aan het religieuze gehalte van dit tafereeltje. Op de gebloemde bedsprei lagen een zoutvaatje en een pepermolen. Ignace wilde zijn bed opeten. Giechelend als een schoolmeisje tijdens een biologieles over de menselijke voortplanting, prikte hij met zijn vork in de matras terwijl hij met het mes probeerde om er stukken af te snijden, maar – zoals u allicht niet weet, maar neem het gerust van mij aan – zo’n matras is nogal taai en dat snijdt niet makkelijk. Al snel gaf Ignace er de brui aan. Ontgoocheld gooide hij het bestek in een hoek van de kamer en raakte daarbij ei zo na de vogelkooi met de dode mus.

 

Vorige week had Ignace in het stadspark een dode mus gevonden. Irene vertikte het een kooi te kopen, maar toen hij maar bleef zeuren en uiteindelijk op zomaar een middag van pure razernij zijn hoofd in de kom met spaghettisaus doopte, besefte ze geen andere keus te hebben. Haar man bleek over een grenzeloze energie te beschikken die ze niet in hem vermoedde, een vitaliteit die zij daarentegen nooit had bezeten en ook nooit zou bezitten. Ignace was blij met zijn dode mus. Hij kon er wel twee minuten aan een stuk naar kijken, maar dan rende hij weer het huis door en hoorde ze hem nu eens rommelen op zolder (dood aan de spoken!) dan weer de kelder instuiven (meisjes, ik kom jullie bevrijden!) of bevond hij zich in de tuin, rollend en dollend op het gazon, alwaar hij samen met de hond aan zijn ballen likte. Hoe vaak had ze hem al gezegd dat dit niet betaamde. En dat bovendien die hond maar aan zijn eigen ballen moest likken. Ignace hoorde het niet, hij ving klanken op, maar die waren zonder betekenis. Aan Irene’s gezicht kon hij wel zien of ze iets al dan niet leuk vond, of ze blij of boos was. Maar hey, waarom rolde ze ook niet ballenlikkend over het gras? Is leuk toch! Waarom speelde ze niet mee? Waarom sneed ze de matras niet in kleine stukjes zodat hij die beter kon kauwen? Waarom kocht ze geen zaad voor zijn dode mus? Waarom deed die vrouw altijd zo vervelend, waarom moest zij altijd de spelbreker zijn, waarom zat ze soms in een hoekje te huilen? Waarom bleef ze altijd in zijn buurt als ze toch niet deed wat hij van haar verlangde, waarom liet ze hem niet met rust, ze liet de dode mus wel met rust! Moest hij dan ook eerst dood zijn vooraleer ze hem met rust zou laten?

 

(wordt vervolgd)

20:38 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

18-05-05

DAT HEET DAN GELUKKIG ZIJN (4)

- vervolg van Dat heet dan gelukkig zijn (1), (2) en (3) -

Ignace – Jos – Rondeel kreeg dus een ladder op zijn hoofd. Hij hoorde iets kraken tussen zijn oren en verloor het bewustzijn. Vier maanden later mocht hij het ziekenhuis verlaten. De dokters hadden hun best gedaan, de verpleegster hadden goed voor hem gezorgd, zijn vrouw Irene kwam hem ophalen. Ignace, alias Jos, voelde zich goed noch slecht, maar wist niet meer wie hij was – gelukkig wist Irene het wel nog, zodat ze niet met de verkeerde vent huiswaarts keerde – net zoals u ook niet meer weet of de man naar wie ik nu eens verwijs als Ignace en dan weer als Jos nu eigenlijk Ignace of Jos heet. Verwarring alom, ook en vooral onder het schedeldak van – laten we maar kiezen voor zijn oorspronkelijke naam – Ignace Rondeel, ex-huisschilder, thans invalide, levensgenieter van huis uit, geknakt voor het leven door een vallende ladder, zo’n vreselijk werktuig waarmee mensen alleen maar letterlijk hogerop geraken, zo’n ding waar ik, en nu spreekt tot u de schrijver zelve, helemaal niet van houd, want ik heb hoogtevrees.

Dertien sporten durfde ik ooit op, maar omdat dertien het ongeluksgetal bij uitstek is, moest ik naar de veertien of terug naar de twaalf. Ik koos eieren voor mijn geld in de plaats van eieren in mijn broek en daalde af naar de twaalf. Dat stond heel lekker. Wie ooit op de dertien heeft gestaan, voelt zich op de twaalf heel dicht bij de grond. Ik stal de show door heel even één hand los te laten, want beneden hield een klein legertje mensen mijn ladder vast, allemaal mensen op wie ik volledig kon betrouwen en die wel een miniperformance van mijnentwege verdienden, zolang ze maar niet begonnen te applaudisseren, aan die ladder met die handen! Eentje moest er ineens niezen waardoor de ladder een schokje kreeg. Die kerel heb ik met een strenge berisping weggestuurd:

"Ik wil je nooit ofte nimmer meer zien, ik heb jou mijn vertrouwen geschonken en je hebt het beschaamd, meer dan één keer trouwens, want denk je misschien dat ik niet merk dat je helemaal niet gemotiveerd bent om mijn ladder vast te houden, dat het jou zelfs ronduit verveelt dat ik op jou een beroep doe om mijn veiligheid te garanderen. Ga dan – en ik wees theatraal met een reetstrakke wijsvinger over de daken onder mij, nou ja, ik stond toch ietsjes hoger dan het kippenhok van de overburen – als je interessantere dingen te doen hebt, ik zal je niet tegenhouden, want ik sta hier bijzonder comfy ruim twee meter boven de grond op de twaalfde sport van deze ladder, en hoe langer ik hier sta, hoe meer ik het gevoel heb dat ik hier wil blijven staan, dat ik hier thuishoor, dat ik geboren ben om op ladders te staan, dat ik op deze ladder wil sterven, hoe melig jullie onderkruipers, wormen, laag-bij-de-gronds gespuis, dat ook zullen vinden. Van hieruit zie ik dingen die ik nooit eerder zag – een rivier die ligt te liggen zoals in een gedicht van Rutger Kopland, twee honden die vechten om een been – het rechter van de postbode – zoals in het gelijknamige spreekwoord, de buurvrouw die topless ligt te zonnebaden zoals in mijn fantasie – ik begrijp nu pas goed hoe gelukkig Ignace Rondeel ("Wie?" riep iemand) zich gevoeld moet hebben, want het mooiste beroep ter wereld is er een waar regelmatig een ladder in opduikt. Leve de ladders, leve de mens die boven zichzelf uitstijgt, leve mij of moet dat zijn leve ik? Leve Ignace Rondeel ("Wie?" riep weer iemand onder mij, dit keer met een zweem van ergernis in de stem. "Is dat familie van Jos Rondeel?")"

Mijn tirade werd prompt gevolgd door een regiment angstscheten – in alle overmoed was ik opgeklommen naar de dertiende sport, een evenaring van mijn persoonlijk record – waardoor er onder mij nog meer deining ontstond en de ladder begon te wiebelen. In geen tijd stond ik beneden, ook de aarde leek te schuiven of was dit slechts inbeelding? Rondom mij een zootje ongediplomeerde laddervasthouders die mij maar een watje vonden, dat zag ik wel aan hun gezichten. Dat vond ik zelf ook als ik naar de dertiende sport keek en moest vaststellen hoe hoog dat maar was, amper twee kontjes boven mijn kruin. Hoorne, onnuuzel menneke, dacht ik en alleen ik mag zoiets denken. U mag dat niet. Don’t call me sissy, ik durf dertien sporten hoog – dat is niet min, van op die hoogte kan ik, mits ik even op de toppen van mijn tenen ga staan, de vensterbank van het raam op de eerste verdieping afstoffen – ik durf zelfs naar beneden kijken om de Judassen eruit te halen en weg te sturen, en ik durf all the way als de ladder plat op de grond ligt, maar stappen op een ladder die op de grond ligt is niet alleen een nutteloze maar ook een nogal belachelijke bezigheid.

Irene begeleidde haar man naar de auto die ze op de ziekenhuisparking had achtergelaten. Ze zei dat hij naar huis mocht, dat hij eindelijk naar huis mocht, dat het allemaal wel goed zou komen. Ze hielp hem in de wagen en gooide het portier dicht. Vervolgens liep ze naar de kant van de bestuurder, stapte in en startte de motor. Ze reed naar de uitgang en wachtte tot de slagboom omhoog klapte. Op dat moment sprong Ignace Rondeel uit de auto en zette het op een lopen. Voor wie denkt dat dit verhaal nu eindelijk een spannende wending zal nemen, helaas, ik moet u wederom ontgoochelen. Ignace struikelde over een losliggende tegel en het vogeltje dat hij had willen grijpen was ineens nergens meer te bespeuren. 

(wordt vervolgd)


14:10 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

17-05-05

GEDICHT

 

WAS BEVUILD

 

(vrij naar ‘Tot besluit’ van Menno Wigman)

 

Ik ken de droefenis van wasserettes,

van volle manden met vuile lakens,

alleenstaande moeders met propere plichten,

 

de geur van gele slipjes, zomerrokken, sexy

topjes, pantalons, waspoeder die reinigt

tot we schreiend in onze bloten staan.

 

En ik zag Bonuxlijken, witter dan wit, van mensen

die op lijken wilden lijken, zich verhingen aan een

wasdraad die ooit een strakke wasdraad was.

 

Wie wasten ze? Wie droogden ze? Wie was

ikzelf? Vader, zeeman, landgraaf, C&A,

daar sta je met je stralend opgeblonken hoofd,

 

je klaargestoomde das met veel te losse knoop,

damesschoenen, maatpak, hoogmoed, misantroop.

En ik, die kwijlend mijn viezigheid verdring,

 

had ik maar iets nieuws, iets nieuws om uit of

aan te trekken. Bermuda. T-shirt. Penis. Ring.

Ik ken de droefenis van wasserettes.

 

 

Philip Hoorne

2004


22:57 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

13-05-05

DAT HEET DAN GELUKKIG ZIJN (3)

- vervolg van Dat heet dan gelukkig zijn (1) en (2) -

 

De Erfelijkheidsleer scoorde enkele jaren geleden een hitje met de meezinger Genen Tijd. (Hebt u hem? Vette knipoog), maar ik wil het hier natuurlijk niet hebben over dit one hit wonder, maar over dé erfelijkheidsleer. Daar zijn vele dikke boeken over geschreven die door niemand gelezen worden, sta mij dus toe een en ander voor u samenvatten. De erfelijkheidsleer of genetica bestudeert erfelijke eigenschappen van o.a. mensen, maar hoe werkt dit nou eigenlijk? Wel, in het woord genetica zit het woord en, het woord ene, het woord net, het oud-Nederlandse woord ic – zoals in de beroemde quote van Hadewyck uitgesproken na het nuttigen van enkele flessen Elixir d’Anvers "Alle dinghe sijn mi te inghe, ic ben so wyt" – maar ook het woord gen. Een gen is in West-Vlaanderen een stuk pluimvee van het vrouwelijke geslacht, maar buiten de provinciegrenzen tevens een deel van een chromosoom dat erfelijke informatie bevat. Bij de productie, als ik het even oneerbiedig mag stellen, van een kind doen die chromosomen datgene wat ze geacht worden te doen en de rest van het verhaal kent u, zoniet moet u zich dringend laten voorlichten door enkele gerichte vragen te stellen aan uw moeder of toch maar eens zo’n dik boek gaan lezen. Titel en auteursnaam worden zichtbaar na het wegblazen van de stoflaag.

 

In elk geval ben ik een fervent aanhanger van die goeie ouwe genetica. Dat rommelen in mijn eigen prille verleden waar ik me trouwens helemaal niks meer van herinner, en daar op zoek gaan naar wat er allemaal verkeerd is gelopen, da’s niks voor mij. Laten we er maar van uit gaan dat alles wat fout is altijd al fout is geweest en altijd fout zal blijven. De genen als zondebokjes, yep, ik lust wel pap van dat soort gemakzuchtige theorietjes. Dat komt natuurlijk omdat ik een door en door slecht mens ben, die niettegenstaande zijn aangeboren verslaving om iedereen voor de gek te houden, om de tuin te leiden en in het ootje te nemen, nog totaal niks heeft bereikt in het leven en stellig van plan is dat zo te houden. Alle aan mijn adres gerichte verwijten dienaangaande zijn dom, kortzichtig en onredelijk, ik ben immers ten allen tijde gedekt door mijn beschermengel en excuus-Truus, de erfelijkheidsleer.

 

Mijn vader, de postbode, hield er dezelfde levensopvatting op na, of wat had je gedacht? Niet dat mijn vader postbode is, toch niet de man die ik vader noem, maar wel mijn ‘echte’, zeg maar biologische vader. Die betrad ’s morgens het postkantoor waar hij werkte en begon naarstig de post te sorteren. Links een hoopje met de cheques, pensioenen voor de oudjes, en rechts een hoopje met de andere poststukken. Die laatste kieperde hij in de eerste vuilnisbak die hij op straat tegenkwam en de cheques inde hij in het nabijgelegen bankfiliaal. Vervolgens ging hij twee tassen warme chocomelk drinken in café ’t Facteurke, waar hij door de andere postbodes op handen werd gedragen omdat hij altijd als eerste klaar was met zijn ronde. Dat op handen dragen viel al bij al nog mee, want meestal was hij alweer vertrokken voor de andere facteurs er aan kwamen, want vanaf tien uur ging mijn vader poepen, niet in de Nederlandse betekenis van kakken – want mijn vader kakte net zoals ik op de vaste tijdstippen zes uur ’s morgens en zes uur ’s avonds, en als er ’s middags bonen op het menu stonden durfde hij wel eens een extra laatavondsessie inlassen – maar wel in de Vlaamse betekenis die ook de Nederlanders maar al te goed begrijpen. Zeg aan een Nederlander op café dat hij moet trakteren en hij zal het in nog geen honderd jaar begrijpen of doen alsof zijn neus bloedt, maar zeg hem dat hij mag poepen met de serveuse en zijn broek hangt al op zijn knoesels. Leer mij de mensen niet kennen.

 

Enfin, we dwalen af. Mijn vader dus, de postbode, de biologische, die kende alle eenzame huisvrouwen van de gemeente en zo kwam hij op een dag bij mijn moeder terecht.

“Hooggeachte vrouwe, ik heb voor u geen cheques die gij kunt innen, geen krant om de patatten op te schillen en geen wenskaart met rode rozen, niets van dit alles heb ik, ik heb alleen mezelf,” luidde een van zijn meest gebruikte openingszinnen. Een beetje lang en melig als versiertekst hoor ik u meesmuilen, maar dat maakte net deel uit van zijn strategie. Als hij voor hij die zin had uitgesproken de voordeur tegen zijn neus kreeg, wist hij dat het niks ging worden. In het andere geval, werd hij overweldigd door een bingo!-gevoel. Een vrouw die tijd en goesting heeft om te luisteren naar een potje gewauwel, die heeft ook tijd en goesting om een potje te seksen. Let ook op het poëtisch karakter van die volzin. Ja, ook de poëzie heb ik van hem geërfd. Al ben ik natuurlijk een eersteklas kutdichter en dat zal altijd zo blijven, dat is erfelijk bepaald, want beter en poëtischer dan die binnenkomer kon mijn vader niet, en mijn moeder kan nog steeds niet lezen, laat staan schrijven of godbetert dichten, de nobelste aller kunsten als we kantklossen en het rooien van bonsaiboompjes even buiten beschouwing laten.

 

Intussen zijn we wel heel ver verwijderd van Ignace Rondeel die een ladder op zijn hoofd kreeg en rammelt dit verhaal al een hele poos van alle kanten. Heeft u opgemerkt dat een en ander niet klopt? Neen? Ik wel. In deel één schrijf ik dat Ignace na het ladderincident gelukkiger werd dan ooit voorheen omdat zijn hersenen een beetje door elkaar gehusseld werden. In deel twee wil ik Ignace, inmiddels luisterend naar de naam Jos, aanvankelijk voorstellen als een treurwilg met takken tot in de grond, maar het pakt anders uit. Ineens staat er dat Jos vanaf de periode rond zijn eerste nachtelijke zaadlozing een opgewekte kerel werd, net zoals zijn ouders en zijn tantes. Ik gebruik de termen ‘levensgenieter’, ‘vrolijke Frans’ en ‘epicurist’. Kunnen dit soort types ook ongelukkig zijn? Ja, dat kan. Lieden die altijd grappen en grollen en een grote mond opzetten, maar in tranen uitbarsten als ze eventjes alleen zijn, u kent ze wel of bent er zelf één. Maar ik schrijf wel degelijk dat Jos een levensgenieter was, niet dat hij die indruk gaf of zich zo voordeed. Als verteller van dit verhaal behoor ik toch te weten hoe Jos Rondeel in mekaar steekt, ik heb hem immers zelf geschapen. Wat dan met die ladder? Moet ik even retroactief ingrijpen en mezelf corrigeren, u wijsmaken dat de vrolijke huisschilder na zijn ongeluk onmogelijk nog vrolijker kon worden en dan maar een verdorde plant werd? Neen, terugkrabbelen is niet goed voor mijn geloofwaardigheid en het ligt ook al te zeer voor de hand, want na een zwaar arbeidsongeval blijft er van een working class hero meestal niet veel meer over dan een zielige working class zero, dat weet iedereen. Ik zit vast, maar gelukkig heb ik een verlengd weekend om er uit te geraken, want het is niet de bedoeling dat ik hier eventjes een verhaal ga neerpennen dat u ook bij een honderdtal andere schrijvers had kunnen lezen. Neen, deze vertelling moet Hoorniaans blijven, dat wil zeggen: swingen als de neten in de haardos van Wim Duisenberg.

 

(wordt vervolgd)


18:12 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

12-05-05

GEDICHT

 

VAN PUNK TOT PANTOFFEL

 

Geen toekomst

galmde het over dit continent.

Je had jezelf en enkele gelijkgestemden, de wereld heette opponent.

 

Geen toekomst.

Je brulde krachtig mee, maar dan lette je even niet op

en voor je het wist zat je opgescheept met geen toekomst voor twee.

 

2 werd 3 werd 4.

Daar stond je dan te blinken met je gezin:

1 huwelijk met sleet, 2 pokdalige pubers, afbetalingen bij de vleet.

 

Geen toekomst

galmt al lang niet meer over het continent.

Je bent het stille bewijs van je eigen grote gelijk. In een dove, dood-

 

lopende steeg schreeuw je

zo hard je kan dat jij het had: bij het rechte eind.

En uit tegendraadse tegendraadsheid toch maar alles anders deed.



Philip Hoorne
2004

22:25 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

09-05-05

DAT HEET DAN GELUKKIG ZIJN (1)

Ignace Rondeel wilde enkele uren voor de werkweek er op zat nog snel de topgevel van een verbouwd herenhuis een laatste verflaag geven, toen hij struikelde en een ladder op zijn hoofd kreeg. Niet zo’n aluminium vrouwenladdertje maar een robuuste houten knaap – Ignace hield van degelijk alaam – waarmee je, mits het uitschuiven van de verlengstukken van tweemaal dertien sporten, bijna aan God zijn gat kon krabben. Dit banale voorval veranderde zijn leven zowel in negatieve als positieve zin. Na ontslag uit het ziekenhuis bleek Ignace een beetje kierewiet, maar precies dankzij die kierewieterij voelde hij zich gelukkiger dan ooit tevoren.

Enkele weken voor de wereldwijde herdenking van de geboorte van een bijzonder kind dat het levenslicht eerst niet kon zien omdat een os, een ezel en enkele sinterklazen hem het zicht belemmerden, werd ergens op onze globe Ignatius Willem Rondeel geboren. Ook hij kon aanvankelijk niet veel van zijn omgeving zien, niet alleen omdat aan zijn ene kant tante Irma met haar ezelsoren en aan de andere kant tante Magda met haar ossenknieën – en allebei zo breed als een olifant in een skipak – het zonlicht tegenhielden, maar om de eenvoudige reden dat de zon in die periode rond de jaarwisseling nauwelijks scheen, en dat de komende weken – tot een flink end na Nieuwjaar – amper zou doen. Het regende heel de maanden december en januari, en als het niet regende, dan hagelde het, en als het niet hagelde, dan sneeuwde het – niet van die witte vlokjes die je wel eens in Disney-films ziet, maar grijsbruine klodders die smolten nog voor ze het aardoppervlak bereikten. Het duurde tot midden februari vooraleer Ignace een eerste keer buiten kwam. De zon scheen, o wat scheen de zon fel die dag, zo fel dat Ignace er pijn van kreeg aan zijn oogskens en blèrde dat hij terug naar binnen wilde, wat zijn moeder Anna dan ook prompt deed, want ze kon geen geblèr uitstaan, niet van geiten, niet van kinderen in het algemeen en zeker niet van haar eerstgeboren spruit Ignace. Laat we dit creatuur voortaan Iggy noemen, want Ignace, dat is als voornaam wel heel erge koude kak. Neen, toch liever geen Iggy, doet mij teveel denken aan de zingende gespierde stylo, Iggy Pop. Weet je wat, laten we Ignace Jos noemen, een Nederlandse naam waar je ten allen tijde mee onder de mensen kunt komen, behalve als je Jos Willem Rondeel heet, want Jos, zoals ik al zei toen hij nog Ignace heette, hield niet van zonlicht en buitenlucht.

(wordt vervolgd)


16:22 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

07-05-05

GEDICHT

 

ERFELIJKHEID

 

Mijn vader dommelde voor de tv

met zijn rechterhand aan zijn geslacht,

een tic die ik van hem erfde

(tot grote afkeer van mijn dochter).

 

Ik weet niet precies wat, maar hij zocht er

iets wat hem ontbrak, net zoals ik iets zoek wat

mij ontbreekt. Ik kijk daarbij met dezelfde blik

waarmee mijn vader destijds keek:

 

afhangend hoofd, scheve mond, beetje sip.

Allicht woekerden ook in hem een brandende begeerte

en ontembare lust: twee ingrediënten die niet mogen

mankeren in een van gezondheid blakende herenslip.

 

 

Philip Hoorne

2004


23:32 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

06-05-05

GEDICHT

 

DE SPREKENDE SPRIET

 

Als gras kon spreken,

een spriet tussen spoor en beek

wat zou die weten?

 

Ik ben klein maar groter

dan de mieren en kevers

die langs mijn been passeren.

 

Af en toe wordt mijn soepelheid

met voeten getreden en de schaduw

van een trein, die duurt maar even.

 

Ik ben klein en goed omringd,

wij zijn met velen. De wereld

behoort ons toe, zoveel is zeker.

 

 

Philip Hoorne

2005


20:48 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

02-05-05

HOE DE DAKGOOT VAN KEES KLOEFKAPPER HERSTELD RAAKTE

Kees Kloefkapper stapte het bankfiliaal aan de Oudenaardsesteenweg binnen met een panty over zijn kop en werd prompt door een veiligheidsagent in een wurghouding genomen. Verbolgen over een dergelijke aanpak – de vriestemperatuur rechtvaardigde een hoofddeksel – besloot hij een klacht in te dienen tegen de financiële instelling, de veiligheidsagent en zijn huisbaas, die nog steeds die lekkende dakgoot niet had laten repareren. Voor alle duidelijkheid, hier wordt wel Kees’ huisbaas bedoeld en niet de huisbaas van de veiligheidsagent. Bobby Bobcat – zo heette de agent – was immers eigenaar van het huis waar hij in woonde, een stulpje waarvoor hij de nodige centen had bijeengespaard door jaren aan een stuk klanten die met een panty of ander verdachte hoofddeksel het bankfiliaal aan de Oudenaardsesteenweg betraden tegen de grond te werken. Het was dan ook een heel bescheiden woning die alleen maar bestond uit een eetkamer, een wc en een fitnesszaal. Bobby wilde in een blakende conditie blijven om nog beter, sneller en grondiger louche bankbezoekers uit te schakelen. Misschien kon hij zo wel een transfer naar ING, KBC of ABN-AMRO bewerkstelligen. Die betaalden beter en hadden voor hun securitymensen eigen fitnesszalen met alles erop en eraan inclusief een mooie meid achter de bar.

De advocaat van Kees Kloefkapper wilde het zijn cliënt ten stelligste afraden met deze rechtszaak verder te gaan, maar hij zat wat krap in klandizie. Bovendien zou deze crazy case gegarandeerd de nodige persbelangstelling krijgen. Maar telkens Kees zijn kabinet verliet en daarbij het behangpapier en stucwerk aan flarden kraste met de wieldoppen van zijn rolstoel – een blijvende herinnering aan Bobcat’s vakmanschap – besloot hij het toch maar niet te doen. Dit was te gek voor woorden. Een kerel stapt op een vriesmorgen een bank binnen met een panty over zijn hoofd getrokken, en is daarna verwonderd dat hij voor een overvaller wordt aanzien. Hallóóó! Het was immens koud die morgen, da’s waar. Kees’ muts zat in de was, de lokale politie had het alibi van de muts gecheckt, gedubbelcheckt en gedriedubbelcheckt, het verhaal klopte van a tot z, geen speld tussen te krijgen. Kloefkapper was ook niet gek zoals eerst werd gedacht, dat hadden artsen en psychiaters nagetrokken. Hij leek een heel normaal mens, een brave huisman, het dertien-in-een-dozijn-type, een average Joe. Blanco strafblad, zelfs geen verkeersovertreding.

Net op het moment dat advocaat Jimmy Sommerville, worstelend met een nakende hongerdood, de zaak alsnog wilde inleiden bij het Hof van Ongelooflijk-Maar-Waar-Gebeurde-Zaken, kwam de hoofdzetel van ‘t Spaarderke, de bankinstelling waar Kees Kloefkapper zijn blijvende invaliditeit had opgelopen, met een minnelijke schikking op de proppen: levenslang recht op terugbetaling van alle door hem aangekochte rolwagens, alle types en merken, ook het luxemodel met carbonvelgen, ingebouwde hifispeler en haardroger, en een al even levenslang abonnement op de driemaandelijkse infokrant ’t Spaarderke-Bulletin, dat na de fusie met verzekeringskantoor 't Verzekeraarke zou ophouden te bestaan, maar dat hoefde die pantydrager niet te weten. Kees besloot het voorstel te aanvaarden, maar vroeg er nog een zakagenda bovenop. Tijdens een speciale bestuursvergadering, die twee keer werd geschorst wegens onenigheid over het enige punt van de dagorde, ging de Raad van Bestuur van ‘t Spaarderke met een nipt behaalde 2/3 meerderheid toch akkoord om tegemoet te komen aan de wensen van die inhalige Kloefkapper.

Kees haalde opgelucht adem. Eigenlijk wilde hij het hele voorval zo snel mogelijk vergeten en verder gaan met zijn leven dat er al bij al toch niet zo somber uitzag, want zijn handicap bood hem ook een aantal voordelen. Nooit meer tuinieren of het gras maaien, werkjes die hij altijd al hartgrondig had gehaat, een verminderd libido waardoor hij een rustiger mens was geworden en last but not least had hij zich in geen tijd ontpopt tot de sterspeler van rolstoelbasketbalploeg The Pathetic Rebounders. Man man, Kees balde er niet naast. In amper twee maanden tijd waren zijn bovenarmen zo dik geworden als de billen van zijn schoonmoeder, met dat verschil dat het bij hem spierweefsel betrof in de plaats van vetmassa. Off the record wil ik nog even vermelden dat Kees al spoedig goede maatjes werd met Marc Herremans, de triatleet die hij vroeger altijd had beschouwd als een mediageile loser in een karreke, maar waarvoor hij nu het grootste respect vermocht op te brengen. Rolstoeltjes onder mekaar, altijd lachen, plezier maken, vuile moppen tappen en neerbuigend doen over zij die zich op schoenen in de plaats van wielen voortbewegen. Haha, suckers.

Eind goed, al goed, behalve voor Bobby Bobcat, die ontslagen werd nadat hij de kroonprins van Marokko tegen de vlakte had gewerkt. Neen, het leek niet op een panty, maar een hoedje toch gek genoeg om in te grijpen. Die man droeg een jurk, ook dat nog, waarin hij makkelijk een uzi en een korf handgranaten had kunnen verstoppen, voerde hij ter zijner verdediging aan. Bovendien zag die kerel er bijzonder allochtoon uit, en tegen allochtonen mag ik sneller geweld gebruiken, heeft men mij gezegd toen ik hier twee decennia geleden in dienst trad. Helaas voor Bobcat stond die richtlijn niet op papier en moest de Raad van Bestuur van ’t Spaarderke wel iets doortastends doen om haar gezicht te redden, want de Marokkaanse overheid dreigde er mee al haar emigranten uit België terug te trekken, wat ongetwijfeld zou leiden tot een groot aantal naakte ontslagen bij de gerechtelijke en politionele diensten en de OCMW’s. Bobcat werd op de keien gegooid en kon nergens terecht, zelfs geen dopgeld trekken, omdat hij wegens dringende redenen ontslagen werd. Om de syndicale afgevaardigen en het gepeupel te paaien werd ook afgevaardigd bestuurder Julien Ferme-t’Agueule ontslagen maar die kon ’s anderendaags al aan de slag bij een andere dochter van de moederholding, alwaar hij het dubbele zou verdienen.

Wat er verder met advocaat Jimmy Sommerville is gebeurd, weet ik niet. Vluchtige opzoeking op het internet leert mij dat hij in de muziekbusiness zou gestapt zijn, maar het kan hier ook om een naamgenoot gaan.

Uit misplaatst medelijden met zijn invalide huurder liet Kees’ huisbaas de lekkende dakgoot herstellen, de klootzak.


14:21 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |