28-06-05

HET HOORNE-NON-ESSAY (deel 2)

- vervolg van Het Hoorne-non-essay (deel 1) -

Het gedicht dat ik als voorbeeld aanhaal, mijn Spiegelbeeld, is geen wereldgedicht. Dat besef ik zelf ook wel. Bundelwaardig, dat zeker, maar geen klassieker. Voor de petite histoire mag u gerust weten dat het de eerste en enige keer is geweest dat ik een gedicht selecteerde deels omwille van extraliteraire redenen. In dezelfde cyclus van Niets met jou staat Dochter en ik wilde ook een zoongedicht opnemen, kwestie van mijn kinderen, die toen 14 (dochter) en 11 jaar (zoon) oud waren, allebei een gedicht te gunnen, hoewel niemand daar om gevraagd had, mijn nageslacht nog het minst van al. Melig, niet? U mag Spiegelbeeld gerust een middle of the road-gedicht noemen, ik zal mij niet beledigd voelen. Mijn zoon ook niet.

90% van de Nederlandse poëzie bestaat uit dat soort van doorsnee gedichten. Een typisch kenmerk van doorsnee poëzie zou kunnen zijn dat het volstrekt begrijpelijk is dat sommigen er van houden en anderen niet. Deze poëzie onderscheidt zich van de handvol canonieke gedichten, zoals bijvoorbeeld het fantastische Sterfbed van Jean-Pierre Rawie of Vertrek van dochters van Rutger Kopland, om nu maar die twee te noemen. Dergelijke meesterwerkjes schrijf je als dichter maar enkele keren in je hele leven.

Het is een publiek geheim dat ik houd van het werk van Rutger Kopland. Eigenlijk bedoel ik daarmee dat ik amper de helft van zijn werk als overbodig beschouw, terwijl dat bij een pak andere dichters al snel oploopt tot 75% of meer. Dat zogenaamde overbodig werk bestaat uit gedichten die mij niet langer bijblijven dan de tijd nodig om ze te lezen, maar is desalniettemin toch redelijk zinvol, want het geeft de andere gedichten, de pareltjes, extra glans. Mocht het verzameld werk van Rutger Kopland alleen maar uit dichterlijke hoogstandjes bestaan, dan zou ik het toch weer kwalitatief gaan opdelen en me afvragen waarom hij maar af en toe wondermooie gedichten schrijft en niet altíjd wondermooie. Die gewoon maar mooie zouden naar mijn smaak ook weer heel erg doorsnee lijken vergeleken met de sublieme. Als ik deze redenering even afmaak, ben ik misschien wel te hard voor Kopland door de helft van zijn oeuvre als middelmatig te beschouwen, omdat ik niet eens meer besef dat een middelmatige Kopland nog altijd stukken beter is dan het beste vers van ene dichter Huppeldepup. Wie ooit de 100 meter vlak liep in 10 seconden rond, wordt op afkeurend gemompel getrakteerd als hij een tijd van 11 seconden klokt. Wie een besttijd heeft van 12 seconden, krijgt applaus op alle banken als hij daar op een zekere dag een seconde van af knijpt. Beide prestaties zijn objectief gelijkwaardig. De perceptie en het verwachtingspatroon maken dat de ene atleet wordt bejubeld en de andere uitgejouwd. Jarenlang heb ik Al die mooie beloften, Dit uitzicht en Voor het verdwijnt en daarna, drie Kopland-bundels die dateren van toch al bijna een kwarteeuw geleden, met mij meegezeuld. Ik heb die boekjes gemythologiseerd. Gevolg: voor mij kan Kopland zichzelf nog nauwelijks overtreffen. Wat Rawie betreft: zelfde verhaal. Als ik moet kiezen voor een flinterdun boekje met zijn tien mooiste gedichten – een bloemlezinkje dat ik zelf mag samenstellen – of al het overige, dan kies ik voor die tien. Rawie hoeft van mij niet meer te dichten, hij mag van mij gerust zijn verdere leven lang teren op zijn topprestaties.

Dit is geen pleidooi voor het obscure begrip middelmatigheid, eerder een aanvaarding ervan. Een dichter is al een hele pief als hij het Sterfbed-niveau per gepubliceerde dichtbundel enkele keren benadert. Talloos zijn zij die een of meerdere bijna-klassiekers hebben geschreven. Dat het niet altijd lukt, heeft niet alleen te maken met het métier van de dichter, maar ook en vooral met het gedicht zelf. Een gedicht laat zich niet dwingen. Op een gegeven moment staat een doorwrochte, prima verzameling van woorden op het papier, en komt het moment dat de dichter voelt dat er nog maar weinig gesleuteld kan worden zonder aan de essentie te raken, zonder het gedicht helemaal te slopen en opnieuw te beginnen vanaf nul. De dichter verliest zijn greep op het gedicht. Het is af, maar af houdt hier niet noodzakelijk een kwaliteitsoordeel in. Vervolgens moet de dichter kiezen tussen het gedicht accepteren zoals het er staat (een heel goed gedicht, doch geen topper) of het verwerpen (als hij zich alleen maar tevreden stelt met toppers). Kiest hij voor de tweede mogelijkheid, dan is de kans reëel dat hij nooit met enig werk naar een uitgever durft te stappen, terwijl ondertussen zijn collega’s de ene na de andere mediocre bundel op de mensheid loslaten. Hier kom ik in de buurt van een uiterst gevoelige materie, nl. het verdriet en de frustratie van de would-be debutant, die mooie verzen schrijft, maar toch door alle uitgeverijen wordt afgewezen. Uitgeverijen verwachten van een nieuweling dat hij meteen, uit de losse pols, een boekje vult met alleen maar meesterlijk materiaal, dat hij in zich de genen draagt van het kruim der Nederlandstalige poëzie, maak daar de wereldpoëzie van. Dit kan natuurlijk niet, het is onredelijk zoiets te verwachten. Maar het verschaft uitgevers wel de kans om nogal willekeurig te kiezen welke kikker ze uit de poel van de middelmatigheid opdiepen, of niet opdiepen indien poëzie voor het bedrijf geen prioriteit is. De vraag dringt zich bij mij op of een uitgeverij wel gebaat is met een dichter die er meteen staat, zoals dat dan heet. Zo iemand kan zichzelf vanaf bundel twee nog amper overtreffen. Is het niet leuker te investeren in een poëet met groeipotentieel?

Ik noem dit betoog een non-essay, en wat bedoeld was als impulsieve grap, na het wedervaren van Bas’ essay, blijkt ook effectief een non-essay te zijn. Geen hoity-toity academische prietpraat, maar een benadering vanuit de onderbuik. Als mij een biefstuk met friet wordt voorgeschoteld, zal ik niet eerst een halfuurtje orakelen over het wel en wee van wijlen die dikbil op mijn bord, noch een ode afsteken aan de Vlaamse patat, maar mijn maal naar binnen werken voor het koud wordt. Ik laat het mij smaken, of niet smaken.

Het is een vloek te beweren dat de dichter geen meester is van zijn gedichten en dat houden van poëzie vooral een kwestie is van smaak. Het doodt alle discussie. Het maakt dan niks meer uit wie Dichter des Vaderlands is, en laten we al die literaire prijzen maar omdopen tot de A-B-C-Prijs, of de E-F-G-Prijs, waarbij de letters van het alfabet staan voor de drie juryleden die toevallig werden aangezocht om de prijs toe te kennen. Laten we dan in één ruk door ook maar vraagtekens plaatsen bij de subsidiepolitiek van de Fondsen voor de Letteren. Waarom krijgt de ene dichter, laten we hem Sacha Blé noemen – er is toch geen hond die weet of het hier om een echte of gefingeerde dichter gaat – na een stimuleringsbeurs ook een werkbeurs van 8.800 euro terwijl andere dichters, met een bio- en bibliografie waarmee je een olifant kan vellen, met lege handen achterblijven? Kan dit niet wat objectiever? Bijvoorbeeld, we verzamelen alle dichters op een plein onder een toren, de beide Ministers van Cultuur beklimmen de toren met elk op hun rug een enorme zak. In die zakken zit het poëziebudget voor Nederland en Vlaanderen, in bankbiljetten. De excellenties schudden de zakken uit boven de hoofden van het dichtersvolkje. Elkeen mag houden wat hij of zij vangt of opraapt. Deze regeling geldt niet voor Leonard Nolens, die zich mag beroepen op verworven rechten. Hij krijgt zijn tien schijven, voor een totaal bedrag van 22.000 euro - dit is enkel het deel van het Vlaams Fonds, ik weet niet hoeveel er daar nog bij komt uit Nederland - sowieso. We gaan die mens op zijn leeftijd toch niet meer naar de arbeidsmarkt sturen?

(wordt vervolgd)


09:15 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

Commentaren

vragen Dag Philip,

Als je dan toch zo graag nog eens de naam van Sacha Blé laat vallen, kan je dan ook eens namen noemen van mensen die een aanvraag tot subsidiëring ingediend hebben en die er volgens jou onterecht geen gekregen hebben? Leonard Nolens krijgt trouwens niets extra van Nederland: die 10 schijven worden gedeeltelijk uit Vlaamse pot, gedeeltelijk uit Nederlandse pot betaald. De juiste verdeling weet ik niet.

Groeten en benieuwd naar je reactie,

Xavier

Gepost door: xavier roelens | 28-06-05

antwoorden Telkens ik die man zijn naam noem, verkoopt hij twee bundels. Alle gekheid op een stokje, zoek daar toch niks achter. Blé is voor mij een icoon, in dit geval het icoon van de gesubsidieerde dichter die niemand kent en niemand leest, net zoals ik vroeger ook Joep Kuiper, Dirk van Bastelaere en Hugo Claus als icoon heb opgevoerd. Men verwijt mij dat ik hen als pispaal gebruik, en vergeet dan gemakkelijkheidshalve dat ik hier op deze weblog al veel vaker mijn bewondering voor dichters of schrijvers heb tentoongespreid (Wigman, Kopland, Rawie, Wittenbols, Geeraerts, Brusselmans, M. 't Hart enz.)

Tweede vraag: ik weet niet wie er geen subsidie heeft gekregen. Ik vang hier en daar wel eens iets op, weet ook dat er schrijvers zijn die de moeite niet meer doen. Weet je wat, vraag jij bij het VFL een lijst op van de afgewezen aanvragers, ik zal die dan openbaar maken op deze drukbezochte weblog, met goedkeuring van de betrokkenen of course. Zelf kan ik mij de inspanning wel besparen, sinds ik geen kans voorbij laat gaan om de subsidiepolitiek van het Fonds aan te vallen en belachelijk te maken.

In mijn tweede bundel staat een citaat van Leonard Nolens, dat zegt toch voldoende over mijn appreciatie voor de man, of niet? Van die 22.000 euro vloeit er ook nog een deel terug naar de staat onder de vorm van belastingen. Kijk, ik heb er niks op tegen dat de overheid voor zijn kunstenaars zorgt, hoewel dit in bepaalde kringen als tamelijk onhip wordt bestempeld, maar laten we dan objectieve criteria invoeren in plaats van dat geld uit te geven op basis van obscure leesadviezen.

Gepost door: Philip | 28-06-05

vraag Ik vraag me af welke objectieve criteria u dan precies in gedachte heeft, meneer Hoorne.

Gepost door: Dario | 29-06-05

De commentaren zijn gesloten.