30-06-05

HET HOORNE-NON-ESSAY (deel 3)

                        episch
                            *
D                          *
                            *         
C                          *
                            *
helder ********************* complex
                            *
B                          *              
                            *
A                          *
                            *wigman
                        lyrisch
           1    2    3    4    5    6    7
                                  

Even een stand van zaken opmaken. Waar sta ik met dit non-essay? Nergens, daarom heet het ook non-essay, tiens. Evenveel lezers, evenveel smaken. Probeer dit als culinaire journalist maar eens in de krant te krijgen. Beste fijnproevers, dit restaurant heeft een menukaart met ongeveer 50 gerechten. Als u er elk weekend gaat eten, dan weet u na één jaar beter wat dit etablissement voor u betekent dan ik ooit met woorden kan uitleggen. Ga heen en eet. Hoe waar dit ook is, de hoofdredacteur zal niet tevreden zijn. En terecht, want het is precies de taak van de kenner om mensen wegwijs te maken in die wirwar van eetgelegenheden. Het is zijn verdomde plicht om de côte à l’os spannend, de saladedressing gevaarlijk en de wijn uitdagend te noemen. Maar je hebt als lezer eigenlijk niks aan dat soort wollige praatjes. Een recensie of bespreking is in feite niks anders dan de zoemer die de hond van Pavlov doet kwijlen.

 

Zo is het ook met poëzie. Als we even aanvaarden dat de poëzie – laat ons voor het gemak dit begrip verengen tot de in boekvorm gepubliceerde poëzie – in al zijn diversiteit voor 90% kwalitatief evenwaardig is, dan komt het er als lezer op aan om in deze chaos enige orde te scheppen. En als dichter moet je zorgen dat precies jouw boekje opvalt. Over dit laatste zal ik het later hebben, of niet hebben, want ik eigen mij het recht toe om op elk moment met deze onzin te kappen.

 

Om orde te scheppen in de chaos heb ik het Rooster van Hoorne ontwikkeld. Dit rooster is niets anders dan een raster dat doormidden gesneden wordt door twee lijnen die elkaar loodrecht in het midden kruisen en het aldus opdelen in vier gelijke kwadranten (zie afbeelding). Aan het uiteinde van die rechten plaatsen we begrippen die tot het domein van de poëzie behoren. Op de horizontale as plaats ik helder tegenover complex, op de verticale episch tegenover lyrisch. Deze begrippen zijn voor discussie vatbaar, want ik kan me voorstellen dat de begrippen helder en complex aanleiding geven tot kritiek omwille van hun subjectiviteit. Natuurlijk heb ik het over gemakkelijke en moeilijke poëzie, maar ik voel aan mijn water dat dit al even onbehouwen klinkt. Geen enkele dichter geeft graag toe moeilijke poëzie te schrijven, want eerder dan de eigen verzen moeilijk te noemen zal men de lezer stigmatiseren als een literaire Neanderthaler.

 

Wat ontbreekt op de, omwille van de technische beperkingen van dit weblog, ietwat primitieve afbeelding hierboven, zijn de lijnen die het raster in vakjes verdelen. Op de x-as heb ik cijfers geplaatst van 1 tot 7, op de y-as letters van A tot D. Deze ijking is tamelijk willekeurig, het belangrijkste is dat we vakjes krijgen. Vervolgens kunnen we dichters en gedichten op het raster invullen. Wie zijn die 'we'? Alweer subjectief. Maar laat ik het even doen voor de dichter Menno Wigman. Wigman schrijft poëzie die begrijpelijk is maar ook weer niet prozaïsch begrijpelijk. Ik plaats hem op de helder-complex-as precies in het midden. Wigmans gedichten bekken uitermate goed. Hij heeft veel oog voor klank, ritme, metrum en muzikaliteit. Op de as episch-lyrisch bevindt hij zich heel sterk naar de lyriekzijde. Wigman is dus een A4-dichter, hoe lullig dit ook klinkt, omdat A4 ook nog iets anders betekent. Maar in dit geval staat A voor heel lyrisch en 4 betekent niet helder, niet complex, maar net in het midden. Net goed, maar dat is persoonlijke smaak.

 

Voor u mij op hoongelach onthaalt, wil ik graag zelf toegeven dat dit een nogal rudimentaire poging is om de poëzie in een grafische vorm te gieten. Niet alleen valt er iets te zeggen tegen de begrippen helder en complex, ook over de episch-lyrisch-as moet er nog even nagedacht worden, want episch en lyrisch zijn niet elkanders uitersten. Een gedicht kan perfect episch en lyrisch zijn tezelfdertijd. Anderen zullen nog verder gaan en opwerpen of een tekst die vooral episch is wel een gedicht kan genoemd worden.

 

Dit is een pretentieloze vingeroefening. Andere grafische vormen dan het raster zijn mogelijk en tips van bezoekers welkom. Ik vraag me trouwens af of er literatuur bestaat waarin de poëzie op een dergelijke manier benaderd wordt. Laat het mij weten, want ik hou veel van grafieken. En van poëzie.


14:49 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

28-06-05

HET HOORNE-NON-ESSAY (deel 2)

- vervolg van Het Hoorne-non-essay (deel 1) -

Het gedicht dat ik als voorbeeld aanhaal, mijn Spiegelbeeld, is geen wereldgedicht. Dat besef ik zelf ook wel. Bundelwaardig, dat zeker, maar geen klassieker. Voor de petite histoire mag u gerust weten dat het de eerste en enige keer is geweest dat ik een gedicht selecteerde deels omwille van extraliteraire redenen. In dezelfde cyclus van Niets met jou staat Dochter en ik wilde ook een zoongedicht opnemen, kwestie van mijn kinderen, die toen 14 (dochter) en 11 jaar (zoon) oud waren, allebei een gedicht te gunnen, hoewel niemand daar om gevraagd had, mijn nageslacht nog het minst van al. Melig, niet? U mag Spiegelbeeld gerust een middle of the road-gedicht noemen, ik zal mij niet beledigd voelen. Mijn zoon ook niet.

90% van de Nederlandse poëzie bestaat uit dat soort van doorsnee gedichten. Een typisch kenmerk van doorsnee poëzie zou kunnen zijn dat het volstrekt begrijpelijk is dat sommigen er van houden en anderen niet. Deze poëzie onderscheidt zich van de handvol canonieke gedichten, zoals bijvoorbeeld het fantastische Sterfbed van Jean-Pierre Rawie of Vertrek van dochters van Rutger Kopland, om nu maar die twee te noemen. Dergelijke meesterwerkjes schrijf je als dichter maar enkele keren in je hele leven.

Het is een publiek geheim dat ik houd van het werk van Rutger Kopland. Eigenlijk bedoel ik daarmee dat ik amper de helft van zijn werk als overbodig beschouw, terwijl dat bij een pak andere dichters al snel oploopt tot 75% of meer. Dat zogenaamde overbodig werk bestaat uit gedichten die mij niet langer bijblijven dan de tijd nodig om ze te lezen, maar is desalniettemin toch redelijk zinvol, want het geeft de andere gedichten, de pareltjes, extra glans. Mocht het verzameld werk van Rutger Kopland alleen maar uit dichterlijke hoogstandjes bestaan, dan zou ik het toch weer kwalitatief gaan opdelen en me afvragen waarom hij maar af en toe wondermooie gedichten schrijft en niet altíjd wondermooie. Die gewoon maar mooie zouden naar mijn smaak ook weer heel erg doorsnee lijken vergeleken met de sublieme. Als ik deze redenering even afmaak, ben ik misschien wel te hard voor Kopland door de helft van zijn oeuvre als middelmatig te beschouwen, omdat ik niet eens meer besef dat een middelmatige Kopland nog altijd stukken beter is dan het beste vers van ene dichter Huppeldepup. Wie ooit de 100 meter vlak liep in 10 seconden rond, wordt op afkeurend gemompel getrakteerd als hij een tijd van 11 seconden klokt. Wie een besttijd heeft van 12 seconden, krijgt applaus op alle banken als hij daar op een zekere dag een seconde van af knijpt. Beide prestaties zijn objectief gelijkwaardig. De perceptie en het verwachtingspatroon maken dat de ene atleet wordt bejubeld en de andere uitgejouwd. Jarenlang heb ik Al die mooie beloften, Dit uitzicht en Voor het verdwijnt en daarna, drie Kopland-bundels die dateren van toch al bijna een kwarteeuw geleden, met mij meegezeuld. Ik heb die boekjes gemythologiseerd. Gevolg: voor mij kan Kopland zichzelf nog nauwelijks overtreffen. Wat Rawie betreft: zelfde verhaal. Als ik moet kiezen voor een flinterdun boekje met zijn tien mooiste gedichten – een bloemlezinkje dat ik zelf mag samenstellen – of al het overige, dan kies ik voor die tien. Rawie hoeft van mij niet meer te dichten, hij mag van mij gerust zijn verdere leven lang teren op zijn topprestaties.

Dit is geen pleidooi voor het obscure begrip middelmatigheid, eerder een aanvaarding ervan. Een dichter is al een hele pief als hij het Sterfbed-niveau per gepubliceerde dichtbundel enkele keren benadert. Talloos zijn zij die een of meerdere bijna-klassiekers hebben geschreven. Dat het niet altijd lukt, heeft niet alleen te maken met het métier van de dichter, maar ook en vooral met het gedicht zelf. Een gedicht laat zich niet dwingen. Op een gegeven moment staat een doorwrochte, prima verzameling van woorden op het papier, en komt het moment dat de dichter voelt dat er nog maar weinig gesleuteld kan worden zonder aan de essentie te raken, zonder het gedicht helemaal te slopen en opnieuw te beginnen vanaf nul. De dichter verliest zijn greep op het gedicht. Het is af, maar af houdt hier niet noodzakelijk een kwaliteitsoordeel in. Vervolgens moet de dichter kiezen tussen het gedicht accepteren zoals het er staat (een heel goed gedicht, doch geen topper) of het verwerpen (als hij zich alleen maar tevreden stelt met toppers). Kiest hij voor de tweede mogelijkheid, dan is de kans reëel dat hij nooit met enig werk naar een uitgever durft te stappen, terwijl ondertussen zijn collega’s de ene na de andere mediocre bundel op de mensheid loslaten. Hier kom ik in de buurt van een uiterst gevoelige materie, nl. het verdriet en de frustratie van de would-be debutant, die mooie verzen schrijft, maar toch door alle uitgeverijen wordt afgewezen. Uitgeverijen verwachten van een nieuweling dat hij meteen, uit de losse pols, een boekje vult met alleen maar meesterlijk materiaal, dat hij in zich de genen draagt van het kruim der Nederlandstalige poëzie, maak daar de wereldpoëzie van. Dit kan natuurlijk niet, het is onredelijk zoiets te verwachten. Maar het verschaft uitgevers wel de kans om nogal willekeurig te kiezen welke kikker ze uit de poel van de middelmatigheid opdiepen, of niet opdiepen indien poëzie voor het bedrijf geen prioriteit is. De vraag dringt zich bij mij op of een uitgeverij wel gebaat is met een dichter die er meteen staat, zoals dat dan heet. Zo iemand kan zichzelf vanaf bundel twee nog amper overtreffen. Is het niet leuker te investeren in een poëet met groeipotentieel?

Ik noem dit betoog een non-essay, en wat bedoeld was als impulsieve grap, na het wedervaren van Bas’ essay, blijkt ook effectief een non-essay te zijn. Geen hoity-toity academische prietpraat, maar een benadering vanuit de onderbuik. Als mij een biefstuk met friet wordt voorgeschoteld, zal ik niet eerst een halfuurtje orakelen over het wel en wee van wijlen die dikbil op mijn bord, noch een ode afsteken aan de Vlaamse patat, maar mijn maal naar binnen werken voor het koud wordt. Ik laat het mij smaken, of niet smaken.

Het is een vloek te beweren dat de dichter geen meester is van zijn gedichten en dat houden van poëzie vooral een kwestie is van smaak. Het doodt alle discussie. Het maakt dan niks meer uit wie Dichter des Vaderlands is, en laten we al die literaire prijzen maar omdopen tot de A-B-C-Prijs, of de E-F-G-Prijs, waarbij de letters van het alfabet staan voor de drie juryleden die toevallig werden aangezocht om de prijs toe te kennen. Laten we dan in één ruk door ook maar vraagtekens plaatsen bij de subsidiepolitiek van de Fondsen voor de Letteren. Waarom krijgt de ene dichter, laten we hem Sacha Blé noemen – er is toch geen hond die weet of het hier om een echte of gefingeerde dichter gaat – na een stimuleringsbeurs ook een werkbeurs van 8.800 euro terwijl andere dichters, met een bio- en bibliografie waarmee je een olifant kan vellen, met lege handen achterblijven? Kan dit niet wat objectiever? Bijvoorbeeld, we verzamelen alle dichters op een plein onder een toren, de beide Ministers van Cultuur beklimmen de toren met elk op hun rug een enorme zak. In die zakken zit het poëziebudget voor Nederland en Vlaanderen, in bankbiljetten. De excellenties schudden de zakken uit boven de hoofden van het dichtersvolkje. Elkeen mag houden wat hij of zij vangt of opraapt. Deze regeling geldt niet voor Leonard Nolens, die zich mag beroepen op verworven rechten. Hij krijgt zijn tien schijven, voor een totaal bedrag van 22.000 euro - dit is enkel het deel van het Vlaams Fonds, ik weet niet hoeveel er daar nog bij komt uit Nederland - sowieso. We gaan die mens op zijn leeftijd toch niet meer naar de arbeidsmarkt sturen?

(wordt vervolgd)


09:15 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

24-06-05

HET HOORNE-NON-ESSAY (deel 1)

Bas Belleman gooit de handdoek, lees ik ergens. Hij startte een discussie over poëzie, maar heeft zijn doel, wat dat ook moge zijn, niet bereikt. Belleman stond wekenlang in the picture, op zich is dat al heel wat qua verwezenlijking. Hoe bekender een dichter wordt, hoe meer zijn stem gaat doorwegen, hoe belangrijker zijn visie wordt op datgene waar hij en zijn collega's mee bezig zijn, hoe meer die collega's hem respecteren, al dan niet gemeend of ingegeven door eigenbelang. Belleman past bij zijn capitulatie, bewust of onbewust, de zielige-man-truc toe: zeggen dat je het onderspit delft en tezelfdertijd weten dat je toch gewonnen hebt, al is het dan andere winst dan de vooropgestelde. Aan de start komen van een wielerwedstrijd waar je al het hele jaar naar toeleeft om jezelf even later op een voetbalveld de bal tegen het net te zien prikken – je begrijpt er niks van – maar goed, het is beter dan én de koers niet winnen én die bal hoog over het doel jagen. Je slooft je in de dancing de hele nacht uit voor die adorabele redhead maar ontwaakt 's morgens naast een nepblondine zonder borsten.

Ik las het essay van mijn stalgenoot Bas en de reacties erop amper twee weken geleden, toen de discussie al wat op apegapen lag, in de trein tussen Utrecht en Zwolle. Prima essay, wis en zeker, maar toen ik voet op Groninger grond zette, was ik alweer vergeten wat er precies in stond. Dat ligt geheel aan mij, voor me in de trein zat een adorabele nepblondine die mij afleidde bij het geconcentreerd lezen. Maar toch, al dat gediscussieer, ik vind het boeiend én vermoeiend, voel me hoe langer hoe minder geroepen om te participeren. Als ik op een literair internetforum eens een reactietje plaats, dan is dat meestal grappig-ironisch bedoeld (of als belediging aan het adres van mijn vriend Olaf). Ik word dan ook altijd straal genegeerd – want is ironie immers niet het stijlmiddel van zij die niks te vertellen hebben? – door degenen die het voeren van zinloze en tot niets leidende disputen wel een ernstige zaak vinden. Nu hou ik toevallig wel van een potje zinloos gezeik, als die zinloosheid maar enigszins zinvol is. Kunt u nog volgen?

In mijn eerste bundel Niets met jou staat het gedicht Spiegelbeeld. Recensent A, een doorwinterde poëziekenner, vond het klote; recensent B, een al even doorwinterde poëziekenner, vond het super. Twee verzenvreters die in dezelfde wereld leven, in hetzelfde taalgebied, hetzelfde land, dezelfde streek, die in grote lijnen hetzelfde onderwijs hebben genoten, dezelfde boeken en kranten lezen, en toch zo’n uiteenlopende mening over een handvol in een bepaalde volgorde gerangschikte woorden. Hoe komt dat?

(wordt vervolgd)


09:22 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

19-06-05

GEDICHT

 

IK MAN, WEIMAN

 

Met zijn drieën: eentje roteert boven mij als een te zwaar

opgetilde baby, een tweede perst haar rug in het smetteloze wit,

de derde kromt zich als een gewillig dier op handen en knieën.

 

Vastgeklonken aan de mast van het piratenschip, snokkende

lenden, ranke hals, lange lichte lustopwekkende lokken.

Deze jongen kon niet slapen en uur na uur nog veel minder.

 

Kleuren bestonden niet, behalve zwart en wit en vele

tinten grijs, die later als niet-kleur werden ontmaskerd

en verbannen naar het archief van de man met de stofjas.

 

Behoed mij voor een overkill aan lillend vlees en octopussen,

er moet een hesje op de huid. Bij de laatste noot staarde ze

hulpeloos naar boven: haar beide schouders waren helemaal bloot.

 

Philip Hoorne

2005


11:54 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

13-06-05

TE BIECHT BIJ DE DICHTER

Het afgelopen weekend was ik in Groningen te gast voor het evenement Te biecht bij de dichter. Leuk, reuze meegevallen, maar helaas heb ik geen tijd voor een uitgebreid verslag. De andere meewerkende dichters waren Guido van der Wolk, misschien – en ik zeg misschien omdat ik op deze zonnige maandag geen mensen, laat staan dichters, voor het hoofd wil stoten – de auteur van de beste Windroos so far, Ruben van Gogh, jolly nice chap par excellence – ik kijk uit naar die nieuwe bundel van hem – én organisator tevens stadsdichter Ronald Ohlsen, een aardige, grappige kerel, die mij uitnodigde omdat hij van mijn werk houdt – kijk, dat vind ik nu eens een steekhoudend argument.

Maar geen tijd voor een verslag, dat zei ik toch. In elk geval lopen een aantal Groningers die te biecht kwamen bij de dichters er voortaan een stuk blijmoediger bij. Dat zij die deze gelegenheid onbenut aan zich voorbij lieten gaan nu gebukt lopen onder hun zondenlast, tja, eigenlijk is dat hun welverdiende loon. Weg kans, tenzij Ronald zijn plannen voor een mobiele biechtstoel ooit tot uitvoering brengt.

Ik heb het druk, te druk om u hier uitgebreid te vermaken. Ik moet een voorwoord schrijven voor een jubileumuitgave, een promotietekstje maken ter bevordering van mijn derde dichtbundel, een wielerverhaal schrijven dat geestig is en swingt als een volle bedpan in de pollen van een Parkinson-patiënt. Mijn hoofd loopt om. Ik moet aan de slag, ik moet echt aan de slag.


15:34 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

08-06-05

GEDICHT

 

TV ZEE

 

Grijpen. Niet grijpen.

Vangen. Opvangen.

Van mijn handen kommetjes maken.

 

Er viel niets.

Natuurlijk viel er niets.

Er viel niks te vallen

want het scherm is ondoorlatend

waarna de zieners zonder zeggingschap

van de 80’er jaren voorbijgleden zonder zich te herhalen.

En nog eens, en nog eens, maar dat waren zij niet meer.

 

In deze eeuw van tapen en registreren,

van spelen en spoelen is het veel beter – natuurlijk!

alles wordt altijd veel beter dan wat is geweest –

maar is beter echt wel beter

 

voor de nieuwe god die van op een duintop 

eb en vloed regelt met zijn zapper:

eb ebber eb

vloed vloeder vloed

zee rolt aan

zee rolt af

 

eb ebber eb

vloed vloeder vloed

zee likt het land

zee likt zichzelf

 

eb ebber eb

vloed vloeder vloed

zee likt een meeuw

zee likt een eeuw

maar het hoge zand blijft droog.

 

Ik greep, en niet begrepen

overvloeide de ongrijpbare zee

geen voeten, geen benen.

 

Philip Hoorne

2005


22:43 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

04-06-05

GEDICHT

 

COÏTAAL WILDE LAKENS

 

vrij naar ‘totaal witte kamer’ van Gerrit Kouwenaar

 

Laten wij nog eenmaal de lakens wild maken

nog eenmaal de coïtaal wilde lakens, jij, ik

 

ik zal geen sperma sparen, nog eenmaal

de lakens wild maken, nu, nooit meer later

 

en dat wij dan bijna het volmaakte plaatje na-apen

dat daar gedrukt staat, wilder dan wendbaar

 

dus nog eenmaal die lakens, de voor altijd coïtale

zoals wij er lagen, liggen, niet liggen konden blijven

wilder dan, samen ;-)

 

Philip Hoorne

2005


14:48 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

01-06-05

GEDICHT

 

IMMER WIEDER ZOMBIE

 

Je zal het licht maar hebben uitgevonden, zien wat er

niet valt te zien als de zon onder en alles donker wordt.

Iedereen vol lof terwijl – eigenlijk – licht niets

anders dan zichtbare duisternis is.

 

Niets dan een sta in de weg voor de onzekere tast, de ogen-

loze streling van de vormen, de nooit aflatende zoektocht

naar het ronde, de behoedzaamheid voor de vloekende

hoeken waar geen tederheid ligt.

 

Niemand die nog zweert bij de culturen van het beeld.

Strompelen blijft de norm, struikelen raakt in zwang.

Iedereen is mooi en geen mens verdwijnt, dood en leven

aan elkaar gelijk. Immer wieder zombie.

 

Philip Hoorne

2005


23:16 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |