19-07-05

MAAKT KENNIS GELUKKIG? (2)

Het was de Witten die als eerste het woord vroeg, en zonder het expliciet te krijgen, in een sappig koeterwaals en met een alsmaar roder wordende kop, tegen de stelling van leer trok. De Witten en ik durfden wel eens van mening te verschillen, maar niet dit keer. Hij was een burgermannetje, zowel in kleding – hij droeg bijna altijd een marineblauwe Lacoste-sweater, met de knoopjes (koperkleurig, met de beeltenis van een anker) op de schouder – als in gedachten – een kleine, conservatieve, kapitalistische kloothommel – maar hij beheerste als geen ander de gave om de lessen lam te leggen. Eenmaal op toerental verdedigde hij zijn denkbeelden met een oprechte, maar naar mijn smaak toch lichtjes overgeacteerde bezieling.

De Witten fulmineerde ongemeen heftig dat kennis absoluut niet gelukkig maakt. Hij illustreerde dat met een paar overdreven en bijgevolg te zwakke argumenten opdat ik ze mij vandaag nog zou kunnen herinneren. De Witten wist hoe hij een motor aan de praat kon krijgen, maar niet hoe hij moest motorrijden. Gelukkig namen anderen het gretig van hem over, er evenwel zorg voor dragend dat het geen kakofonie werd, want in dat geval zou Lambert resoluut terugkeren naar zijn passé composé en futur simple. De rustige, ingetogen jongen die ik was aanschouwde het slagveld en liet de storm aanvankelijk wat overwaaien. Ik hield mijn argumenten altijd een tijdje op zak en kwam er mee voor de dag als het gebakkelei wat in het slop dreigde te geraken, een strategie die in de loop der jaren haar deugdelijkheid ruimschoots had bewezen. Op het moment dat Lambert zich ei zo na opnieuw over zijn handboek boog en naar een krijtje greep, stak ik mijn vinger op. Glunderende gezichten op alle banken. Ha! Phil, de personificatie van het pseudo-gezond verstand, gaat er nog een snok aan geven. Oui, monsieur Hoorne, zei Lambert. Met vaste stem en zonder eenmaal met de ogen te knipperen, verkondigde ik in het Nederlands – het mocht, Lambert zag zichzelf blijkbaar nog steeds als de winnaar op punten – dat een mens die leeft als een verdorde plant, bijvoorbeeld na een ongeval of trauma, en de godganse tijd gekluisterd is aan een rolstoel, van waaruit hij onafgebroken, zonder te beseffen wat hij ziet, kan turen naar kwinkelerende vogeltjes en fladderende vlindertjes, en met op zijn kop een gek petje – met publicitaire opschriften – tegen het profijtig doch hartverwarmend zonnetje dat genadeloos in het gelaat schijnt, waarschijnlijk veel gelukkiger is dan de strafste bolleboos. Het was een hard en cynisch, o zo typisch – toen al – Hoorne-voorbeeld.

Lamberts mond zakte open. Daar had de franskiljonse wijsneus niet van terug. Touché. Ik keek triomfantelijk het klaslokaal rond. Links en rechts enig flauw instemmend gegrom, maar niet het verwachte huldebetoon. Waar bleef mijn lauwerkrans? Spargo knabbelde op zijn pen, Schaap staarde naar het plafond, uit de mond van Magere Gino bungelde een eindje kauwgom, Billy speelde met een elastiekje, Joe Penis frutselde aan zijn jeans en de Witten bladerde met nerveuze vingers in zijn werkschrift, alsof hij daar het onweerlegbare antwoord zou vinden op de schijnbaar intrigerende maar in wezen belachelijke vraag waarmee we nu toch al een half lesuurtje zoet waren. Zijn hoofd zag er inmiddels uit als een overrijpe tomaat met de brandende ambitie om heel binnenkort in een kwak tomatenketchup te transformeren.

(wordt vervolgd)


17:18 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

De commentaren zijn gesloten.