27-07-05

VAN SMALL TALK TOT BALLOTAGE

 

VAN SMALL TALK TOT BALLOTAGE

De invloed van popmuziek op poëzie. Een voorbeeld.
 

In de door Gerrit Komrij samengestelde bloemlezing Komrij's Nederlandse poëzie van de 19de tot en met de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten die begin 2004 werd uitgegeven, staan drie gedichten uit mijn debuutbundel Niets met jou. Eén van die gedichten is Ballotage.
 
Het zijn niet de kleurrijk verpakte dromen
die hij je schenkt met je verjaardag,
niet het bloemenabonnement
de half toegestoken hand,
een slap om je middel geslagen arm
of zakken vol poen,

 
maar heel eenvoudige woorden
nauwelijks verstaanbaar gefluister,
een half gemiste zoen
kleine bekentenissen in het duister,
zachtjes likken aan je ene tepel
zoeken naar de andere.

 
Dit amper durven.
 
Dit gedicht werd door de redactie van het literaire e-zine Meander verkozen tot gedicht van de maand juli 2002. In haar analyse schrijft redactrice Milla Van der Have: ‘Ballotage is een helder gedicht, dat zich eenvoudigweg laat samenvatten als 'Het zijn de kleine, onverwachte dingen die het 'm doen'. Ook in de liefde (…) Het zijn niet de 'kleurrijk verpakte dromen', niet de bloemen en al helemaal niet de 'zakken vol poen'. Nee, het zijn juist de intieme momenten, waarin die ander zich laat kennen als iemand met veel minder bravoure. Niet iemand van lange, romantische volzinnen, maar iemand van 'eenvoudige woorden', die dan ook nog eens amper verstaanbaar zijn. Ook op lichamelijk gebied hebben we te maken met een schuchter persoon: 'zachtjes likken aan je ene tepel / zoeken naar de andere// Dit amper durven' (…) Het is dit amper durven dat uiteindelijk de ballotage doet doorslaan.’
 
Een fraaie en voor de hand liggende ontleding van een inderdaad heel eenvoudig en helder gedicht: de opsomming van enkele nietes en enkele welles gevolgd door een magnifiek slotvers, al zeg ik het zelf. Ik herinner me dat ik dit gedicht met één pennentrek op papier zette, en niettegenstaande de onbetwiste poëtische kracht twijfelde ik toch even. Woorden van extreem grote eenvoud die zich in een mum van tijd tot een gedicht groeperen, kan dat wel hoogstaande poëzie zijn? In zijn essay Over het maken van een gedicht, uit de schitterende bundel Al die mooie beloften, vertelt Rutger Kopland over de totstandkoming van het gedicht Geen gezicht, geen handen, geen haar, en altijd. Twee maanden doet hij er over. Ik mag graag aannemen dat Kopland tezelfdertijd aan meerdere gedichten werkt, anders ligt zijn productie wel bijzonder laag. Trouwens, het gebeurde tijdens die eerste maanden als publicerend dichter wel vaker dat een klein meesterwerk zomaar uit mijn vinger vloeide, maar de eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat die gave afneemt naarmate mijn oeuvre omvangrijker wordt. Elk gedicht dat je hebt geschreven, kan je niet meer schrijven, en steeds maar mezelf herhalen, daar pas ik voor.
 
Waar komt een gedicht vandaan? Dichters weten het meestal wel, soms ook niet. Inspiratie, om dat vreselijke woord maar eens te gebruiken, vliegt je van alle kanten tegemoet. Wat maakt dat je die woorden neerschrijft en geen andere? Interessante vraag. Ik had mijn gedicht Dochter allicht niet geschreven indien ik er zelf geen had; Roots, uit mijn tweede bundel Inbreng nihil, is ontstaan op een trein die van Den Haag naar Kortrijk snelde terwijl ik, grasduinend in een bundel van Hugo Claus, de aandrang voelde om aan het witte blad toe te vertrouwen dat ik me geen typisch Vlaamse boompje-blaadje-akker-dichter voel, waarmee ik niet zeg dat Claus dat wel is. Ik bedoel gewoon maar: Roots ontstond door het samengaan van bepaalde elementen op dat welbepaalde moment. Een treinrit naar Parijs in het gezelschap van een bundel van een andere dichter had misschien ook wel tot een gedicht geleid, maar dan alleszins een ander dan Roots
 
Lezers en critici zijn vaak benieuwd naar de ontstaansgeschiedenis van een gedicht. Er zijn dichters die daar niet moeilijk over doen en bij hun werk allerlei randinformatie verstrekken. Ingmar Heytze sluit zijn bundel Het ging over rozen af met een verantwoording van twee volle pagina's waarin hij zijn lezers uitgebreid laat weten hoe bepaalde gedichten zijn ontstaan. Zelf ben ik van oordeel dat de dichter de mysterieuze aura die sowieso al omheen poëzie hangt niet hoeft te schenden, behalve als het een 'vertaling' van een andere kunstvorm betreft – bijvoorbeeld een gedicht bij een schilderij of beeldhouwwerk – of als het gaat om een parodie die niet ten volle kan gesmaakt worden als de lezer het geparodieerde origineel niet kent. Laat de dingen maar hun geheimzinnigheid. De kracht van de woorden die samen een gedicht uitmaken is het enige wat telt. Ik wil als dichter beoordeeld worden op mijn gedichten, nevenaspecten zijn minder relevant. Wat biografen en poëzieduiders na mijn dood zullen uitkramen laat me koud, al sluit ik niet uit dat dit nog kan veranderen eenmaal ik de man met de zeis in de smiezen krijg.
 
Principes zijn er om met een zekere regelmaat tegen te zondigen. Daarom neem ik u even mee terug in de tijd, naar de verloskamer waar het bejubelde Ballotage het levenslicht zag, een gedicht dat ik nooit had geschreven indien ik Small talk nooit had gehoord.
 
In 1991 bracht de Zweedse popgroep Roxette de cd Joyride uit. Het titelnummer was een gigantische hit. Op dit album staan nog tal van andere pareltjes: de ballads Fading like a flower en Spending my time, het up-tempo The big L, het catchy Church of the heart en niet in het minst Small talk, een lied over het dagdagelijkse gekeuvel tussen man en vrouw als de ideale barometer voor de liefde.
 
It's not the chapters he reads when you're feeling low down
It's not the touch of his skin when you kiss him goodnight
It's not the money he spends when you want to buy a daydream
And not that miracle smile that makes the sky bright

 
It's not the way his hands behave
When you've turned out the light

 
It's the small, small small talk that makes it all happen
Small, small small talk that makes you want to fly, yes it does

 
It's not the way he believes in you like a religion
It's not the thrill that you get when he's holding you tight

 
It's not the way his eyes persuade
You to stay the night

 
It's the small, small small talk that makes it all happen (just like that)
Small, small small talk that makes you feel like flying, yes it does

 
Information, heart and soul, a whisper, a word
Confessions that have to be heard
Small small talk

 
Come on now, come on now
Come on - you make it rock so heavenly
Come on now, come on now
Come on - you seem to talk so heavenly

 
Big words...
Small talk...

 
It's not the way his eyes persuade
You to stay the night

 
It's the small, small small talk that makes it all happen
Small, small small talk that makes you feel like flying, yes it does.

 
Liedjesteksten zijn zelden wereldpoëzie. Het gaat mij ook altijd in de eerste plaats om die rilling over mijn rug die veroorzaakt wordt door de muzieknoten, de tekst vind ik eerder van ondergeschikt belang. Small talk had nooit de onbewuste inspirator voor Ballotage kunnen zijn, indien ik niet sterk onder de indruk was geweest van de schoonheid van dit popdeuntje. Het is ook maar na herhaaldelijk beluisteren dat diep in mij een gedicht begon te kiemen. Muziek die mij niet aanspreekt kan nooit de voedingsbodem zijn voor poëzie, omdat ik die ofwel meteen uitzet, ofwel over mij heen laat waaien.
 
De gelijkenissen tussen mijn gedicht en het nummer van Roxette zijn treffend, maar dat zijn ook de verschillen. Marie Frederiksson stelt in Small talk duidelijk wat ze wel en niet van een man verwacht. Voorlezen uit een boek als ze zich wat neerslachtig voelt hoeft niet echt, een stralende glimlach of allerlei gedoe voor het slapengaan al evenmin. Ze raakt niet onder de indruk als een man haar stevig tegen zich aan drukt, of haar met zijn ogen bezweert om samen de nacht door te brengen. Een Zweedse ijsklomp, die Marie! Hij hoeft zelfs niet in haar te geloven als in een religie, en geld of geschenkjes spelen al helemaal geen rol. Het enige wat telt voor haar zijn de dagdagelijkse babbeltjes.
 
Die negaties komen ook voor in de eerste strofe van Ballotage. Ik hekel de tactloze kinkel die zijn vrouw met haar verjaardag een duur maar zielloos cadeau schenkt, b.v. het befaamde bloemenabonnement – kan zijn liefste zelf op gezette tijden naar de bloemenwinkel hollen! – en daarmee tracht te verdoezelen dat hij haar de rest van het jaar onheus behandelt. De half toegestoken hand en de slappe arm verwijzen naar hoe dergelijke koppels zich en public gedragen. Niemand mag merken dat zij levenslang tot elkaar veroordeeld zijn en aan elkaar vastgeklonken middels hun trouwringen en de gemeenschappelijke bankrekening met wederzijdse volmacht. Diametraal daartegenover staat de zachte, tedere liefde die ik in de tweede strofe beschrijf. Het tweede en vierde vers van deze strofe tonen aan dat ik even leentjebuur heb gespeeld bij Roxette. Geef toe, had ik het u niet gezegd, u had het nooit geweten.
 
Is het zo eenvoudig, poëzie? Voor de criticasters die van plan zijn om straks ter kwader trouw rond te bazuinen dat Hoorne zijn dichies overpent uit songteksten, wil ik duidelijk stellen dat Ballotage het enige gedicht is waarvan ik me bewust ben dat het door een liedjestekst is beïnvloed, en door wélke liedjestekst. Trouwens, ik volg die hele muziekbusiness al lang niet meer van dichtbij. Dat ik een cd uit het jaar '91 tien jaar later voor het eerst helemaal beluisterde, is in dit opzicht veelbetekenend. De knop van de hifiketen staat bij mij hoe langer hoe meer op off, geen gewilliger muze dan de sound of silence. En mocht ik dan toch stiekem met mijn neus in stapels songteksten zitten, dan nog is het niet evident om daar poëtische meesterstukjes uit los te pulken. Als je als dichter op slinkse wijze wilt 'stelen' of de poëzie die diep in je eigen lijf huist omhoog wilt wrikken met externe hulpmiddelen, dan neem je best een verkwikkend bad in het werk van collega's, in plaats van bezig te zijn met holle songteksten die vaak niet meer zijn dan op een hoop gegooide clichés met veel oooh, aaah en lalala. Ook de woorden van Small talk zijn banaal. Desalniettemin gaat mijn dank uit naar Per Gessle, de frontman van Roxette die ze op papier zette, en zonder dat hij het ooit zal beseffen aan de grondslag ligt van een halve bladzijde in Komrij's Nederlandse poëzie van de 19de tot en met de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten.
 
Philip Hoorne
2004

10:56 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

20-07-05

VERZURING

Afgelopen weekend danste België voor het 175-jarig bestaan van ons land en 25 jaar federalisme op de tonen van het mooie Ik hou van u van Noordkaap, voor de gelegenheid ook in het Frans vertaald. Beide versies blijven in mijn hoofd rondspoken. In diverse steden werden pleinen bevolkt door hossende mensen van uiteenlopend pluimage, mensen 'die het een keer wilden meemaken' of het 'zeker niet wilden missen'. De danspasjes werden zeker op één plaats – ik zag het in het journaal – aangeleerd door een schabouwelijk Nederlandse pratende janet in een sneeuwwitte … euh… janettenbroek en dito sweater. Ik gruwde in stilte.

 

De overheid deelt aan wie dit wil feestcheques uit, of buurtcheques, of barbecuecheques, of hoe ze ook mogen heten. Voor mijn geestesoog ontrollen zich dan met wit papier bedekte tafels, die bestaan uit grote, doorhangende planken op schraagjes, en voor mijn zware lijf veel te lichte opklapbare vissersstoeltjes. Verder zie ik kartonnen eetborden en plastic couverts, lauw bier, aangebrande saucissen en verlepte sla. Nonkel Jules die zich een hele namiddag en avond lang moet beheersen om niet te tasten naar de bijna uit de bloes glippende borsten van tante Julia. Zoals in dat liedje van Boudewijn de Groot – reputatie definitief om zeep sinds zijn verschijning in Flikken – inderdaad, maar wel andermans vrouw. De filosofie: mensen moeten terug samenklitten op straat, schrijlings op stoelen gezeten tegen elkaar aanlullen tot ze omver vallen van de vaak. De tongen mogen losgemaakt worden met geestrijk vocht, doch met mate. Er mag gerookt worden, ja, nog even, tot het helemaal en overal verboden is. Tieners moeten weer verliefd worden op hun buurjongen of –meisje in de plaats van een lief te zoeken op het internet of in een rokerige dancing met dubieuze Slavische buitenwippers aan de voordeur. Ik gruw in stilte. Massagedoe, opgefokte lolbroekerij, schaterlachen op commando, wie deze weblog al langer dan vandaag bezoekt, weet dat ik er een hartgrondige hekel aan heb.

 

En toch, en toch, beste lezers, zijn dit verdienstelijke en broodnodige pogingen om de verzuring van de maatschappij, zoals dat dan zo mooi heet, een halt toe te roepen. Een verzuring, waar ik met mijn vaak ironische, cynische en sarcastische geschriften, aan meewerk, ik weet het. Maar ik pleit onschuldig. Ik ben ook maar een product van mijn ouders en voorouders en de samenleving waarin ik werd geboren en grootgebracht, en dit is de wereld waarin ik moet leven. Of zoals ik het stel in de slotstrofe van mijn gedicht Slotpleidooi uit de bundel Inbreng nihil:

 

Edelachtbare, er is geen goed, er is geen kwaad,

dat zou u toch moeten weten, het spijt me zeer.

Geef mij het voordeel van de twijfel,

ik ben een exponent van de erfelijkheidsleer.

 

Waarschijnlijk de beste strofe uit het beste gedicht van de hele bundel. Ik krijg altijd weer een krop in de keel als ik dit voorlees. Dat heeft natuurlijk te maken met de regels die voorafgaan. In dit gedicht geef ik me bloter dan bloot, niks afstandelijk cynisme, maar doorleefde poëzie. En natuurlijk lieg ik in dat gedicht, want er is goed, en er is nog veel meer kwaad.

 

Maar het gaat nu even niet over mezelf en mijn werk. Ik ben hard geschrokken van de aanslagen in Londen, vooral toen bleek dat ze het werk waren van zelfmoordterroristen. Vroeger schoten mensen op elkaar en wie de tegenstander het eerst uitschakelde, was de overwinnaar. Cowboy en indiaan. In dit geval echter zijn er geen winnaars. Hoe blind moet haat zijn om er het eigen leven voor veil te hebben? Of hoe nutteloos moet iemand zijn leven vinden? Dit laatste is misschien nog erger dan het eerste. Hoe sterk is de overtuiging die een knappe Pakistaanse man ertoe brengt explosieven op zijn lichaam vast te binden en die in een overvolle dubbeldekbus tot ontploffing te brengen? Wat moet er in die kerel zijn omgegaan gedurende de laatste minuten van zijn leven, toen hij zijn slachtoffers nog in de ogen kon kijken. Wellicht keek hij in het gezicht van een brave huisvader op weg naar het werk, misschien tegen zijn goesting, maar met de verdomde plicht te zorgen voor zichzelf en zijn dierbaren. Keek hij in de ogen van een puistenjongen die verlegen het hand van zijn vriendinnetje vasthield, beiden dromend van een roze toekomst, later, met elkaar? Besloot hij het zaakje af te blazen in de plaats van op te blazen toen hij een moslimvrouw met hoofddoek, en twee volle boodschappentassen met zich meezeulend, op de bus zag stappen? Dacht hij op dat moment: neen, dit gaat te ver, ik kan het niet? Kon hij nog wel terug? Maar ja, hij kon terug! Hij had de chauffeur moeten toeroepen de bus te stoppen, die had dit ongetwijfeld niet meteen gedaan, maar dan had hij de waarheid kunnen schreeuwen. Die verrekte deuren open, iedereen naar buiten, ruk die explosieven van mijn lijf, ik wil leven, ik wil godverdomme leven. Zo is het dus niet gegaan.

 

Dit is geen eerlijke strijd meer, dit is guerrilla, het laffe broertje van oorlog. We hebben met mafkezen te doen, gevaarlijke mafkezen. Ik weiger politieke uitspraken te doen. De maatschappij is in een bepaalde richting geëvolueerd, ik stel dat samen met u vast. Verder weet ik niks, behalve dat ik nog ruim een kwarteeuw op deze planeet hoop te verwijlen en van zoveel mogelijk minuten mooie minuten wil maken. Wat ik wel weet is dat het geen kwaad kan een hartelijke, verdraagzame, altruïstische attitude tegenover onze medemens tentoon te spreiden. Dit klinkt melig, maar laten we nu eens ophouden met onze stekels op te zetten tegen alles wat een zekere feel good-uitstraling heeft. Ik doe mijn best, waarschijnlijk niet genoeg mijn best, ik beken. Misschien laat ik míjn borstel te vaak onaangeroerd, maar als we elk voor onze deur vegen, is de straat schoon – nog zo'n dooddoener, maar wel een waarheid als een koe, maak daar een hele veestapel van.


21:57 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

19-07-05

MAAKT KENNIS GELUKKIG? (2)

Het was de Witten die als eerste het woord vroeg, en zonder het expliciet te krijgen, in een sappig koeterwaals en met een alsmaar roder wordende kop, tegen de stelling van leer trok. De Witten en ik durfden wel eens van mening te verschillen, maar niet dit keer. Hij was een burgermannetje, zowel in kleding – hij droeg bijna altijd een marineblauwe Lacoste-sweater, met de knoopjes (koperkleurig, met de beeltenis van een anker) op de schouder – als in gedachten – een kleine, conservatieve, kapitalistische kloothommel – maar hij beheerste als geen ander de gave om de lessen lam te leggen. Eenmaal op toerental verdedigde hij zijn denkbeelden met een oprechte, maar naar mijn smaak toch lichtjes overgeacteerde bezieling.

De Witten fulmineerde ongemeen heftig dat kennis absoluut niet gelukkig maakt. Hij illustreerde dat met een paar overdreven en bijgevolg te zwakke argumenten opdat ik ze mij vandaag nog zou kunnen herinneren. De Witten wist hoe hij een motor aan de praat kon krijgen, maar niet hoe hij moest motorrijden. Gelukkig namen anderen het gretig van hem over, er evenwel zorg voor dragend dat het geen kakofonie werd, want in dat geval zou Lambert resoluut terugkeren naar zijn passé composé en futur simple. De rustige, ingetogen jongen die ik was aanschouwde het slagveld en liet de storm aanvankelijk wat overwaaien. Ik hield mijn argumenten altijd een tijdje op zak en kwam er mee voor de dag als het gebakkelei wat in het slop dreigde te geraken, een strategie die in de loop der jaren haar deugdelijkheid ruimschoots had bewezen. Op het moment dat Lambert zich ei zo na opnieuw over zijn handboek boog en naar een krijtje greep, stak ik mijn vinger op. Glunderende gezichten op alle banken. Ha! Phil, de personificatie van het pseudo-gezond verstand, gaat er nog een snok aan geven. Oui, monsieur Hoorne, zei Lambert. Met vaste stem en zonder eenmaal met de ogen te knipperen, verkondigde ik in het Nederlands – het mocht, Lambert zag zichzelf blijkbaar nog steeds als de winnaar op punten – dat een mens die leeft als een verdorde plant, bijvoorbeeld na een ongeval of trauma, en de godganse tijd gekluisterd is aan een rolstoel, van waaruit hij onafgebroken, zonder te beseffen wat hij ziet, kan turen naar kwinkelerende vogeltjes en fladderende vlindertjes, en met op zijn kop een gek petje – met publicitaire opschriften – tegen het profijtig doch hartverwarmend zonnetje dat genadeloos in het gelaat schijnt, waarschijnlijk veel gelukkiger is dan de strafste bolleboos. Het was een hard en cynisch, o zo typisch – toen al – Hoorne-voorbeeld.

Lamberts mond zakte open. Daar had de franskiljonse wijsneus niet van terug. Touché. Ik keek triomfantelijk het klaslokaal rond. Links en rechts enig flauw instemmend gegrom, maar niet het verwachte huldebetoon. Waar bleef mijn lauwerkrans? Spargo knabbelde op zijn pen, Schaap staarde naar het plafond, uit de mond van Magere Gino bungelde een eindje kauwgom, Billy speelde met een elastiekje, Joe Penis frutselde aan zijn jeans en de Witten bladerde met nerveuze vingers in zijn werkschrift, alsof hij daar het onweerlegbare antwoord zou vinden op de schijnbaar intrigerende maar in wezen belachelijke vraag waarmee we nu toch al een half lesuurtje zoet waren. Zijn hoofd zag er inmiddels uit als een overrijpe tomaat met de brandende ambitie om heel binnenkort in een kwak tomatenketchup te transformeren.

(wordt vervolgd)


17:18 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

15-07-05

MAAKT KENNIS GELUKKIG? (1)

Kennis maakt gelukkig. Of niet? Het was in een Franse les dat de discussie gevoerd werd. We probeerden de leraar altijd weg te lokken van die verwijfd in onze oren klinkende taal van Molière. Op maandag was er het competitievoetbal van het voorbije weekend, op donderdag het Europese voetbal van de woensdagavond, met op woensdag soms al een voorbeschouwing. De andere dagen van de week en buiten het voetbalseizoen moesten de creatiefste leerlingen al hun inventiviteit aan de dag leggen om stokken in de wielen van het reguliere lesverloop te steken. Monsieur Lambert hield van voetbal en discussieerde graag, en om een zekere vaart in het geredetwist te krijgen, werd met zijn stilzwijgende en argeloze toestemming snel overgeschakeld naar de moedertaal. Maar Lambert had ook een hekel aan verliezen. Als hij in een argumentatieslag het onderspit dreigde te delven, probeerde hij met een gebiedend, kort en krachtig maar vooral kinderachtig "En français, monsieur!" het laken alsnog naar zich toe te trekken.

 

Ik weet niet meer precies om welke reden de stelling dat mensen die veel weten gelukkiger zijn dan mensen die niet veel weten opeens het snikhete klaslokaal kwam binnengewaaid, wel dat de heer Lambert ze onderschreef en verdedigde. Wij, de studenten, keken elkaar aan. De ene fronste een wenkbrauw, een ander trok een vies gezicht, de meeste verroerden geen vin. Dit was andere koek dan de vraag met hoeveel goals verschil Club Brugge die avond een stelletje Roemeense zakkenwassers zou gaan inblikken. Filosofisch getinte leuterpraat, daar konden we een flink pak grammaire mee ontlopen.

 

(wordt vervolgd)


21:26 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

14-07-05

CONSUMPTIEMAATSCHAPPIJ

De consumptiemaatschappij. Die bestreden wij toen ik nog een jonge jongen was. Heeft iemand het woord nog gehoord de afgelopen tien jaar? De grote mensen hadden de Koude Oorlog, wij de consumptiemaatschappij. Wij is veel gezegd. Ik heb nooit deel uitgemaakt van een wij. Het is een woord dat prima bekt: consumptiemaatschappij. Met een -s, zo zeggen wij het, en niet met een -z zoals de Nederlanders het uitspreken, alhoewel 'conzumptiemaatschappij' eigenlijk nog stoerder klinkt. Als er iets tegenviel, dan schoof je de schuld zonder verpinken in de schoenen van de consumptiemaatschappij. Ruzie met het liefje? Consumptiemaatschappij! John Lennon vermoord? Consumptiemaatschappij! Naast de wc-pot gepist? Consumptiemaatschappij!

Op school hadden we leerboeken waarin nogal van jetje werd gegeven tegen de consumptiemaatschappij. We hadden dat woord ergens vandaan, toch? In zo'n schoolboek stond dan een zwartwitfoto, voorstellende een hoop bij elkaar gezochte luxeartikelen. Dit plaatje moest het jonge volkje duidelijk maken dat het beter was je die dingen te ontzeggen dan toe te geven aan de subtiele aantrekkingskracht van de verborgen verleiders. Verborgen verleiders, nog zo'n begrip uit lang vervlogen tijd. Het getuigde van een zwakke persoonlijkheid indien je toegaf aan het valse geluk dat de reclame je tersluiks probeerde op te dringen. Ontwaarde je in het straatbeeld een affiche waarop een blitse jonge vrouw een flesje fris tegen de lens douwde, dan mocht je naar de vrouw kijken maar niet naar het drankje, want dat product kon je kopen, die vrouw niet.

Tegenwoordig is er geen andere maatschappij dan de consumptiemaatschappij, vandaar dat het woord niet meer gebruikt wordt. Alles is consumptiemaatschappij, waarom dat prefix dan nog hanteren? Ik heb net zoals destijds nog altijd een hekel aan mensen die overdadig consumeren, die werkelijk alles willen, en het ook hebben. Die hersenspoeling heeft op mij dus echt wel effect gehad. Het ergert me dat iemand een i-pod (schrijf ik dat goed?) heeft terwijl 95% van de bevolking nog niet eens weet wat het is. Voelde ik me als tiener ongelukkig omdat ik geen i-pod had. Tuurlijk niet, ik voelde me altíjd ongelukkig tout court, daar had zo'n stom ding geen verandering kunnen in brengen.


11:26 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

08-07-05

BLACK FACES

Dat een bordje met de mededeling 'Zwembad gesloten wegens wateroverlast' mij een grijnslachje ontlokt, daar hoef ik mij niet over te schamen. Ernst is nu eenmaal grappiger dan humor die te nadrukkelijk humor wil zijn.

Na de ontploffing van de dubbeldekker gisteren in Londen, deed een vrouwelijke ooggetuige haar verhaal. Onder andere had ze mensen gezien with black faces, niet dat ze dacht dat ze verbrand waren of zo, maar toch people with black faces. Laat uitgerekend de volgende geïnterviewde een zwarte zijn, een heuse brother.

Soms denk je dat ze het erom doen, de jongens en de meisjes van mijn geliefde VRT, dat ze de angel uit de ernst willen halen door hier en daar voor de oplettende kijker wat subtiele sickness in hun reportages te stoppen. Zo herinner ik mij een item over een nieuwe recordhoogte van de BEL20-beursindex, onmiddellijk gevolgd door een reportage over de OCMW's die steeds meer gezinnen over de vloer krijgen die hun schulden niet meer kunnen afbetalen.


09:35 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

04-07-05

LE SOIR DU TOUR - UTRECHT - 2 JULI 2005

Een weblog is bedoeld als een dagboek. U weet, of weet niet, hoezeer ik een hekel heb aan weblogs die op dagboeken gelijken. Maar af en toe heb ik een plicht te vervullen tegenover jullie, mijn fans van het eerste en vele latere uren, en aan u die misschien voor de eerste keer deze pagina bezoekt. Welkom.

 

De trein had het moeilijk waardoor ik later dan gepland mijn bestemming bereikte. By the way, die nieuwe Nederlandse dubbeldektreinen sucken: geen verluchting, geen zonnewering, bovendeks geen en benedendeks amper ruimte om een tas op te bergen. De lichtstraten kronkelen tegen het plafond terwijl dat volgens mij strak en rechtlijnig had gemoeten net zoals de trein zelve. Maar ja, niemand vraagt mij iets als het over het ontwerpen van treinen gaat.

 

Geen killere wezens dan de meisjes die in een hotel de receptie bemannen. Staat het in hun arbeidscontract vermeld dat ze niet mogen lachen en alleen maar vriendelijk zijn op een doorzichtig onechte manier? Is het niet mogelijk wat trager te praten tegen oren die Vlaams Nederlands gewend zijn? Is het nodig mij met ogen neer te bliksemen als ik vraag waar ik die fucking badge zoal voor nodig heb en wanneer het ontbijt wordt opgediend? Denken ze echt dat ik een uit België afgezakte seriemoordenaar of massaverkrachter ben?

 

Bijna verdwaald in Hoog Catharijne. Even paniek, ik geraak hier nooit meer uit. Voor eeuwig en altijd zal ik rondwaren tussen koffiebars en parfumeries. Me gelukkig net op tijd bevrijd en tot bij de Domtoren gepuft alwaar ik de grote Utrechtse dichter voor het eerst in levende lijve zou ontmoeten. Vermits ik zelf niet al te ver de stad uit kan, ben ik altijd blij eens iemand hier te mogen verwelkomen, zei hij. Zo had ik het nog niet bekeken. 

 

Op naar Le Soir du Tour in Tivoli waar ik werd opgevangen door een punctuele punkster die me meteen gebood me aan mijn tijd te houden. Dan ging het van start. Ik stond geprogrammeerd in het eerste deel van de avond en bracht een verhaal over Koen de Koker. Het publiek, zo'n 140 koppen sterk, bleek heel aandachtig en alert. Ze lachten op de momenten dat ze dat hoorden te doen en zo heb ik het graag. Kenners ook. Toen ik Nico Mattan schertsend de winnaar van de eerste Gent-Wevelgem achter derny's noemde, begrepen ze meteen waar ik het over had. Maar mijn verhaal had misschien nog een ietsepietsie strakker gemoeten. Al bij al tevreden over mijn eerste prozavoordracht ooit.

 

Ik heb niet alle voorlezers en entertainers kunnen aanschouwen, maar neem van me aan dat de zaal genoot. Mensen gezien, teruggezien, voor het eerst gezien. Ik heb niet zo veel sociale contacten en dat maakt het voor mij dubbel prettig, zo'n avondje weglullen tussen podium en pint met gelijkgestemde zielen. Mijn uitgevers waren er ook en zonder daar veel woorden aan vuil te maken, waren we het roerend eens dat het voorplat van mijn derde bundel, die Het ei in mezelf zal heten, een beauty wordt.

 

Omstreeks 1 uur 's nachts nog een kroketje uit de muur gehaald en iemand aanhoudend om een berenlul horen roepen. Verder nog vernomen dat de sportpoëziebloemlezing van Willie Verhegghe dit najaar verschijnt, en dat dit literaire wielerevenement wegens succesvol wel eens herhaald zou kunnen worden op andere podia in Nederland en, wie weet, ook in Vlaanderen. Ik doe zeker weer mee.


21:06 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |