24-11-05

ANTON KORTEWEG IS NIET DIK EN NIET KAAL

In Knack van 9 november staat een interview van Piet Piryns met Anton Korteweg. Aanleiding om het hier even te hebben over Korteweg, even heel kort en dan ben ik weer weg. Heb ik deze dichter hier ooit al vernoemd? Ik dacht van niet, maar een snelle scan van het net geeft me ongelijk. Op 2 juni 2004 schreef ik "Hij (Jozef Deleu) nam in zijn eerste Liegend Konijn werk op van Menno Wigman, Rutger Kopland, Luuk Gruwez en Anton Korteweg, toevallig vier van mijn lievelingsdichters."

 

In het bewuste interview met Knack zegt de Leidse dichter eenvoudige maar mooie en pretentieloze dingen over leven, dood en werk. Ik zal niet citeren, lees het stuk zelf maar. Waar wil ik eigenlijk naartoe? Wel, als mij gevraagd wordt naar mijn favoriete dichters, vergeet ik de man wel eens. Dat wil ik bij deze goedmaken. Waarom vergeet ik hem dan? Wel, naar mijn aanvoelen is Korteweg een tijdje uit de schijnwerpers geweest. Negen kansen op de tien is dit een verkeerde perceptie van mij, en ik ben op dit moment te lui om er even zijn bibliografie op na te slaan, teneinde te achterhalen of ik hier maar wat uit mijn nek sta te kletsen of niet. 

 

Hoe dan ook, ik heb in het vorige millennium, toen ik nog geen dichter was, heel veel Korteweg gelezen. Het wordt tijd dat ik hem nog eens tot mij neem, met zijn recenter werk erbij. Het heeft ook vele jaren geduurd voor ik ooit een foto van hem zag. Ik stelde mij hem voor als een grote, kloeke, niet ongezellige, Bourgondische man met een buik. Een beetje zoals ik, maar dan kaler. Dat zei ik hem ook, toen ik hem onlangs ontmoette in Den Haag, dat de poëzie die hij schrijft laat vermoeden dat de steller ervan een goedmoedige dikzak met haaruitval is. Dat bleek helemaal niet zo te zijn. Korteweg ziet er bijzonder Nederlands uit: grijs als een duif en geen grammetje vet.

 

Wat die kaalheid betreft, moet ik tot mijn verdriet mededelen dat het met mijn haardos niet de goede richting uitgaat. Na de presentatie van Het ei in mezelf werd ik enkele malen gefotografeerd tijdens het signeren, terwijl ik half over een tafeltje hang, de lens pal op mijn knikker. Wel, ik kan u verzekeren, het is geen fraai gezicht. Niet bestemd voor gevoelige kijkers. Mocht er een schriel vogeltje op mijn kop landen, dan is de kans bijzonder groot dat het uitglijdt en zich dertig centimeter lager nog net aan mijn haartoppen kan vastklampen, en bij het uitglijden – je zal het altijd zien – alweer enkele vierkante millimeters hoofdhuid braak legt.


20:12 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

22-11-05

PERFECT TWEEHANDIG

U heeft het vast al gemerkt. De klad zit een beetje in dit weblog. Een tijd lang kon ik mij wegsteken achter de nakende publicatie van mijn fabuleuze dichtbundel Het ei in mezelf, maar sinds de presentatie van het boek op 9 november, de dag waarop een en ander toch van mij af had moeten glijden, zijn hier nog maar weinig ophefmakende teksten verschenen.

 

Waar is de tijd dat u hier leuke verhaaltjes kon lezen over Kees Kloefkapper of Ignace Rondeel? Waar is de tijd dat ik ongeveer om de twee berichten iemand beledigde: Joep Kuiper, Hugo Claus, Dirk van Bastelaere, Sacha Blé en niet het minst het Vlaams Fonds voor de Letteren? Waar is de tijd dat ik om de twee berichten een collega-schrijver de hemel in prees: Herman Brusselmans, Menno Wigman, Jean-Pierre Rawie, Maarten 't Hart, Eddy van Rijmenam, Justine Henin-Hardenne… Justin Henin-Hardenne een schrijfster? Jazeker, zeg niet dat u haar lang niet onaardige novelles Quand je joue avec ma raquette…, Pierre-Yves, apporte-moi mes savattes, et vite! en Les soeurs Williams, je les aime bien… entre mon longue baguette niet kent.

 

Niets van dit alles de laatste tijd. Ongemerkt begon ik te doen wat ik in andere weblogs vaak verfoei: het ding als een dagboek gebruiken. Verslagje hier, impressietje daar… Neen, ik ben niet goed bezig. Jullie voor wie ik dit allemaal doe, blijven in groten getale langskomen, ik apprecieer jullie trouw en toewijding, maar ik verdien die niet, ik verdien die hoegenaamd niet.

 

Word ik oud, lui, zelfvoldaan, jichtig (in mijn vingers, bedoel ik), depressief? Bijlange niet, amper twee weken na het Het ei in mezelf-avondje, ben ik alweer driftig bezig met nieuwe verzen te plegen. Het kan jullie allicht gene ene moer schelen, maar ik zit volop in een creatieve fase. En dat terwijl er nog steeds enkele exemplaren van Het ei in mezelf niet verkocht zijn. Indien u er een wilt hebben, zal u zich moeten reppen. Iedereen wil mijn nieuwste bundel hebben, ik snap er niks van, maar ben er wel blij mee, hoe zoude gij zelf zijn?

 

Gisterenavond belde mijn uitgever Harold de Croon me iets voor middernacht uit mijn bed.

 

"Hoi, Philip, Harold hier, je zit toch alweer in een creatieve fase mag ik hopen?" fleemde hij.

"Ha, Harold, jazeker, ik heb vandaag Febes fiets hersteld – ja, net zoals in dat gedicht uit mijn eerste bundel, hoe heet het ook weer? – mijn wijnkelder leeggedronken en een muurtje gemetseld. Als creatieve fase kan dat tellen, niet?"

"Gadver, Philip, hoe vaak heb ik al niet gezegd dat je je vrouw en kinderen muurtjes moet laten metselen, waar heb je die anders voor? Jij moet schrijven, alleen maar schrijven. Muurtjes metselen gadsamme, ik mag er niet aan denken dat je jouw schrijfhand zou blesseren."

Daar had je hem weer met zijn schrijfhand. Weet die kwiet nog steeds niet dat ik perfect tweehandig ben: poëzie met de rechter- en proza met de linkerhand?

"Oké, het zal niet meer gebeuren,” antwoordde ik kortaf. Ik had geen zin om op dit uur een discussie over wat dan ook te voeren. “Maak je maar geen zorgen, ik ben en blijf bezig… zeg, even iets anders, dat luisterboek Lust, met mijn verhaal De Vacature ziet er prima uit."

"Ah, je bent eindelijk naar het Kruidvat gegaan. Ja, leuk hé, die cd-boeken."

"Ja, mooi."

Hier bloedde, zoals je kan vaststellen, het gesprek een beetje dood. Ik wilde terug gaan slapen en ik zei hem dat ook – tegen Nederlanders moet je altijd eerlijk je gedacht zeggen, die kunnen daar tegen – en Harold zei dat hij ook best moe was, maar voor het slapengaan moest hij zijn vriendin nog tonen wat ze 's anderendaags zoal te metselen had.

 

Ik heb het altijd gezegd: die Ollanders staan veel verder dan wij. Maar we halen ze wel in, wees maar gerust, desnoods vlak voor of vlak na Sint-juttemis, maar inhalen doen we.


19:46 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

20-11-05

VERSLAG SAPPHO - 19/11/2005

Presentator Piet Piryns gooide het gerucht dat dit wel eens de laatste Sappho zou kunnen zijn meteen de zaal in en zocht daarmee steun bij het talrijk opgekomen publiek – alweer een volle zaal te Ruiselede – om deze onheuglijke tijding niet te laten verwerkelijken. Ikzelf denk dat dit festival blijft bestaan, want wat wil je als organisator nog meer dan een nokvolle, enthousiaste keet en een mooie affiche?

 

Nog nooit had ik Luuk Gruwez – een van mijn meest geliefde Vlaamse dichters – in levende lijve gezien, laat staan dat ik hem al hoorde voordragen. Hij deed het prima, bracht werk uit verschillende bundels, gedichten die op papier al zo goed zijn dat ze bij voordragen nog moeilijk aan kracht kunnen winnen. Mijn linker buurman vond dat Gruwez wat te nadrukkelijk las, te hard zijn best deed. Ik weet het niet. Het gedicht over de wielrenner – in een soort Nedervlaams – zou hij misschien in het dialect moeten doen, echt helemaal in de huid van die coureur kruipen. Nu lijkt ‘allene’ zeggen in plaats van ‘alleen’ – om het bij dit voorbeeld te houden – misschien te afgeborsteld, te onrealistisch, te weinig. De renner die hij neerzette leek mij te pienter. Waarom zou zo’n fietsende bolleboos dan ‘allene’ zeggen in plaats van ‘alleen’? Hij sprak een taaltje dat niemand anders spreekt. Het is balanceren op een smalle koord, ik weet het, en misschien net daarom is zo’n gedicht – als je het toch niet goed kan brengen – een typisch stilleesgedicht. Dan kan de lezer – of hij nu West-Vlaming of Limburger is – zelf het voor hem best passende soundtrackje in zijn hoofd laten afspelen.

 

Gerrit Kouwenaar is een monument. Iedereen houdt van Kouwenaar, ik heb nog nooit een dissonant geluid over de ouderdomsdeken van de Nederlandstalige poëzie gehoord. Het was fijn dat hij in dit landelijke plaatsje ergens tussen Brugge en Gent enkele verzen kwam lezen, maar het had ook iets zieligs, zo’n oude man in een mistig boerengat ver van huis. In het licht van de eeuwigheid heeft zo iemand niks meer te winnen of te verliezen in Ruiselede, en die boekjes, ach ja, hij deed er zelf een beetje schamper over, wat ik overigens wel sympathiek vond.

 

Op elke Sappho moet er een lelijk eendje zijn. De obligate miskleun heette dit keer Lucienne Stassaert, één van de drie (op zes) Antwerpse dichters op het programma. Hoe stelde collega Breukers dat ook weer in zijn bespreking van haar verzameld werk? Poëzie die te hard haar best doet om op poëzie te gelijken – ik parafraseer even – en daardoor de mist – zaterdag letterlijk – ingaat?    

 

Ik ging helemaal rechtop zitten bij de aankondiging van de vierde dichter, Menno Wigman. Hij bracht gedichten die ik maar al te goed ken – behalve het laatste, een nieuw dat in de door hem geschreven Gedichtendagbundel 2006 zal worden opgenomen – en oogstte zeer terecht het eerste spontane tussendoorapplaus van de avond, na het schitterende gedicht Bij de gemeentekist van mevrouw P. Vreemd, hoe smaken over poëzie ook kunnen verschillen, toch bestaan er gedichten waarover iedereen het roerend eens is dat ze fantastisch zijn. Wigman deed wat ik voorspeld had: de beste jongen van de klas zijn, het publiek inpalmen met die charmante verlegenheid van hem, en ook aan de boekentafel de populairste van allemaal wezen. Het Vlaamse publiek heeft de nieuwe Nederlandse meester in de armen gesloten, driewerf hoera.

 

Het muzikale gedeelte werd verzorgd door Kris De Bruyne, eveneens een monument. Ik had de indruk dat er een deel van het publiek speciaal voor hem naar Centrum Polenplein was afgezakt. Al 35 jaar staat hij op de planken – meestal met band, maar zaterdagavond alleen vergezeld van zijn gitaar en mondharmonica – maar hij oogt nog bijzonder vief en flegmatiek. Een soort Vlaamse Keith Richards maar dan met een schonere kop, al dient gezegd dat de bard bij iedere set van zijn driedelig optreden uitbundiger ging doen. Bijna zou een mens gedacht hebben dat de zanger zich achter de coulissen wellustig in de booze wentelde. Toch een heuse Vlaamse Keef?

 

Na de pauze veel applaus voor Ramsey Nasr. Mooie gevarieerde poëzie, prima uitstraling, een aardige jongen. Na Wigman de ster van de avond, ook al hadden we dan nog Leonard Nolens te goed. Piryns vertelde in zijn aankondiging dat deze Antwerpse coryfee – Nolens dus – in het begin van zijn carrière met geen stokken het podium op te branden was. Nochtans maakte hij een rustige en zelfzekere indruk, van plankenvrees geen spoor, maar het leek af en toe wel of hij zijn gedichten bij hem thuis voor de spiegel aan het oefenen was. Hij staarde in het zwarte gat – uit ervaring weet ik dat vanaf het podium de contouren van het publiek helemaal niet te zien zijn – en deed zijn ding. Weinig gebabbel tussen de gedichten door, daar hadden zijn vijf voorgangers zich maar al te gretig aan bezondigd – nou ja, het mag, hoor, ik houd wel van een zekere duiding of omkadering bij een gedicht, zolang er niet wordt overdreven. Nolens kreeg een beleefd applausje, hij zorgde niet voor de bloemekee zoals Piryns stoutmoedig had voorspeld. De jonge garde haalde het op punten van de monumenten, en die aflossing van de wacht valt alleen maar toe te juichen.

 

Een geslaagd poëziefestival, deze 10de editie van Sappho. Volgend jaar moet er simpelweg een 11de uitgave komen, dat is hoe ik erover denk.


22:59 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

12-11-05

PAUL R. OVER MIJN EI

De geheel uit fijne-mens-materie opgetrokken Paul Rigolle besteedt op zijn weblog aandacht aan mijn nieuwe bundel Het ei in mezelf. U leest het hier:
 
http://www.paulrigolle.be/arcadim/2005/11/hommel.html

18:00 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

10-11-05

PRESENTATIE 'HET EI IN MEZELF'

Woensdagavond werd onder een bevredigende belangstelling Het ei in mezelf voorgesteld in het Cultuurcentrum te Wevelgem. Er waren zo’n 80 aanwezigen, vooral familie, kennissen en dichters. Gastspreker Alain Delmotte debiteerde zijn inleiding Gekte en grimmigheid, een zoals verwacht zeer degelijke en onderbouwde beschouwing bij mijn nieuwe bundel. Gek en grimmig, zo laat Het ei in mezelf zich inderdaad goed samenvatten, maar terecht wees Alain erop dat de grote verschillen tussen Niets met jou en Het ei in mezelf, met Inbreng nihil als overgangsbundel, eigenlijk maar schijn zijn. De bewerkte tekst is weldra nog eens na te lezen in een volgende Poëziekrant.

 

Mijn rol beperkte zich tot het lezen van gedichten – twee als rustpunt tijdens en nog een zestal na Alain’s voordracht – uit de bundel, en die bescheiden maar niet onbelangrijke bijdrage beviel mij wel, gezien een lichte bronchitis waar ik al een tijdje mee worstel. Een mandataris van de gemeente mocht uit handen van uitgever Harold de Croon een exemplaar van het boek in ontvangst nemen, waarna de man opriep om ons in het geestrijke vocht te storten. Een kort maar krachtig officieel gedeelte, dik drie kwartier, verhoogt de duur van de nazit. Dan tijd om te signeren en iedereen die verkoos om op deze frisse novemberavond mijn feestje bij te wonen nog eens liefkozend over de bol te aaien. Gek en grimmig, al goed en wel, maar niet zo woensdagavond. Though this be madness, yet there's method in 't. 


23:35 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

06-11-05

RECENSIE IN TROUW (5/11/2005)

’Ikke in de zeep

ikke in de zitkom’

 

Hilarische poëzie van Philip Hoorne

 

Philip Hoorne is de clown van de Nederlandse poëzie. Hij laat zien dat humor ’de dingen soms precies in hun juiste perspectief trekt’. Maar harde waarheden schuwt hij niet, zoals een ware clown betaamt.

 

Philip Hoorne: Het ei in mezelf. Uitgeverij

521, Amsterdam. ISBN 9049970079;

48 blz. € 16,90

Ooit werd hij van internet geplukt door Gerrit Komrij; hij debuteerde in diens sandwichreeks. Sindsdien staat Philip Hoorne te boek als een clown die de werkelijkheid beschouwt als een kermis van bezielde en onbezielde objecten, bijeengehouden door stromen van misverstand en toeval. Het alledaagse als groteske ontmaskeren lijkt zijn drijfveer. Zo ook in deze nieuwe bundel, waarin de werkelijkheid meteen weer als prettig gestoorde chaos wordt voorgesteld.

 

’[…] Kameel

mag ik je tieten even lenen

voor mijn eenmanscarnaval?

En je vals gat je pruik en de

beautycase van je dochter.’

 

De bulten van een kameel ’tieten’ noemen, is typisch Hoorne. Hij zet de wereld nu eenmaal graag op zijn kop. Het ’vals gat’ ertussen is een van de vele woordspeligheden (denk aan vals plat!) waarop hij de lezer trakteert. En die pruik en beautycase geven al aan dat er in dit poëtische ’eenmanscarnaval’ eindeloos wordt geposeerd. De pose immers is de trouwe handlanger van de chaos.

 

Een pose intussen waarin ironie en het burleske slinks worden vervlochten met ernst: ,,En vechten moet ik doen. / Tegen het ei in mezelf. / Tegen de verwijfde schijnheiligheid van kerk, staat, volkorenbrood en werk. / Tegen mijn eigen naam in roetzwarte letters op een spikkelgrijze zerk’’. Staat me daar die poseur, die helemaal zo’n eitje niet is, opeens het groteske bloedserieus te betrekken op de eigen zerk.

 

Hoorne is mataglap en heel erg bij de pinken. Al die vervreemdende taferelen drukken ons op het wezen van het chaotische. Het aardige is dat hij dat doet in vrijwel louter ikgedichten. Hoorne-gedichten dus eigenlijk. Zo blijkt een schildersezel een echte ezel, de ’Schijter’, die hem – het kan soms niet plat genoeg – tot ’een / lang niet onaardig bruin motief’ inspireert dat hem met trots vervult: ’Philip Hoorne, De Eerste Vlaamse Neo-Primitief’. Of hij ontwikkelt de plot van een toneelstuk waarin hij alle rollen speelt. ,,Ik stond op het toneel met een pak andere Hoornes.’’ Verwarring alom, vooral wanneer blijkt dat ook het publiek bestaat uit Hoorne-klonen.

 

En zo gaat het verder. Een ober wordt met een rietje vermoord, een treinreis voert via ’Jonghans’, ’Flessegem’ en ’Brikkelhove’ naar ’Schaterloo’, of een herenboer laat ’s avonds zijn knechten de bomen ’uit hun putten’ halen en de grastapijten oprollen ’na eerst het klittenband te hebben losgemaakt’. Het gedicht ’Zitkom’ neemt een hilarisch bad in de wereld van de sitcom (soap): ’Ikke in de zeep. / Ikke in de zitkom. / Sommeer de applausmeester en start de lachband, / want straks moet ikke huilen’.

 

Het is allemaal spel, soms heel geestig, soms op het smakeloze af, soms alleen maar handig gedaan en soms gewoon goed.

 

’Zitkom’ bijvoorbeeld is uitstekend. Het kadergedicht onder aan dit stuk evenzeer. Het stelt de giraf voor als een bij toeval wijs beest dat door zijn idiote proporties aan de kadaverdiscipline op de grond ontsnapt. Ondanks het humoristische woordpotentieel voert het in de slotstrofe naar enige harde waarheden en tragikomische paradoxen over recht en krom.

 

Hoorne vliegt weleens uit de bocht, maar vaker toch brengt hij zijn lezer op een opgewekte manier in leerzame verwarring. Hij schrijft verstaanbare gedichten, maar door hun hilarische setting dwingen ze je het hoofd erbij te houden. Zo moet je het niet-bestaande woord ’fittingkamer’ even weten te plaatsen in de volgende strofe: ,,In een visioen met donkere manen / verdonkeremaan ik twee op elkaar staande stoelen / - zitting op zitting alsof ze paren - / uit de fittingkamer’’. Je komt eruit als je op dat paren en de klankparallellen doorassocieert: zitting - fittingkamer - sittingroom (sittingkamer) - fucking - fittingkamer. Voilà, zeggen ze dan in goed Vlaams.

 

Nu, het is niet allemaal eersterangs, maar je maakt al lezende buitelingen die je niet eerder maakte. En je leert dat de schaterlach de dingen soms precies in hun juiste perspectief trekt, en dat dan verdriet, dood en vergankelijkheid niet ontbreken. Een eersterangs clown is hij dus in elk geval wel.

 

MIJNHEER DE GIRAF

 

Waarom steek jíj je nek niet uit voor de krengen in het dierenbos,

voor de unaniem bij pootopsteking aangenomen kadaverplicht?

 

Wel dan, grote jan met je trillende polsstokpoten, jij die de hoogste

bladeren van de bomen knabbelt, wanneer ga je al stofzuigende

rond over de grond met die grote mond van jou?

 

Buiten proportie misvormd baksel, dankzij die belachelijk lange hals

ben je ontsnapt aan de bedwelmende banken boven het zand, maar vind

je dat zelf niet wat pover als rechtvaardiging voor een overleven?

 

Er bestaat geen recht, krom beest. En dat uitgerekend jij de enige bent

die dit nog weet en niet kan doorvertellen, tenzij aan de vogels.

 

 

Peter de Boer


21:59 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |