20-02-06

HET MEDISCH ONDERZOEK (5)

 

Mijn cel is kaal maar proper. Ik weet niet wat mij precies ten laste wordt gelegd. Het is te zeggen: ik weet het eigenlijk wel. De verpleegster van de Dienst voor Arbeidsgeneeskunde en mijn twee buren in het ziekenhuis werden om het leven gebracht en overal, werkelijk overal zijn mijn vingerafdrukken teruggevonden. En dat terwijl ik pertinent zeker weet dat ik het niet gedaan heb. Leiden mijn vingers een eigen leven? Heeft iemand mijn vingerafdrukken gekopieerd? Zal ik dit verhaal de magisch-realistische toer laten opgaan?

 

Toen ik nog een kind was, beleefde de kunststroming die het magisch-realisme werd genoemd haar hoogtepunt of de naweeën daarvan. In Vlaanderen toch, onze noorderburen waren niet zo dol op die hocus pocus. Elk leerboek Nederlandse taal bevatte van die verhalen die op een gegeven moment geheel de mist ingingen. Verhaaltjes zoals ik ze tegenwoordig wel eens durf schrijven, maar dan saai en zoutloos. Magisch-realisme, djiezes, hoe heeft het ooit iets kunnen voorstellen? Hoe heette die hopman van het magisch-realisme ook alweer? Daisne. Juist ja, Johan Daisne. Wie kent niet zijn grimmig pamflet tegen de hippiecultuur getiteld 'De man die zijn haar kort liet knippen'? In dat visionaire meesterwerk rookt een hippie een joint van slechte makelij (pagina 7) waarna zijn ziel hemelwaarts zweeft (pagina 8). Daar aangekomen staat Sint-Pieter hem op te wachten met een grote heggenschaar in zijn handen (pagina 10). Knip knip doet Sint-Pieter en de lange lokken van hippiemans dwarrelen ter aarde (pagina 12). Gelukkig heeft alleen het lichaam beharing en niet de ziel. Geen man overboord dus. In een halfslaap verzonken mijmert onze peacebrother hier een wijle over (pagina 14 tot pagina 253) waarna hij op pagina 254 stikt in zijn eigen braaksel. Wat is er immers gebeurd? Die dag heeft onze vriend omstreeks vier uur in de namiddag bij wijze van ontbijt een stukje bedorven spacecake genuttigd. Dat in combinatie met het onkoosjere rokertje blijkt fataal te zijn. Via het vagevuur komt de hippie in de hel terecht waar mannen wél lang haar mogen dragen. Eind goed, al goed, want op de laatste pagina besluit Daisne zijn fantastische roman met de mysterieuze doch hoopvolle woorden 'Komaan boreling, licht mijn vuurtje. Komaan, boreling, licht mijn vuurtje.' Vertaal dit in het Engels en u weet meteen waar de Doors hun mosterd haalden.

 

Enkele jaren later verscheen van dezelfde auteur 'De trein der traagheid', een al even profetische bestseller over de nakende structurele problemen bij de NMBS. Een trein vertrekt op een mistige morgen in het unheimisch idyllische plaatsje A (pagina 7) op weg naar het stadje C. Na vele honderden kilometers sporen valt de trein stil in het boerengat B (pagina 8). Alras blijkt het om een technisch euvel te gaan (pagina 177). De stoomfluit doet het niet meer en de machinist weigert verder te rijden. Belachelijk, denkt u, maar hoedt u voor voorbarige conclusies. U moet rekenen dat de ijzerweg in die tijd nog in zijn kinderschoenen stond. Bewaakte overwegen waren er niet, onbewaakte overwegen evenmin. Overstekend vee des te meer. En niet te vergeten… de struikrovers in de bosjes. Hier maakt de schrijver volgens mij een foutje, dacht ik aanvankelijk, want het leek mij nogal onrealistisch dat benden onvervaarde struikrovers zich door een stoomfluit laten afschrikken. Hoe kortzichtig en zelfingenomen van mij om te twijfelen aan het métier van Daisne. Stom stom, hoezeer schaamde ik mezelf… want vergeet niet dat we hier te maken hebben met het opus magnum van de Grote Manitoe van het magisch-realisme . Die stoomfluit is dus niet zomaar een stoomfluit, maar een magische stoomfluit. Dat staat er niet, en er wordt nergens allusie op gemaakt, maar ook dat maakte deel uit van het magisch-realisme, er zelf van alles bij bedenken. Evengoed zou je kunnen veronderstellen dat die machinist een schijtlaars is. Of dat die struikrovers leiden aan stoomfluitallergie, of dat ze vrezen dat ineens Sint-Pieter met zijn heggenschaar uit die trein springt. Maar dat ware dan weer te weinig magisch en te veel realistisch. Vergeet bij het lezen van Johan Daisne nooit dat in het magisch-realisme the sky niet the limit is maar only just the beginning.

 

Een tweede exponent van deze kunststroming die Vlaanderen definitief op de wereldkaart zette is Hubert Lampo. Ook over hem valt er heel wat te zeggen. Hij werd geboren in 1920 te Antwerpen.

 

Tot zover deze verhelderende retrospectieve op een der belangrijkste literaire hausses die Vlaanderen ooit gekend heeft.

 

Hier zit ik op mijn brits, een mens alleen met zijn gedachten. Mijn cel is kaal maar proper. Ik weet niet wat mij precies ten laste wordt gelegd. Het is te zeggen: ik weet het eigenlijk wel. De verpleegster van de Dienst voor Arbeidsgeneeskunde en mijn twee buren in het ziekenhuis werden om het leven gebracht en overal, werkelijk overal zijn mijn vingerafdrukken teruggevonden.

 

(wordt vervolgd)

12:38 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

De commentaren zijn gesloten.