27-02-06

HET MEDISCH ONDERZOEK (7)

Murat Tarmak haalt de cassette van Jungle Book uit de videospeler, doet een maar half geslaagde dansimitatie van Baloo de beer, trekt Bambi uit de holster en knalt door het keukenraam een willekeurige voorbijganger neer. Tegen de tijd dat er sirenes weerklinken, is Murat al onderweg naar de penitentiaire instelling waar hij zijn tweede jeugd en alledrie zijn midlifecrises beleefde. Onder zijn arm houdt hij een broodzak gekneld. Even raakt hij het noorden kwijt. Hij vraagt de weg aan een oud vrouwtje en plukt, nu ze toch het behulpzame type blijkt te zijn, haar handtas van onder haar arm en zet het op een lopen. Shit, wat zei dat besje ook weer? Rechts, dan nogmaals rechts, rechtdoor, links, links, rechts, rechts houden, flauwe bocht en dan naar links? Of was het rechts, dan nogmaals rechts, rechtdoor, links, rechts, links, links houden, flauwe bocht en dan naar links? Dedju toch hé! Sinds Murat ooit van een assertieve juwelier, wiens zaak hij wilde leegroven, een mep tegen zijn rechter slaap ontving, lijdt hij aan concentratiestoornissen en amnesie. In de handtas steken een kleine geldbeugel en een grote portefeuille. In de kleine geldbeugel zit wat een mens in een kleine geldbeugel mag verwachten: kleingeld. Murat klettert het tegen de stoeprand. In de grote portefeuille zitten behalve een resem klantenkaarten, kortingsbonnen en foto's van kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen en huisdieren alleen maar twee biljetten van 5 euro. Zou je geen ongeluk begaan? Murat trekt Bambi en kijkt achter zich waar het wijf gebleven is. Nergens te bespeuren. Handtas gestolen, maar toch haar lucky day, jammer dat ze dat nooit zal beseffen. Wat heb ik ook weer onder mijn arm? Murat kijkt in de broodzak. O ja, nu weet hij het weer. Een brood. Op naar de gevangenis om mijn goede vriend Philip Hoorne te helpen ontsnappen, murmelt Murat Tarmak in een Slavische dialect tegen zichzelf, en hij zet er flink de pas in.

 

(wordt vervolgd)

20:17 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

22-02-06

HET MEDISCH ONDERZOEK (6)

In elk deel van dit verhaal heb ik tot nu toe een nieuw personage opgevoerd. Dat zal nu moeilijk gaan, want ik zit nog steeds alleen in mijn cel in stilte in elkaar gedoken in een hoekje in een zin die te veel keer het woordje in bevat. Mijn enige vriendje is Ciske, Ciske de rat. Een grijsbruin gedrocht van ruim een halve meter lang, staart niet inbegrepen. Ciske draagt een ouderwets bruinoranje Adidas-trainingspakje en een groene geruite pet. Ciske is geen prater. Ik ook niet, dat valt dus reuze mee. Of tegen, ik weet dat nog niet precies. Sommige zwijgers hebben graag zwijgers om zich heen, andere zwijgers verkiezen praters. Ik weet niet tot welke groep ik behoor. Het hangt er allemaal een beetje van af. Zal deze aangeklede rat verder nog een rol spelen in dit verhaal of eventueel een revival van het magisch-realisme inluiden? Neen, geen van beide, of moet dat zijn geen van beiden? Ik ben een vragende mens. Wie ben ik? Waarom zit ik hier? En Ciske, wat doe ik met hem? Weg met die rat. Geen ongedierte in mijn cel noch in mijn verhaal en geen heropflakkering van het magisch-realisme in Vlaanderen. Overmatig gebruik van het voorzetsel in wijst op een hoge mate van doodsverlangen zei mijn psychiater zaliger altijd. De brave man is gestorven in een verkeersongeval. Hij werd door een indom als indiaan verkleed individu aangereden in de Ingooigemstraat te Ingooigem ter hoogte van het kantoor van ingenieur Ingelbrecht die gehuwd is met Inge In 'T Ven, de dochter van de Belgisch-Indische industrieel Indira In 'T Ven. Intriest.

Ik zit nu helemaal alleen in mijn cel. Ciske is verdwenen. Moge hij ooit de vuilnisbelt of het riool van zijn dromen vinden. Ciske is weg, voorgoed. Net zomin als dokter Adriaens zal hij nog terugkeren om in dit verhaal een rol van betekenis te spelen. In deze erbarmelijke omstandigheden is dat al meer dan voldoende om een traan weg te pinken. Ik zal hem missen, Ciske, met zijn onmodieuze jaren tachtig sportoutfit en zijn gekke petje met golfembleem, twee gekruiste clubs met een balletje in het midden. Maar ook alleen is een mens niet alleen. Als kind heb ik hele gesprekken gevoerd met mezelf en ik doe het nog steeds. Of ik kruip in de huid van iemand anders, het is gratis en risicoloos. Even een voorbeeldje ter illustratie.

"Bij ons staat Jan Ceulemans, trainer van Club Brugge. Tja, Jan Ceulemans, mogen we zeggen dat het Europese liedje voor Club hier vanavond eindigt?"

"Ja, oké, ik had er meer van verwacht en ik denk ook niet dat we deze nederlaag verdienden, maar twee individuele fouten hebben ons de das omgedaan. We moeten op een mirakel hopen volgende week, maar het zal moeilijk zijn."

"Toch wel een sterke ploeg, hé, die Italianen."

"Als je ziet dat ze enkele van hun beste spelers op de bank zetten of thuis laten… we wisten het op voorhand, er zat zeker meer in vandaag, maar het heeft niet mogen zijn."

"Hoe kijk je terug op deze Europese campagne?"

"Ik denk dat onze doelstellingen bereikt zijn. We hebben Champions' League gespeeld. We mikten op die derde plaats en dat is ons gelukt. Ik denk dat we mogen tevreden zijn."

"Alles op de competitie nu?"

"In de competitie moeten we het nu van match tot match bekijken."

"Veel succes, Jan Ceulemans."

"Dank u."

Heel wat gedachten en herinneringen schieten door mijn kop, maar niet een is geschikt voor publicatie. Zal ik vertellen over die keer dat ik met de bus naar het werk reed, 's ochtends niet de tijd had genomen om naar het toilet te gaan en onderweg in mijn broek kakte?

"Luister, Hoorne, als je iets vertelt aan de lezers, moet je het juist vertellen."

"Doe ik toch, Hoorne."

"Neen, dat doe je niet."

"Vertel jij het dan."

"Je laat uitschijnen dat je al op de bus in je broek kakte, terwijl het eigenlijk gebeurde op weg te voet van de bushalte naar het werk."

"Is dat zo?"

"Yep."

"Weet je het zeker?"

"Heel zeker."

"Je was er al bijna toen het gebeurde. Ontdaan maakte je rechtsomkeert, niet naar de bushalte aan het station, maar naar de halte op de Grote Markt die zich iets dichterbij bevindt. De bus kwam net aangereden. Onderweg liep je nog een collega tegen het lijf die schertste dat het werk wel de andere kant uit was."

"Ja, nu je het zegt. Het was een bloedhete dag, niet?"

"Helaas wel, ja."

"En de bus zat maar voor een kwart vol."

"Gelukkig maar."

"Een genante vertoning, maar de hele tijd hield ik de boel onder controle."

"Wat van jouw sluitspier niet kon gezegd worden."

"Godver, je was er ook bij, het is ook jouw sluitspier."

"Haha."

"Het was een accident de parcours, niet minder maar ook niet meer. En laat ons er nu over zwijgen."

"Jij wilde dit verhaal vertellen, niet ik. Je wilt goochelen met feiten en fictie en bedient je daarvoor van nogal slap gezwets, vind ik. Dit verhaal begint serieus aan bloedarmoede te lijden."

"Als het ooit in boekvorm verschijnt, knippen we dit stuk eruit, O.K.?"

"Ja, doen we."

"Ik stel voor, dat we terug in onze cel zitten en een nieuw personage opvoeren."

"Wat voor een personage?"

"Ik heb een leuke naam: Murat Tarmak."

"Een Joegoslaaf?"

"Ja! Goed zo, jongen! Een echte bad boy die ons zal komen bevrijden."

"En waarom zou hij dat doen?"

"Al schrijvende komen we dat wel te weten."

"Ik weet het niet. Heb je geen Deen of Zweed of zo? Neen, geen Deen, te gevaarlijk momenteel. Doe mij maar een Zweed of een Fin, ene Sven Svensson of Petri Kupiainen."

"Murat Tarmak lijkt mij leuker. Nemen we hem of niet?"

"Wat wordt zijn functie in het verhaal?"

"Functie? Sinds wanneer maken wij ons druk om de functionaliteit van een personage? Hij komt, doet zijn ding en wordt weer afgevoerd, c'est simple comme bonjour."

"Je weet dat ik moeilijk afscheid kan nemen van personages. Ik kan nog altijd niet geloven dat die aardige mevrouw van de Dienst voor Arbeidsgeneeskunde is vermoord."

"En dat wij de mogelijke dader zijn, ha, hoe komen we erbij?"

"En Ciske, wie weet loopt hij wel in zijn ongeluk."

"Een ongeluk rattenval genaamd of pesticide."

"Ach, doe niet zo cynisch. Ik wil dat dit verhaal een positieve wending neemt. Geen cynisme, geen scheldwoorden, geen slap gezeik, geen seks of geweld, iets Disney-achtigs. Kunnen wij dat?"

"Een sprekend hertenjong met een vlinder op zijn snoet of een kabouter met een dikke neus is snel gecreëerd."

"Neen, geen kabouter, beetje cliché… Zeg?"

"Ja, wat is er."

"Hoe heet die kabouter ook weer in dat boek van Ingmar Heytze?"

"Ik ben er voor niemand?"

"Ja."

"Zou ik even moeten opzoeken. Dat is nu van geen tel. Allez, knopen doorhakken. Murat Tarmak, nemen of niet?"

"Ik wil hem wel een kans geven."

"O.K. Murat Tarmak, 39 jaar, geboren in Belgrado, draagt altijd zwarte kleren. Heeft zijn straf uitgezeten, roofmoord, drugs, pooierschap, harde jongen, maar heeft ook een zachte kant. Houdt van Disney-films, maar niet met kabouters."

(wordt vervolgd)

17:43 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

20-02-06

HET MEDISCH ONDERZOEK (5)

 

Mijn cel is kaal maar proper. Ik weet niet wat mij precies ten laste wordt gelegd. Het is te zeggen: ik weet het eigenlijk wel. De verpleegster van de Dienst voor Arbeidsgeneeskunde en mijn twee buren in het ziekenhuis werden om het leven gebracht en overal, werkelijk overal zijn mijn vingerafdrukken teruggevonden. En dat terwijl ik pertinent zeker weet dat ik het niet gedaan heb. Leiden mijn vingers een eigen leven? Heeft iemand mijn vingerafdrukken gekopieerd? Zal ik dit verhaal de magisch-realistische toer laten opgaan?

 

Toen ik nog een kind was, beleefde de kunststroming die het magisch-realisme werd genoemd haar hoogtepunt of de naweeën daarvan. In Vlaanderen toch, onze noorderburen waren niet zo dol op die hocus pocus. Elk leerboek Nederlandse taal bevatte van die verhalen die op een gegeven moment geheel de mist ingingen. Verhaaltjes zoals ik ze tegenwoordig wel eens durf schrijven, maar dan saai en zoutloos. Magisch-realisme, djiezes, hoe heeft het ooit iets kunnen voorstellen? Hoe heette die hopman van het magisch-realisme ook alweer? Daisne. Juist ja, Johan Daisne. Wie kent niet zijn grimmig pamflet tegen de hippiecultuur getiteld 'De man die zijn haar kort liet knippen'? In dat visionaire meesterwerk rookt een hippie een joint van slechte makelij (pagina 7) waarna zijn ziel hemelwaarts zweeft (pagina 8). Daar aangekomen staat Sint-Pieter hem op te wachten met een grote heggenschaar in zijn handen (pagina 10). Knip knip doet Sint-Pieter en de lange lokken van hippiemans dwarrelen ter aarde (pagina 12). Gelukkig heeft alleen het lichaam beharing en niet de ziel. Geen man overboord dus. In een halfslaap verzonken mijmert onze peacebrother hier een wijle over (pagina 14 tot pagina 253) waarna hij op pagina 254 stikt in zijn eigen braaksel. Wat is er immers gebeurd? Die dag heeft onze vriend omstreeks vier uur in de namiddag bij wijze van ontbijt een stukje bedorven spacecake genuttigd. Dat in combinatie met het onkoosjere rokertje blijkt fataal te zijn. Via het vagevuur komt de hippie in de hel terecht waar mannen wél lang haar mogen dragen. Eind goed, al goed, want op de laatste pagina besluit Daisne zijn fantastische roman met de mysterieuze doch hoopvolle woorden 'Komaan boreling, licht mijn vuurtje. Komaan, boreling, licht mijn vuurtje.' Vertaal dit in het Engels en u weet meteen waar de Doors hun mosterd haalden.

 

Enkele jaren later verscheen van dezelfde auteur 'De trein der traagheid', een al even profetische bestseller over de nakende structurele problemen bij de NMBS. Een trein vertrekt op een mistige morgen in het unheimisch idyllische plaatsje A (pagina 7) op weg naar het stadje C. Na vele honderden kilometers sporen valt de trein stil in het boerengat B (pagina 8). Alras blijkt het om een technisch euvel te gaan (pagina 177). De stoomfluit doet het niet meer en de machinist weigert verder te rijden. Belachelijk, denkt u, maar hoedt u voor voorbarige conclusies. U moet rekenen dat de ijzerweg in die tijd nog in zijn kinderschoenen stond. Bewaakte overwegen waren er niet, onbewaakte overwegen evenmin. Overstekend vee des te meer. En niet te vergeten… de struikrovers in de bosjes. Hier maakt de schrijver volgens mij een foutje, dacht ik aanvankelijk, want het leek mij nogal onrealistisch dat benden onvervaarde struikrovers zich door een stoomfluit laten afschrikken. Hoe kortzichtig en zelfingenomen van mij om te twijfelen aan het métier van Daisne. Stom stom, hoezeer schaamde ik mezelf… want vergeet niet dat we hier te maken hebben met het opus magnum van de Grote Manitoe van het magisch-realisme . Die stoomfluit is dus niet zomaar een stoomfluit, maar een magische stoomfluit. Dat staat er niet, en er wordt nergens allusie op gemaakt, maar ook dat maakte deel uit van het magisch-realisme, er zelf van alles bij bedenken. Evengoed zou je kunnen veronderstellen dat die machinist een schijtlaars is. Of dat die struikrovers leiden aan stoomfluitallergie, of dat ze vrezen dat ineens Sint-Pieter met zijn heggenschaar uit die trein springt. Maar dat ware dan weer te weinig magisch en te veel realistisch. Vergeet bij het lezen van Johan Daisne nooit dat in het magisch-realisme the sky niet the limit is maar only just the beginning.

 

Een tweede exponent van deze kunststroming die Vlaanderen definitief op de wereldkaart zette is Hubert Lampo. Ook over hem valt er heel wat te zeggen. Hij werd geboren in 1920 te Antwerpen.

 

Tot zover deze verhelderende retrospectieve op een der belangrijkste literaire hausses die Vlaanderen ooit gekend heeft.

 

Hier zit ik op mijn brits, een mens alleen met zijn gedachten. Mijn cel is kaal maar proper. Ik weet niet wat mij precies ten laste wordt gelegd. Het is te zeggen: ik weet het eigenlijk wel. De verpleegster van de Dienst voor Arbeidsgeneeskunde en mijn twee buren in het ziekenhuis werden om het leven gebracht en overal, werkelijk overal zijn mijn vingerafdrukken teruggevonden.

 

(wordt vervolgd)

12:38 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

16-02-06

HET MEDISCH ONDERZOEK (4)

Commissaris Callewaert zit achter zijn bureau. Hij maakt een warrige indruk en heeft grote paarse wallen onder zijn ogen. Niettegenstaande er op de glazen toegangsdeur tot het politiecommissariaat een grote sticker hangt met het opschrift ‘Dit is een rookvrij gebouw’ bungelt er een brandend sigaartje aan zijn onderlip. Af en toe neemt hij die uit zijn mond om uit een mok een teug koffie te slurpen. Op het bureaublad tal van vieze bruine vlekken. Callewaert heeft vettig haar, een stoppelbaard en bretellen. Een flik uit een televisieserie. Alleen de holster met pistool onder zijn oksel ontbreekt. Hij wijst naar de stoel aan de ander kant van zijn bureau, dooft het sigaartje in de zware glazen asbak van een al lang vergaan biermerk, leunt achterover en legt zijn handen in zijn nek.

"Volgende week is mijn vrouw jarig en ik heb nog geen geschenk voor haar. Meer zelfs, ik heb nog geen flauw idee wat ik voor haar zal kopen? Heb jij soms een tip? Jij ziet er mij het type man uit dat perfect weet wat een vrouw wil."

De politie, mijn vriend, al goed en wel, maar deze directheid en dat getutoyeer bevallen me niet echt. Maar ik ben op alles voorbereid en alles betekent inclusief vragen als deze. Het antwoord ligt dan ook op mijn lippen klaar.

"Ik weet het niet, commissaris."

"Aha! Bingo!" Hij veert recht, valt weer in zijn stoel en buigt zich vervolgens zo ver voorover dat ik zijn vieze adem kan ruiken.

"Ik weet het niet is het standaardantwoord van de misdadiger, mijnheer Hoorne. Ook dát wist jij natuurlijk niet, maar ik toevallig wel, want ík ben hier de flik en niet jij, anders zat ik nu op jouw stoel en jij op de mijne, en stelde jij mij die vraag, maar de kans dat ik ‘ik weet het niet, commissaris’ had geantwoord, is onbestaande, want ik ben geen crimineel, laat staan een moordenaar."

Hij richt een priemende vinger op mijn borstkas.

"Weet je, ik had hier ooit iemand net zoals jij. Brave burgerman, blanco strafblad, de onschuld in persoon, Mister Nice Guy. Op elke vraag die ik stelde, antwoordde hij met 'ik weet het niet'. Hoe is jouw naam? Ik weet het niet. Waar woon je? Ik weet het niet. Welk resultaat heeft Club Brugge dit weekend gespeeld en tegen wie? Ik weet het niet. Wat is de vierkantswortel van 1681? Ik weet het niet. Hoe maak je béarnaisesaus? Ik weet het niet… Gelijk wat ik die man vroeg, steeds antwoordde hij met 'ik weet het niet'. Achteraf bleek dat we te maken hadden met Christophe Caluwé, alias de Koppensneller van Koekelare."

Een siddering rolt over mijn rug. "Heeft u de Koppensneller van Koekelare gevat, commissaris?"

Commissaris Callewaert glundert. Hij trekt aan zijn bretellen en laat ze tegen zijn borstkas knallen. Ik interpreteer dit als een teken van fier zijn op zichzelf. Ineens weet ik waarom heel wat mannen geen greintje vreugde meer uitstralen. Er worden geen bretellen meer gedragen.

"Zelfde verhaal met de Hoofdenhakker van Hooglede, de Slachter van Slijpe en de Uitbeender van Uitkerke, allemaal meesters in het ignoreren. Niets wisten ze... correctie, ze zeiden dat ze niks wisten, maar wel allemaal schuldig. Als iemand meteen bekent, mijnheer Hoorne, heb ik maar één zorg, en dat is die gast zo snel mogelijk weer buiten krijgen. Meestal zijn het mannen op zoek naar een goed gesprek. Een kaartje van de psycholoog in hun pollen of een stadsplan waarop ik de hoerenbuurt omcirkel, een schop onder hun gat en hup, buiten die janetten! Eén keer hadden we hier een mafkees die in geuren en kleuren vertelde hoe hij zijn buurvrouw had omgebracht. En zich maar uitsloven om ons dat te doen geloven… lachen dat we gedaan hebben, mijn collega en ik. Op een gegeven moment rolden we over de vloer van de pret. Die vent maakte zich kwaad en legde ineens een bebloed keukenmes op mijn bureau met de woorden 'Ziehier het corpus delicti'. Corpus delicti, haha, heb je het ooit zo zout gevreten? O, wat deed mijn buik pijn van het gieren, ik heb in jaren niet meer zo'n lol gehad. Achteraf bleek ik het bij het rechte eind te hebben. De man bleek geheel onschuldig en had het hele verhaal van a tot z verzonnen. Bedelen om aandacht, zielig, vind je niet? En op zo'n manier. Een half telefoonboek vol met hulplijnen en nummers van praatgroepen en therapeuten, maar ze moeten per se de politie lastigvallen met hun pathetische praatjes. Enfin, weet je wie het gedaan had?"

"Euh… de buurman… ik bedoel de echtgenoot van het slachtoffer?"

"Fout. Het was het werk van de Wreedaard uit Vrasene, een keurige bankbediende die zelfs op de vraag 'wat zijn de huidige rentetarieven voor een hypothecaire lening' antwoordde met 'ik weet het niet'. Tja, dan weet je het wel."

Ik denk aan de titel van dit verhaal, Het Medisch Onderzoek, en hoe ver we daarvan zijn afgedwaald. Zal commissaris Callewaert straks in mijn aars op zoek gaan naar drugs? Word ik gemarteld? Ik huiver en troost mezelf met de gedachte dat daar niks medisch aan is en in dit verhaal niets ter zake doet, maar toch moet ik samen met u vaststellen dat dit verhaal aan een niet vooraf in te schatten wildgroei is begonnen. Hoorne, jij met je ik-verhalen altijd. In de derde persoon kon toch ook. Creëer een personage en noem het Jan Snot of Piet Snot en je bent van een hoop ellende verlost. Als je dan toch zo graag de hoofdrol speelt, was dan acteur geworden. Of paus. Of zanger van U2. In elk geval... this is another fine mess you’ve gotten me into.

"Je hebt nog bijna niks gezegd en je bent er toch al in geslaagd jezelf erin te praten, Hoorne. Haha, sucker! Die moderne politietechnieken zijn een zegen voor de hedendaagse misdaadbestrijding. Waar is de tijd van de nachtenlange ondervragingen… Good cop, bad cop, een spot in je gezicht. Enfin, voor ik nostalgisch word… ik lees even jouw rechten voor... ahum… you have the right to remain silent en je mag één telefoontje doen. Mag ik Pizza Palace Take Away aanbevelen, ik trakteer, 't is te zeggen, de Belgische Staat trakteert, en als je het ooit tot de elektrische stoel schopt, mag je nog eens eten op kosten van de overheid, maar dat zal dan wel in een ander apenland moeten zijn, waar de doodstraf wel nog bestaat. Pizza Palace Take Away, 056 218734."

Commissaris Callewaert draait zijn telefoontoestel naar me toe.

"Vraag naar Luigi en zeg dat het voor Germain is, dan zet hij zijn snelste brommerke in, want terwijl wij hier zitten te eten, blijven de criminelen daarbuiten maar bezig. We kunnen slechts één ding hopen, en dat is dat ook criminelen wel eens een koffiebreak, lunchpauze of snipperdag nemen. Voor mij ene met ham, tomaten en knoflook, neen, doe maar twee met ham, tomaten en knoflook. Ik heb honger als een politiepaard."

De wereld is gek geworden. Vandaag is het duidelijk, de wereld is waarlijk gek geworden, of is het altijd al zo geweest? Toen ik nog een kind was, dacht ik dat alles klopte en in elkaar klikte als een autogordel, maar dat ik nog te klein was om al dat grootse te begrijpen, een beetje zoals een legpuzzel met heel veel stukjes. Zo'n puzzel bevatte altijd een moeilijk gedeelte. De hemel bijvoorbeeld. Wolken. Lucht. Moeilijk, jong, moeilijk. Dan kieperde je al die stukjes op tafel, er voorzichtig zorg voor dragend dat er geen op de grond vielen. De lichtblauwe moesten bovenaan, dat wist je wel. Wolken, lucht, flauw zonnetje, bijna onzichtbaar vogeltje. De overige twee derden van het plaatje waren donker en somber. Daar was de actie, daar gebeurde van alles, fluitje van een cent. Maar die hemel! Hemel, er was zoveel hemel! Die stukjes leken zo verdomd goed op elkaar, maar hadden toch allemaal hun eigen onverwisselbare plekje. Tegen de tijd dat ik twintig ben heb ik mijn levenspuzzel helemaal gelegd, dacht ik, dan zal ik alles weten, gedaan met de twijfel en vertwijfeling... Dream on, dude. Vandaag zit ik plat op mijn gat in een gebombardeerde speelgoedwinkel vlakbij het rek waar daarnet nog de puzzels lagen. Jigsaw, Jumbo, Ravensburger… ik verdrink in de puzzelstukjes. Wat een chaos, wat een miserie, wat een onoverzichtelijke troep.

De commissaris rukt nijdig aan de telefoon, tikt een nummer en bestelt zijn maal. Daarna tikt hij nog een nummer. "Kom hem maar halen," zegt hij, "ik ben klaar."

 

(wordt vervolgd)

13:32 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

11-02-06

HET MEDISCH ONDERZOEK (3)

Als ik ontwaak, blijk ik mij – o surprise surprise – in een ziekenhuis te bevinden. Waarom worden mensen die buiten bewustzijn geraken altijd naar een ziekenhuis en niet naar een kroeg, pretpark of bordeel gebracht? Overal wit: witte muren, witte stoelen, witte tafel, witte apparatuur, witte rozen, witte Cliniclown… Witte Cliniclown?? Hoort die niet thuis op de kinderkankerafdeling?

"Gegroet," zegt de Cliniclown, "ik ben dokter Adriaens."

Dokter Adriaens heeft een varkensneus en boven zijn oren lichtgrijze bossen kroeshaar als ragebollen zo groot. Bovenaan glimmend kaal. Hij draagt een pofbroek en schoenen waarvan de punten omhoog krullen tot bijna tegen de zoom van zijn schort.

"Zo zo…" zegt hij en hij kijkt me indringend aan.

Nu behoor ik een paniekerig gezicht te trekken en te stamelen: waar… ben… ik… ? hoe… gaat het… met me… dokter? Net alsof die dat weet. Waar ik ben wel, hoop ik, maar hoe het met me gaat, afwachten maar. Ik besluit te zwijgen en de dokter aan het woord te laten. Geen insinuerende vragen stellen. Trouwens, nog altijd geloof ik niet echt dat deze Bassie Bleekscheet een arts is. Wacht, ik zal die knakker even aan een kleine test onderwerpen. Na twintig jaar mijn boterham te hebben verdiend in het ziekenfonds, kan ik qua medische lulpraat aardig mijn streng trekken.

"Geef mij eens een synoniem voor het specialisme dat zich bezighoudt met de aandoeningen van neus, keel en oren?" gebied ik hem.

"Otorinolaryngologie. Hoezo?" giechelt hij verbaasd.

Wel wel, een clown die gestudeerd heeft, kijk eens aan.

"Wat is een myomectomie?"

"Een operatieve verwijdering van een myoom van de baarmoeder, hahaha, man toch, waarom wil jij dat allemaal weten? Met jouw baarmoeder is heus alles in orde hoor, want je hebt er geen, hahaha."

Dokter Adriaens heeft een reuzenlol. Hij kletst op zijn dijen van plezier. (Vraagje aan steller dezes: dijen van plezier, wa’s da voor iet?)

"De meeste patiënten willen meteen weten wat er met hen schort, maar jij steekt van wal met een medische quiz, het is eens wat anders… haha… enfin, ter zake, elke dag om acht uur op Canvas, hahaha… ik zal eerlijk met u zijn, mijnheer euh…" Hij kijkt in zijn ordner.

"Hoorne," zeg ik.

"Juist ja, Hoorne. Hoor eens, Hoorne, hahaha, u heeft geluk gehad, vriend."

Dit is het moment waarop zelfs de meest koelbloedige patiënt breekt en de dokter om een stand van zaken smeekt. Maar ik blijf ijzig kalm. Ik heb tijdens het voltrekken van het hierboven beschreven tafereeltje al mijn ledematen een na een lichtjes bewogen, en ik voel niet de minste pijn.

"Ja ja, u heeft waarlijk geluk gehad," herhaalt hij. "In de belendende kamers 203 en 207 zijn vannacht twee moorden gepleegd. U heeft wel een hele goede… euh… engelbewaarder. U zou zich natuurlijk ook… haha… verongelijkt… ha… kunnen voelen… hahaha... omdat de moordenaar u niet … hoho… de moeite waard vond, mijnheer Hoorne. Hahahahahaha!"

Het gebulder van dokter Adriaens werkt zo aanstekelijk dat ik lachtranen moet onderdrukken. Edoch, er valt hier helemaal niks te lachen. Deze pipo scheurt straks in zijn Porsche naar de tennis-, bridge- of golfclub, maar ik, ik lig hier toch maar mooi in het ziekenhuis, diagnose vooralsnog onbekend, en nu zou ik hoera moeten roepen omdat ik nog leef?

Het verhaal van de dubbele moord geeft mij een onbehaaglijk gevoel, maar ik weiger het te geloven. Men heeft mij gewoon per vergissing naar een psychiatrisch ziekenhuis gebracht in plaats van naar een algemeen ziekenhuis, en nu ben ik in een gesprek gewikkeld met de patiënt die iedereen hier kent als Dokter Kwak, de beste vriend van Napoleon. Als er werkelijk mensen zijn vermoord, waarom hoor ik dan geen politiemannen op de gang, sirenes, gegil, huilende familieleden, het geritsel van lijkzakken. En waarom word ik, als mogelijke kroongetuige of verdachte, niet ondervraagd?

"O ja, de commissaris vroeg uw naam en adres. Niet dat ik denk dat hij met u wil daten, haha, hij zag er maar een ietsepietsie homofiel uit, hihi, ik wist niet dat de nieuwe politieuniformen roze waren, hahaha. Maar goed, alle gekheid op een beenprothese, laten we het even over u hebben, die dooien komen heus wel goed terecht, hahaha. U heeft tonnen geluk gehad, mijnheer Hoorne. Ten gevolge van uw accidentje zijn uw… haha… patatjes… en uw Willy Wortel… hoho… een beetje gezwollen, maar dat komt allemaal wel weer dik in orde. Het had erger kunnen zijn. Maar medisch en statistisch gezien moet ik u toch verbieden om de komende twee à drie weken … euh… hahaha… gemiddeld 2,7 maal per week Grieks-Romeins te worstelen… hihi… maar… en u heeft nog meer chance… in werkelijkheid zal die 2,7 keer slechts…."

"… 0,7 keer bedragen," vul ik aan.

"Euh… neen, 0,73… u vergeet… laat maar zitten… hahaha… het zijn niet mijn zaken wat u al dan niet uitvreet in uw vrije tijd, zolang u hier maar uw handen onder de lakens houdt, hahaha. In elk geval, deze jongen moet er vandoor. Vermits ik vandaag twee patiënten minder moet bezoeken, heb ik eindelijk weer eens tijd om te gaan golfen. Ik moet een beetje aan mijn handicap werken. Weet je wat hier zo… haha… grappig aan is. Mijn vaste golfpartner, een ex-patiënt van mij, moet… haha… niet meer aan zijn handicap werken. En weet je waarom?"

"Betere speler dan u?" gok ik.

"Haha… bijlange niet… Michel kan nog geen ei kapotslaan. Mijn golfmaat… hahaha… zit in een karreke. Mijn eerste medische fout! Tweede Kerstdag 1989, alsof het de dag van gisteren was. Daar ben je als dokter best trots op, op je eerste medische fout. Maar het went, zoals alles in het leven. Dokters zonder medische fouten worden door hun collega's niet voor vol aanzien. Ze hebben weinig patiënten, een zee van vrije tijd, maar geen geld voor een lidkaart van de golfclub. In de hedendaagse jongerencultuur bestaat er een mooi woord voor dat slag volk: loezers. Meestal zijn ze zelf ook nog jong, onderdanig en baardloos – vooral de dokteresjes, haha – tot ze op een dag te weten komen wat ze moeten doen om erbij te horen. Allez, dit is eigenlijk niet om te lachen. Mijn verzekering heeft zwaar betaald voor Michel... en mijn premie flink verhoogd, de bloedzuigers. Ik heb hem voor zijn verjaardag een lidkaart van mijn golfclub cadeau gedaan, want weet u, ik ben nog de slechtste niet. O ja, om twee uur mag u naar huis. De hoofdverpleegster zal u een zalfke meegeven om uw klokkenspel mee op te blinken... haha. Als er binnenkort ergens een anonieme flasher opduikt, dan weet ik dat u het bent. Hahaha. Flashen, je weet wel, heeft u hem… hahahaha?"

Dokter Kwak zal zich ooit nog doodlachen, tenzij ik hem hier nu stante pede vermoord, verdomme! Schrijver van dit verhaal, voer dit personage af a.u.b. en laat het nooit meer terugkomen.

"Prettige dag, verder, mijnheer Hoorne. Controleraadpleging over twee weken. Hier heb je mijn kaartje. Bel mijn secretaresse om een afspraak te maken, of maak er straks één voor u vertrekt, dan moet u er niet meer aan denken. Behalve over twee weken natuurlijk, hahaha."

 

(wordt vervolgd)

14:51 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

08-02-06

HET MEDISCH ONDERZOEK (2)

Ik blaas een mooie curve en voor de rest gebeurt er niks, of wat had u gedacht? Er gebeurt nooit eens iets wat het daglicht mag zien. Nog voor de prik de angel uit een verhaal halen, daarin wil ik mij bekwamen. Is het niet helemaal gelijk het leven zelve? Maar dan wel tienduizend keer minder opwindend. Hoe leit dit kindeken hier in de kou! Ziet eens hoe alle ledekens beven, ziet eens hoe dat het weent en krijt van rouw! Na, na, na, na, na, na, Kindeken teer, ei, zwijg toch stil sus, sus, en krijt niet meer... Is it my imagination or have I finally found something worth living for? I was looking for some action, but all I found was cigarettes and alcohol… Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw, de hemel en de aarde. Maal twee. En zo kun je een verhaal vollullen met flarden lyrics en allerlei flauwekul, en iedereen zal het merken.

 

Wat ik geblazen heb, mag er warempel wezen. Op het einde heb ik niet echt meer doorgedouwd – ik ben geen uitslover – en dat tekent zich duidelijk af op het grafiekje. Duikelend naar de x-as verdwijnt mijn ademtocht onder de lijn voorstellende het spirografische kunnen van de gemiddelde man van 41. Wie is die gemiddelde man van 41, vraag ik me af. Ik vraag het aan mevrouw de verpleegkundige. Weet zij het antwoord? Dat weet ze.

 

"De gemiddelde man van 41 – laten we ons voor het gemak beperken tot Vlaanderen – is voor 77% gehuwd en heeft 2,13 kinderen. Hij doet het naar eigen zeggen 2,7 maal per week met zijn eigen vrouw en 0 maal per week met andere vrouwen. Wishful thinking. In werkelijkheid bedragen die cijfers 0,7 en 0,03. Hij heeft 0,5 huisdier, in de helft van de gevallen is dat een hond. Eén man op vier heeft dus een hond. Dat gelooft toch geen kat, en terecht, want in de meest recente audit is een fout geslopen. De enquêteurs hebben namelijk de schapen, gehouden door bijna uitsluitend allochtone mannen, als hond meegeteld, een blunder van formaat die het Nationaal Instituut voor Statistiek handig heeft weten te maskeren. All well that ends well, denkt een mens dan, maar de DVH – de Dienst voor Hondenbelasting – krijgt, zich baserend op foute statistieken, ineens het akelige vermoeden dat er out there een pak zwarte honden rondlopen, en werft een batterij extra controleurs aan. Waarmee worden die mensen betaald, denkt u, mijnheer Hoorne?"

"Met mijn en uw geld, zuster."

"Exact. Het contrast met de cijfers van de vorige jaren is des te extremer omdat vroeger een poedel wel eens voor een schaap werd gehouden en dus abusievelijk niet geteld. Eén van de voornaamste directieven bij de laatste registratie luidde dan ook: een poedel die op een schaap gelijkt, is en blijft een poedel! En wat denkt u was het gevolg van die richtlijn, mijnheer Hoorne?"

"Overijverige ambtenaren die opeens overal poedels zien?"

"Correct! Overijverige ambtenaren die tot hun verbazing constateren dat ineens heel veel allochtonen zich een poedel hebben aangeschaft. De sociale en culturele integratie komt eindelijk op gang, want onze allochtone medemens schaft steeds vaker typisch westerse huisdieren aan, jubelde de directeur-generaal van het N.I.S. tijdens zijn nieuwjaarsspeech, de stomme kloot."

"Missen is menselijk en mensen zijn misselijk," opper ik.

"Uw mening, maar die vroeg ik niet. De mijne is dat ik niet goed word van dat soort dwaze vergissingen. Soit, we dwalen af… Wat valt er nog te zeggen over de gemiddelde man? Wel, hij scheert zich om de 35 uur en kamt precies één maal per dag zijn haar. Andere cijfers over de persoonlijke hygiëne van de man zijn uit het rapport weggelaten wegens te gênant. De gemiddelde man slaat 3 keer per jaar zijn vrouw, maar wordt zelf 4,4 keer door zijn eega in elkaar getimmerd. SM, spanking en andere potige perversiteiten met wederzijdse toestemming behoren niet tot het onderzoeksdomein, maar partnergeweld, het blijft een groot taboe in onze…"

"Ja ja, 't is al goed," zeg ik. "Qua informatie over de gemiddelde man kan dat volstaan, informatie waar ik niks aan heb overigens, want ik ben wie ik ben en niet van plan om op mijn leeftijd nog te veranderen, zeker niet richting middelmaat."

"That's the spirit, mijnheer Hoorne."

"You name it, sister. I heard it through the grapevine. Oe oe oe oerend hard kwamen zie doar angescheurd. Don't call us, we call you. En als we dood zijn, groeit er gras op onzen buik. Vooruit met de geit, wat is het volgende onderdeel in deze medische tienkamp?" Ik begin me verdorie aardig op mijn gemak te voelen bij deze griet. Ze heeft de uitstraling van een wormstekige sperzieboon. Allicht daarom. Ik wil niks voor deze vrouw betekenen en zij laat mij zo koud als een frigide eskimotinnetje op vakantie aan de Zuidpool.

"O, u heeft nog niet geplast," roept ze uit. "Hier, een plastic bekertje. Niet vol graag, een klein halfje volstaat. Het toilet is achter dat gordijn." Ze wijst naar… o opperste non-consternatie... een gordijn.

Ik heb daarnet nog maar geplast, maar ik ben een zeiker en schijter eerste klas, en dat komt me dit keer goed van pas.

"Zal ik in een tweede potje nog een drolletje draaien, zuster, of is de arbeidsgeneeskunde niet geïnteresseerd in mijn faeces?"

Haar telefoon rinkelt, ze antwoordt niet en schudt het hoofd. Deze dingen gebeuren op hetzelfde moment, maar wel in die volgorde.

 

Ik glijd langs het gordijn het plashokje binnen en wat ik daar zie slaat mij met verstomming. Achter het gordijn staat een levend wezen van op het eerste zicht onbestemd geslacht. Het heeft in zijn handen een baseballknuppel met daarop in grote letters het woord VERSTOMMING. Het heft de knuppel en mept mij keihard in de onderbuik. Het wordt me antraciet voor de ogen, en met 'het' bedoel ik dit keer niet het wezen maar gewoon het lidwoord, moet ik hier echt alles gaan uitleggen, u die deze weblog al langer bezoekt, weet toch wat ik bedoel, wij kennen elkaar toch door en door, of niet? Ik moet mijn explicatie staken want het antraciet is inmiddels gitzwart geworden. Ik zie minaretten, ik zie de Chinese Muur, ik zie een brandende Deense vlag, ik zie Japanners die in een metrostel worden geduwd, ik zie een kangoeroe die uit de buidel van een andere kangoeroe een geldbeugel pikt… dit alles maakt me duidelijk dat ik geheel en al buiten westen ben.

 

(wordt vervolgd)

16:52 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

06-02-06

HET MEDISCH ONDERZOEK (1)

‘Leven jouw ouders nog?’

‘Ja.’

‘Is jouw vader gezond?’

‘Ja.’

‘Moeder gezond?’

‘Ja.’

‘Zijn jouw kinderen gezond?’

Ik grom instemmend.

‘Hond?’

Grom grom.

‘Kat?’

‘Yep, alle vier.’

‘Parkiet?’

‘Neen.’

‘Hoezo neen? De vorige keer nog wel.’

‘De parkiet is uit zijn kooi gevallen en één van de katten heeft hem opgegeten.’

‘Kunnen parkieten niet vliegen dan?’

Ik slaak een verveelde zucht, verrast als ik ben door de spottende toon die ze aanslaat.

‘Tiger had een zwak pootje.’

‘So what? Vliegen doe je toch met vleugels.’

Wat is me dat voor takkenwijf, zeg? Weer zo'n kittelorige vraag, en wat heeft wijlen Tiger te maken met mijn gezondheid.

‘Goed, mijnheer Hoorne,’ zegt ze alsof ze mijn gedachten leest, ‘de omstandigheden waarin uw parkiet naar de big birdcage in the sky is vertrokken doen eigenlijk niks ter zake. We gaan de ogentest doen.’

Big birdcage in the sky? Zei ze dat echt? Of liet ze eigenlijk een langgerekte boer gevolgd door een pijnkreetje? Bibburbeiiiib aaai?

De ogentest verloopt vlekkeloos. Alle kaartjes die ze in de kijker schuift zijn dezelfde. Op de duur weet ik met mijn ogen dicht of het ringetje een opening heeft aan de boven-, onder-, linker- of rechterzijde.

 

Deel één van de gehoortest loopt eveneens prima. Ze verstuurt de tonen met een tussenpauze van ongeveer drie seconden. Het enige wat je eigenlijk moet kunnen om goed te horen is tot drie tellen. Eén, twee, drie, JA! Eén, twee, drie, JA! En als ik niks hoor, weet ik stellig dat er toch iets moet zijn. JA!

Omdat ik veel last ondervind bij een conversatie met achtergrondrumoer, worden mijn oren aan een bijkomende proef onderworpen. De verpleegster neemt plaats in het belendende lokaal. We zitten nu aan weerszijden van een groot raam. Door een microfoon beveelt ze me om de hoofdtelefoon op te zetten. De woorden die ze mij voorzegt, moet ik nazeggen. Eerst éénlettergrepige, vervolgens tweelettergrepige. Onder het spreken neemt ze driftig notities en corrigeert mij waar nodig. Dat hoeft slechts één keer. Ik zeg bloedbad in de plaats van bloedvat en we moeten daar allebei om lachen. Ik hard en uitbundig omdat ik bloedbad in de context van deze test toch al een raar woord vond, zij ingetogen omdat ze niet de schijn wil wekken mij uit te lachen. Lach dan, aangeklede bezemsteel, denk ik. Het mag, hoor, want dit is best grappig.

 

Volgt de blaasproef ofte spirografie. Wat zal ze nu weer uitkramen? The old grey whistle test? Iets met blowjob? Ik kijk naar het stuk antiek voor mij en grinnik. Dit mens met haar bilaterale hazenlip zou zelfs uit een blokfluit nog geen noot muziek kunnen wringen, laat staan uit…

‘Sta recht, mijnheer Hoorne', zegt ze, ‘en get ready for the blowjob.’

Ik verslik me in mijn speeksel en schiet in een onbedwingbare hoestbui.

 

(wordt vervolgd)

19:31 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |