13-04-06

OPEN BRIEF AAN KEES VAN KOOTEN EN GERRIT KOMRIJ (deel 2)

Op dat onzalige moment passeerde de werkman langs mijn bureau – het hele verhaal speelt zich af op kantoor, want zoals u weet, beste Gerrit, of niet weet, geachte heer van Kooten, heb ik naast mijn geprul in de schrijverij (ja, zo denk ik er wel eens over in mijn meest sombere buien) nog een voltijdse baan, want de vrouw en de kinderen moeten eten, om van mezelf nog maar te zwijgen, en die kinderen van mij, ziet u, worden alsmaar groter; u kent dat wel, mijnheer Koot, kleine kinderen, kleine zorgen, grote kinderen, grote zorgen, en hoe ouder ze worden, hoe duurder het allemaal wordt; net als u heb ik een dochter en een zoon, in die volgorde, en die dochter van mij heeft een gat in alle twee haar handen, enfin, laten wij niet van de kwestie afwijken en ons tot één droefenis beperken. Op dat tijdstip dus, laat in de middag van de vierde april des jaren 2006 loopt de onderhoudsman, Kristof is zijn naam, voorbij mijn bureau met in zijn handen een grote kartonnen doos. Ik lees het opschrift en weet dat het zover is. Een lamlendige gelatenheid overweldigt mij, want dit is de trieste finale van een reeks gebeurtenissen die zich de voorbije weken heeft voltrokken. Kristof brengt de doos naar het kleinste kamertje, gaat er meteen weer vandoor (zonder doos) en keert luttele ogenblikken later terug met zijn materiaalkoffer, een grote bak op wieltjes. Het wordt mij even zwaar te moede, want ik mag enkele zinnen geleden wel beweerd hebben dat het zover was, nu was het wérkelijk zover. Zolang het monster zich in de doos bevond, was er nog hoop, maar nu er een alaambak bij te pas komt, waar zich ongetwijfeld een boor, schroeven met passende pluggen en een schroevendraaier in bevinden, is er geen weg meer terug. Het drama staat op het punt zich te voltrekken en ik kan niks doen, en zelfs als ik zou kunnen, ik mag niks doen, want alles wat gebouwen en infrastructuur aangaat, behoort niet tot mijn bevoegdheid. Als Kristof morgen een poot van mijn stoel komt zagen, zal ik mijn job verder op drie poten moeten uitoefenen en daarbij krampachtig mijn evenwicht trachten te bewaren, want evenwicht is belangrijk, vraag het maar aan een koorddanser. Ja, lach maar! Bescherming van de werknemer? Ammehoela! Vakbondsafgevaardigden? Pipo’s wier beste pak een kleurige vuilniszak is, ja! En ook al zal ik nog duizend keer kakken op mijn pot en die verdomde onderhoudsman nooit van zijn leven, mijn lot ligt volledig in zijn vuile poten. Ergens hebben directieleden, collega's en technici, die ik nog vaak in de gangen van dit immense gebouw tegen het lijf zal lopen, dit beslist. Mocht ik met absolute zekerheid weten om wie het gaat, ik zoude hen nooit meer groeten, ik zoude hen straal negeren, ik zoude hun auto- en fietsbanden luchtledig maken. Dit laatste klinkt kinderachtig, maar ik ben dan ook heel erg boos, en om een oude Zuid-Mongoolse zegswijze te parafraseren: boosheid is de kaasstolp op de rede.

 

Dit verhaal is een waar verhaal. Ik mag mij in het verleden al vaak schoner hebben voorgesteld dan ik in werkelijkheid ben, en bij nog meer gelegenheden lelijker dan ik ben – want wie wenst geliefd te worden, wenst ook haat over zich af te roepen (het is een kwestie van evenwicht, alles is een kwestie van evenwicht, vraag dat ter bevestiging nog maar eens aan een tweede koorddanser), maar dit verhaal is verdomme waar. Om dit te staven heb ik heel even overwogen om enkele foto’s te nemen van de plek des onheils, én van die kartonnen doos die daar nog altijd staat, maar dan moet ik bij mijn dochter bedelen om haar digitaal dingetje eens te gebruiken, en vast en zeker zal ze mij dit weigeren, want ze heeft het van haar eigen spaarcentjes betaald – en het zomaar uit haar kamer wegnemen vind ik maar kleintjes, zoiets doet een vader niet – en dan vraagt de vrouw wat ik van plan ben en moet ik het allemaal nog eens aan haar uitleggen, alsof u deelgenoot maken aan dit onheil nog niet genoeg is. Dit is mijn kruis en ik zal het dragen. Alleen. Ik zal mijn verhaal vertellen, aan u, en op het einde zal u zeggen ‘is het dat maar?’ en overgaan tot de orde van de dag, want u weet niet wat het is. Zo ze in Amsterdam en Portugal al van die dingen hebben, dan heeft u ze zeker niet in huis. En zo ja, stop dan maar met lezen. In dat geval heb ik mij vergist in het uitkiezen van uw schouder om op uit te huilen. Neen, u heeft de krengen niet in huis, dat weet ik haast zeker. Vooralsnog doemen ze bijna uitsluitend op in publieke plaatsen, maar er komt een tijd dat deze gedrochten de hele aarsveegsector zullen inpalmen. Zeg niet dat ik u niet gewaarschuwd heb! En met u, waarde Gerrit, geachte Kees, iedereen die over uw met mijn tranen besprenkelde schouders meeleest. Ik mag dan wel een beetje zot wezen, of een dubieuze reputatie hebben waartegen ik mij maar minnetjes verzet, als u straks met uw broek op uw enkels zit te zweten op het privaat, vervloek dan voor mijn part het hele noordelijk halfrond, maar schijt niet op de pianist (en die tikfout mag blijven staan!)

 

(wordt vervolgd)

21:25 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

De commentaren zijn gesloten.