16-04-06

HET MEDISCH ONDERZOEK (11 - SLOT)

Stilaan wil ik een einde breien aan dit verhaal dat nu al ruim 16 A4’tjes telt. Het laten doodbloeden. Geen climax. Niet spurten, maar onderweg op kousenbanden stilletjes wegrijden, dat is mijn tactiek. Je zou ervan opkijken wat je allemaal met een schoenlepel kan doen: je schoenen aantrekken, hem in je mond steken en aaaaa zeggen, hem in je mond steken en oooohh zeggen, als drumstick gebruiken om er een wijsje mee te roffelen. Laten we stilaan afronden. Eerst nog even recapituleren. Wat een onschuldig medisch onderzoek op het werk moest worden, eindigde in de gevangenis. Voilà, in één zin laat het zich samenvatten, net als het leven zelve: ik word geboren en ik ga dood. Zo eenvoudig is het allemaal. Ik ben geen nihilist, weet zelfs niet wat het betekent. Ik durf te wedden: aanhanger van het nihilisme. Ik lees in literaire teksten soms de woorden modernisme en post-modernisme. Weten jullie dat ik geen flauw benul heb wat dat precies is. Weet je, mensen bazelen maar wat, dat is het hele eieren eten. Je mag zeggen van Duran Duran wat je wilt, maar ‘Electric Barbarella’ is één van de mooiste popsongs aller tijden. Na ongeveer 2 minuten en 40 seconden komt in dat liedje een ongelooflijk schitterende passage voor, of zeggen ze dat niet van een lied, passage? Als je eenmaal getoond hebt dat je het kunt, hoef je niks meer te bewijzen. Ik heb ‘Vogeltje’ geschreven, en ‘Slotpleidooi’ en ‘Wanneer eten we nog eens aardappelpuree?’, drie van de mooiste gedichten in de Nederlandse poëzie – al is dat laatste nog ongepubliceerd – zodus, wat zou ik mij nog uitsloven? Ik heb Justine Henin’s éénhandige backhand gezien, zowel gekruist als langs de lijn, wat moet er nog meer zijn? Zand? Moet er nog zand zijn? Absoluut niet, ik heb geen zand nodig. Stop uw zand maar waar het zonlicht nooit schijnt. Vandaag is het Pasen en ik zit hier in mijn cel een beetje in mezelf te mijmeren. Uit mezelf mijmeren zou nogal silly zijn. Buiten kriekt de lente en iets verder framboost de zomer en nog een beetje verder aardbeit de winter. De seizoenen en ik zijn geen beste maatjes, elk jaar datzelfde liedje, vervelend, jong, vervelend! Ik hoop dat ik geen honderd word, maar dat is weinig waarschijnlijk. 99 is een prima leeftijd om te sterven, vraag dat maar aan… ja, aan wie eigenlijk? In de verte weerklinkt het geroep van kinderen, het getoeter van auto’s, het geroekoekoe van duiven. Ik voel daar geen enkele gedachte of emotie bij. Kan een mens gedachten voelen? Ik denk van niet. Dzjiezes, dit wordt wel een heel belabberd einde. Het gevangenisregime is niet goed voor mijn taalknobbel. Ik ben hier dan ook de enige Nederlandssprekende gedetineerde. Wie denkt dat de volgende zin zal luiden: ‘In geen tijd leerde ik hier vloeiend Turks en Marokkaans,’ heeft het verkeerd voor. En mij dan van racisme beschuldigen zeker? Hoorne blablabla stelt op zijn weblog blablabla dat de Belgische gevangenissen vol allochtonen zitten blablabla. Niet met mij, zulle. De reden dat ik na zoveel weken in het cachot nog geen Turks en Marokkaans spreek is dat ik die gasten geen ene keer heb aangesproken en zij mij niet. We moeten elkaar niet. Ieder zijn speeltuin. Ik hoorde daarnet de cipiers bezig over een jongen die in het Brussels Centraal Station door twee Afrikanen is omgebracht. Met vijf messteken. Omdat hij zijn mp3-speler niet wilde afgeven. Op een weekdag, om vier uur in de namiddag, temidden van honderden pendelaars die maar aan één ding dachten: hun trein halen. Waarom? Om naar hun lelijke huis te sporen in een lelijke stad om er een lelijke dag af te sluiten in het gezelschap van hun lelijke vrouw (man) en hun lelijke kinderen. Goed dat ik híer zit, denk ik dan. En dat het vandaag geen verkiezingen zijn. En dat ik geen mp3-speler heb. Wie wind zaait zal storm oogsten. En wie storm eet zal veel scheten laten. Ik ben moe. Ik ga op mijn brits liggen en sluit mijn ogen. En Jantje, wat zoude gij graag doen voor uwen verjaardag? Welke vriendjes gaat ge uitnodigen? Geen, mama, ik zal mij de hele dag opsluiten in mijn kamer, ik wil niemand zien. Maar jongen toch! Ja, mama, alstublieft, mama, ik zou dat heel graag doen, mama. It’s my party and I cry if I want to. Dat zegt Jantje niet, want hij is te jong om zijn gesprekken of gedachten al met Engelse quotes te doorspekken. Het is een liedje van enkele decennia geleden. It’s my party and I cry if I want to. Een schoon liedje was dat.

 

Iemand morrelt aan mijn celdeur. Ik ga rechtop zitten. De deur slaat open. In het deurgat staat Marcel, de cipier met de twee neuzen. ‘Je mag naar huis,’ zegt hij. ‘Waarom?’ vraag ik. ‘Allez,’ zegt hij, ‘je bent vrij.’ ‘Godver, Marcel, ge hebt mij wakker gemaakt, ‘k was net aan het indommelen.’ Ik ga weer liggen, Marcel verbouwereerd in de deuropening achterlatend. Jantje zit in zijn kamer. Van zijn ene oma krijgt hij een gsm en van zijn andere een mp3-speler, maar Jantje wil niet naar beneden komen. Papa staat beneden aan de trap te tieren dat hij nu meteen moet komen of dat het zijnen beste keer niet zal zijn. Jantje hoort het en glimlacht. Hij voelt zich het centrale personage in een mop die begint met ‘Jantje…’. De deur van zijn kamer is op slot.

23:09 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

De commentaren zijn gesloten.