21-09-06

ESCAPE FROM DENDERMONDE – DEEL 2: KLOTEFILM

Ik steek mijn kop naar buiten. Een horde medegevangenen stormt richting binnenkoer. Helemaal vooraan herken ik José, een bananenpeller uit Trinidad en Tobago. Het verbaast me niks dat José aan de leiding ligt. Trinidad heeft altijd al goede spurters gehad. Wisten jullie dat de Olympische kampioen van 1976 een Trinidadder was? Crawford heette de man. Ik was elf jaar oud en de Spelen in Montreal, de eerste die ik daadwerkelijk van nabij volgde, zijn mij het meest bijgebleven. Net zoals ik mij mijn eerste lief ook het best herinner. Ze droeg vaalwitte pisdoeken en in haar mond had ze altijd een roze fopspeen, die ze er alleen maar uit haalde om er legoblokjes in te stoppen (in haar mond, niet in de fopspeen) of een potje te blèren. Met de wijven niks dan last, toen al, in de knusse crèche van de lieve mevrouw A.N. Mies, een Nederlandse inwijkelinge. Aap Noot Mies heette ze voluit, geloof ik, maar daar durf ik mijn hand niet voor in het vuur te steken. Vraag mij waar en in welk jaar Fredje Deburghgraeve zijn gouden plak pakte, en ik zal het na anderhalve seconde bedenktijd zeggen. Vraag mij welke tijd Emiel Puttemans liep op de 5.000 meter in Montreal en ik zeg zonder bedenktijd 13.13 rond, een toenmalig Belgisch, misschien zelfs Europees record, dat weet ik niet helemaal zeker, een mens kan niet alles met absolute zekerheid weten. Maar vreemd toch waar diezelfde mens zoal aan denkt als zijn celdeur openklapt. Het menselijk brein, petje af voor hij die het ontworpen heeft, dergelijke techniekers maken ze tegenwoordig niet meer. Katten en oude wijn in gewone of nieuwe zakken, dat kan je heden ten dage overal in overvloed krijgen, maar kwaliteit, ho maar. Ben benieuwd wat ik zou denken als mijn deur weer dichtsloeg. Maar ze slaat niet dicht, ze blijft wijdopen staan, die gedachten zal ik dus nooit denken. Na de wedstrijd bleken Miels kleren gestolen te zijn en op weg naar het hotel kreeg de taxi motorpech. Miel besloot het laatste stuk te lopen, hij had toch zijn atletiekplunje nog aan. Verkeerde keuze. Op vijftig meter van het hotel werd hij in elkaar geslagen door een bende Canadese dikzakken. Canada is het dikste land ter wereld, ik sta elke dag voor een verscheurende keuze: diëten of emigreren naar Canada om er een onopvallend bestaan te leiden in een land met stoelen uit gewapend beton, met liften zo groot als een strafschopgebied, met vrouwen die niet constant ‘au, au’ kreunen als je tijdens het vrijen kramp in je armen krijgt en willens nillens een beetje moet doorleunen. Terwijl hij in de badkamer zijn wonden likte, kreeg hij telefoon van zijn echtgenote. Ze wilde scheiden, was al op weg naar het vliegveld, want halsoverkop verliefd geworden op een ‘snelle gast’ die ze op tv gezien had, ene Crawford uit Trinidad, die nog veel rapper kon lopen dan Miel, en met een lid tot aan zijn knieën. Wat was mevrouw Puttemans behept met een scherp opmerkingsvermogen, want we spreken hier over het tijdperk van vóór de strakke, aërodynamische pakjes. Enfin, het was Miel zijn dag niet. Of eigenlijk wel, want hij had toch maar dat record gelopen. Een beetje wel en een beetje niet, dat zou je de man zelf moeten vragen. Hangt ervan af hoeveel zijn sport voor hem betekende en hoe graag hij zijn vrouw zag. In elk geval, dat zou hem leren het getal dertien te tarten. Had hij maar beter zijn best moeten doen en een 13.12 neerzetten, de lamzak. Of 12.13, waarom niet, het waren per slot van rekening de Olympische Spelen, je kan bij zo’n speciale gelegenheid toch voor één keertje extra je best doen?

 

José raast nog steeds richting binnenkoer – het is een heel end tot buiten – met in zijn zog een bende Oost-Europeanen. Weet je wat ik een grappig toeval vind? José zit een straf uit omdat hij uit de groentewinkel van een Let twee kokosnoten stal – Raar woord hé, stal, jammer dat José geen koeien pikte, dan had de zin als volgt geluid: José zit een straf uit omdat hij in de groentewinkel van een Let twee koeien stal, hihi, koeien-stal, heeft u hem? Verkopen de groenteboeren in Letland koeien? Ik denk het niet. In de zinnen met ‘koeien stal’ had ik ‘in de groentewinkel’ moeten vervangen door iets met boerderij of slachthuis – en de Letse groenteboer die de vluchtende dief in het been schoot, zit hier ook, in dezelfde vleugel. De cellen van José en Kees liggen schuin tegenover elkaar. Gek toeval hé? Kees, hoor ik u denken, een Let die Kees heet, is dat niet wat vergezocht en tamelijk onrealistisch? Niet als u weet dat de moeder van Kees een Nederlandse is. Gerustgesteld? Dan kunnen we verder. Even overweeg ik om bij de troep aan te sluiten, maar dan bedenk ik mij. Ik houd niet van kuddegedrag, ik zal me haasten om met een zootje ongewassen dieven, moordenaars, verkrachters en ganzenbordvalsspelers de nacht in te duiken. Als ze uit het zicht verdwenen zijn, ren ik in mijn uppie naar buiten en jump over de gevangenismuur. Dit jumpen verloopt iets moeizamer dan ik het neerschrijf. In Canada zijn de muren van de gevangenissen veel lager, schijnt het. Dat weet ik van Miel Puttemans. Na het telefoontje van zijn eega dronk hij zich in de hotelbar een stuk in zijn spikes, waarna hij op de vuist ging met het Cubaanse boksteam, dat in hetzelfde hotel verbleef. Miel mocht een nachtje brommen en de Cubanen plukten ’s anderendaags de vruchten van die extra training, want ze wonnen allemaal goud, behalve de analfabete Felix ‘The Killer Cat’ Vera Cruz de la Hoya Cardinal, die de weg naar het stadion niet vond en te laat kwam voor zijn eerste kamp tegen de Fransman François ‘Le Frappeur’ Frangipane. De muur is meer dan zeven meter hoog en in de bovenste steenlaag zijn er glasscherven gemetseld. Maar het lukt me om mijn 105 kilogram zonder schrammen aan de andere kant te krijgen.

 

Daar sta ik dan, in het holst van de nacht, in gevangenisplunje aan de poort van de penitentiaire instelling te Dendermonde. Sofia zou mij moeten zien staan. Dat kan natuurlijk niet, want Sofia bestaat alleen in mijn dromen. Ik ben Vasilii Vasiliine, een eenzame Bulgaar in België. Hoe ik hier ben terechtgekomen zal u niet weten, het staat niet in het scenario. Ik heb nog minder seks dan de paus, maar wel veel praatjes. Dat is de rol die de regisseur mij heeft toebedeeld. Ik ben bij nader inzien niet bijster gelukkig met mijn casting. Het liefst zou ik hebben dat mijn personage binnen het kwartier na zijn ontsnapping ligt te vogelen, maar die rol is weggelegd voor José, de Trinidadder met de lange vingers. Wat er dan wel in het script staat dat mij aanbelangt? Wel, ik moet die muur nog eens over, terug naar mijn hok, want ineens schiet het me te binnen – ik moet dit kracht bijzetten door met de vlakke hand tegen mijn voorhoofd te slaan, acteren niveau Wittekerke dus, maar ik heb geen andere keus – dat ik overmorgen mijn volledige straf heb uitgezeten en sowieso vrij kom. Een domme Bulgaar op de koop toe. En weet je wat ik moet doen als ik over die muur terug binnen ben? Je raadt het nooit. Terug de muur over naar de straatkant en het alsnog op een rennen zetten, want de vrijheidsdrang haalt het ineens toch van mijn gezond verstand. De aanblik van mijn fictieve Sofia – dit wordt cameratechnisch gesuggereerd door een flou en getrukeerd rugbeeld van een werkloos fotomodel uit Maldegem, een nichtje van de regisseur, dat haar haar borstelt, kan het meliger? – verlamt alle rede in mij. Liever dan nog twee nachten en één luttele dag op mijn brits te liggen, ga ik op de loop met een zootje schorremorrie. Zonder een zootje schorremorrie moet dat zijn, want tegen de tijd dat ik drie keer over die zeven meter hoge muur ben geklommen, zitten die gasten al in de maïsvelden, behalve José, die opgepikt wordt door de Minister van Justitie, mevrouw Laurette Onkelinx, die toevallig voorbijrijdt en zegt dat ze hem haar lichaam aanbiedt als hij strakjes braafjes naar zijn cel terugkeert. Maar er zijn er wel dertig ontsnapt, roept José. Mevrouw de Minister glundert even in close-up. Klotefilm, ik zei het toch. Ga daarmee naar het Festival van Cannes om mee te dingen naar de Gouden Palm! Deze film is nog geen Piepschuimen Pissebloem waard. Na mijn elfde muur – ik heb af en toe een take moeten overdoen omdat er een detailke niet goed zat – sta ik uit te hijgen als een… als een… ja, als wat? Als een stomme Bulgaarse idioot die niet weet wat hij wil. In de verte hoor ik het loeien van sirenes en vlakbij fezelt een cipier in zijn gsm: “Zoeteke, strakskes kijken noar den televies, ‘k peinze dat ke deroep goan komme, d’er zin der ier a poar oentsnapt.”

 

(wordt vervolgd)

20:37 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

19-09-06

MIJN (VOORLOPIG) GELIJK

Wat ik hier enkele weken geleden schreef over Vincent Kompany lijkt zich te verwerkelijken.

Besluit: ik ben geen zwanzer, ik ben een profeet. Voor eventjes toch.

http://www.vrtnieuws.net/nieuwsnet_master/versie2/sporza/...

 

17:36 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

02-09-06

ESCAPE FROM DENDERMONDE – DEEL 1: IK ZAL HET ZEGGEN, BORIS!

De laatste tijd plaats ik hier nogal wat beeld- en geluidsmateriaal. Daar zijn velerlei redenen voor. Ten eerste was ik al langer van plan om iets te posten over muziek, vooral uit de eighties. Vandaar die videoclips. Ik selecteer ze omwille van het muzikale aspect, niet voor de clip. Het zijn schitterende songs, en in zo’n geval is een videootje niet altijd een meerwaarde. In de jaren ’80 zagen alle vrouwen eruit alsof ze een blinde kapster hadden, en de mannen als janetten. Ik voel een zekere gêne om straks een clipje van Erasure of Milli Vanilli op mijn site te gooien, maar ik heb wel meer gênante situaties overwonnen. Zo heb ik ooit eens in een overvolle lift in één van de Twin Towers in mijn broek gescheten. Iets te rijkelijk getafeld die middag, je weet wel. En als u denkt dat dit qua gêne al kan tellen, moet ik er helaas nog bij vertellen dat die lift tussen de 30ste en de 31ste  floor bleef hangen, en dat het drie uur heeft geduurd vooraleer we uit onze benarde positie werden bevrijd. Uitspraken als ‘Oh my God, perfumes nowadays are not what they used to be!’ en ‘Damn, sometimes I wish that one day Al Qaeda crashes a plane in this smelly tower’, waren niet van de lucht. Maar het is wel pure nostalgie. Die hitjes uit lang vervlogen tijden, bedoel ik.

 

Pop en rock waren prominent aanwezig tijdens mijn jeugd. Zo heeft de dochter van de buren ooit een kortstondige verhouding met Willy Sommers gehad, jawel, dé Willy Sommers van ‘Het water is veel te diep’, ‘Als een leeuw in een kooi’, ‘Marietje is een travestietje en ik pak haar bij haar pietje’ en andere megakrakers. Ze heeft daar een boek over geschreven, en ik heb er voor haar de spel- en andere taalfouten uitgevist. Het heet ‘Het ware verhaal van Isabelle X (Over mijn jaren met Willy S: vrouwenversierder, vetzakske, vorte vis)’. Een beetje een nare en ongezellige titel, vond ik, maar Isabelle deelde mijn mening geheel niet. ‘Vooreerst,’ zei ze, ‘heb je die intrigerende beginletters van onze familienamen, ook al is de mijne geen X, die X betekent dat om het even welk meisje dit in mijn plaats had kunnen meemaken, snappie? Dat moet de aandacht van het publiek toch prikkelen, of niet soms? Bovendien, de naam Sommers niet helemaal noemen geeft de subtitel een intrigerend cachet. Zou het werkelijk dé Willy zijn, vraagt de potentiële koper zich af. Verder vallen de allitererende v-woorden en het s-rijm ontzettend op, en opvallen, Philip, is volgens mij een noodzaak voor om het even welk commercieel product. Maar bovenal is het in zijn totaliteit een unieke en in het oog springende titel die beklijft, dat kan je toch niet ontkennen? Titels zijn belangrijk, je zegt het zelf altijd, dus met deze is er toch niks mis?’ Tja, daar kon ik inderdaad geen speld tussen krijgen.

 

Ik stam uit een muzikale omgeving. Mijn tante Gusta werd heel lang geleden eens opgebeld door Paul McCartney, jawel, dé Paul McCartney van ‘Twenty five hours a day’, ‘Eight days a week’, ‘Thirteen months a year’ en’ Can’t buy me love ‘cause my wallet and Viagra pills are probably still lying on the kitchen table’, maar het was niet voor haar, het was voor Yoko Ono. Wij natuurlijk allemaal curieus: ‘Wat zei hij, tante, wat zei hij?’ Wel, Paul klonk niet happy. Vrij vertaald riep hij iets in de trant van: ‘Laat John met rust, en als je nog één keer jouw loempiabakkes in de studio vertoont, schop ik je helemaal terug naar Tokio.’ Een ongemeen… euh… gemene belediging, want Yoko was een plattelandsmeisje. Yes, antwoordde tante. Yes. Dat was het enige Engels woord dat ze kende, want ze had al hun platen. Toen Rick Wakeman uit de groep stapte, vond ze Yes maar niks meer en haakte ze af.    

 

Ik had het over beeldmateriaal. Film. Ik ben dol op film. Hitchcock’s Vertigo is mijn lievelingsfilm. Ik ben al een poosje op zoek naar die film op DVD, de originele, niet-ingekleurde versie. O wat had ik graag geleefd in de tijd dat alles zwart-wit was. Nooit geen gezeur van: ‘Zeg schatteke, welke rok zallekik vandaag es aondoen? Miene rooie, miene groene, mien gele, mienen oranjen, miene purperen of miene blauwe met roze bollekes? Neen, elke vrouw had in die jaren een zwarte rok en een witte rok. Zo simpel, nog het meest van al voor de dames zelf. Moest je naar een begrafenis gaan, dan droeg je die zwarte; ging je naar het strand, dan de witte. Binnenkort speel ik zelf de hoofdrol in een docudrama over de recente ontsnapping van 28 gedetineerden uit het cachot van Dendermonde. Ik vat het vooral voor mijn Nederlandse vrienden en vriendinnen kort nog even samen. Twee gevangenen smeden plannen om te vluchten uit de gevangenis en voeren die plannen ook uit. Ze zetten alle celdeuren van hun afdeling open. 28 boeven gaan aan de haal. In werkelijkheid zijn er op vandaag 11 weer opgepakt. Die deuren opengooien was geen dwaze zet. Twee ontsnapte boeven zijn zo weer gevat, maar 28, da’s een ander paar mouwen. Vóór de politiediensten zich hebben georganiseerd, zitten ze alle 28 rond een kampvuur ergens in Australië geroosterde kangoeroefilets te eten. Soit, om een lang verhaal kort te maken, in de film speel ik de rol van Vasilii Vasiliine, niet een van de aanstokers, maar een van die 26 andere. Vasilii is een Bulgaarse, niet zo zware, jongen (105 kg droog aan de haak), gespecialiseerd in het opblazen van rotondes. Een nogal rechtlijnig type, echt een rol op mijn lijf geschreven. Ik mag nog niet al te veel onthullen, maar allez, speciaal voor jullie licht ik toch een klein tipje van de sluier.

 

Het is nacht, ik slaap in mijn cel (waar anders?) en droom. Het is een zalige droom. Ik zit op de sofa met mijn vriendin Sofia, Miss Bulgarije 2002. Haar ouders noemden haar naar haar geboortestad. Er zijn veel Sofia’s in Bulgarije, vooral in de streek van Sofia. Sofia’s vriendin Plovdiv Kramatova bijvoorbeeld heet niet Sofia omdat ze werd geboren in Boergas, een stad aan de Zwarte Zee. We zitten dus op de sofa, ik en mijn Sofia, te kijken naar het Bulgaarse Rad van Fortuin. Ik ken alle woorden zonder dat ik daar veel klinkers of medeklinkers voor nodig heb.

‘O Vasilii, wat zijde gij toch ne wijze gast,’ roept Sofia ineens uit en ze kust me in mijn nek.

Sofia is nog mooier dan een potteke verse magere yoghurt. Toch hangt er geen seks in de lucht – we hebben die dag al genoeg gevrijd, Sofia vier keer en ik zes keer – maar wel enkele donkere stapelwolken. Die wij echter niet kunnen zien, want het is al donker buiten en wij zitten lekker knusjes op de sofa te kijken naar een rosse mecanicien uit Varna die zichzelf bankroet draait. En de sofa, die staat binnen, in de woonkamer, niet buiten. 

 

Op het moment dat een leptosome huisvrouw uit Sofia, die toevallig dezelfde naam heeft als mijn vriendin, uitroept: ‘Ik zal het zeggen, Boris!’ klapt mijn celdeur open.

 

(wordt vervolgd)

11:21 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |