17-03-08

VIEZE HARRY GAAT NAAR DE BAKKER EN ANDERE REISVERHALEN (2)

(wat voorafging: euh... zie twee posts geleden)

Reisverhalen dus.

Noch mijn moeder noch mijn vader hielden van reizen, vooral mijn vader had er een hartgrondige hekel aan. Hij hield ook niet van autorijden. Toen zijn ogen verslechterden en hij weigerde een bril te dragen, vonden we die afkeer van autorijden eigenlijk nog zo erg niet. Treinen en bussen vonden mijn oudjes te ingewikkeld en vliegen associeerden ze louter met fladderende zwarte beestjes, die leefden om zo snel mogelijk gedood te worden. Ik groeide op in de jaren zeventig toen reizen populair werd bij het klootjesvolk, waar ons gezin onomstotelijk toe behoorde. Vriendjes trokken op zon-, sneeuw- of regenvakantie, al ben ik niet helemaal zeker van dat laatste, terwijl ik thuis achterbleef met niemand om mee te spelen. Ja, lezer, pinkt u gerust een traantje weg voordat u verder leest; het levenspad van deze jongen ging over rozen, maar dan wel een variëteit met flink wat doornen. Doch niet getreurd, ik verslond boeken en ontwikkelde aldus mijn grenzeloze fantasie. Ik ontwierp mijn eigen imaginaire, maar daarom niet minder wilde reisverhalen. Zo stelde ik me voor dat ik tien dagen bij de buren ging logeren. Dan stond ik ’s morgens op, stak mijn kop door het slaapkamerraam en schold mijn vader en moeder, die op onze koer bezig waren elkaar te ontluizen, de huid vol. ‘Hey, Neanderthalers, wanneer gaan jullie eens met vakantie?’ Waarop mijn vader naar boven stoof om mij een paar petsen tegen mijn kop te geven. Na verloop van tijd en onderhevig aan flink wat sociale druk, wilde mijn ma, een ordinaire huisvrouw zonder hobby’s of passies, die haar leven sleet op een stoel aan de keukentafel, ook wel eens een stukje van de wereld zien, en zo belandde ze samen met mijn zusje in de Cowboy Express.

Mijn zusje was nog piepjong en ik vijf jaar ouder toen we op een snikhete zomerdag een uitstapje maakten naar Bobbejaanland, een pretpark gelegen aan de andere kant van het land, uitgebaat door de zingende cowboy Bobbejaan Schoepen, gekend van wereldhits als ‘Ik zie zo gere m’n duivekot’, ‘Alle Pferden haben Tränen in den Augen’, ‘Café zonder bier’ en ‘Ik hou zoveel van haar… daarom laat ik het groeien’. Wie denkt dat ik die laatste titel verzin, zou zich wel eens lelijk kunnen vergissen. Op een deskundige wijze een speeltuin van die omvang bezoeken, vereist een zeker talent, het zogenaamde kermisgen. Mijn vader en mijn moeder misten dat gen, net zoals ze nog een resem andere genen mankeerden. Ze beschikten over niet het geringste talent om zich in zo’n pretpark te amuseren of te doen alsof. Dat non-talent heb ik van hen geërfd. Na drie keer het gehele park te hebben afgelopen, waagden we ons aan de monorail, die aan een slakkengangetje over het domein sukkelde. Na het ritje met de monorail bleken we alle rustige attracties gehad te hebben. Daar stonden we dan, in de brandende zon, als vier vegetariërs in een steakrestaurant. Over eten gesproken, van al dat gemonorail hadden we honger gekregen. Eigenlijk niet, maar een mens moet iets doen om de verveling te verdrijven, en trouwens, die boterhammen met hesp en kaas moesten verorberd worden, vooraleer ze muteerden in croque-monsieurs. Zo gezegd zo gedaan. Moeder spreidde een dekentje op het gras. ‘Ha zo, een ervaren picknickster, uw moeder,’ hoor ik u uitroepen. Neen hoor, ze was gewoon doodsbang van de insecten die zich in het gras voortbewogen. Na de inwendige mens met zwetend brood en lauwe limonade te hebben versterkt, diende er verder gepretparkt te worden. Mijn moeder, die absoluut niet tegen de hitte kon, begon eruit te zien als gestoofde rode kool en opperde voorzichtig om ons stilaan op te maken voor de lange terugreis. ‘Ik denk er niet aan,’ foeterde mijn vader. De wijzers van zijn polshorloge wezen amper kwart over twaalf. ‘Heb ik hiervoor een halve bak benzine verreden, om na amper anderhalf uur alweer in die kokende auto te gaan zitten?’ De redding kwam uit een onverwachte hoek. Mijn zusje, die al de hele tijd jengelde dat ze op een pony wilde zitten, maar bij mijn moeder bot ving wegens te gevaarlijk, kreeg ineens een horde plastic paarden in de smiezen. Die paarden trokken koetsen en huifkarren op kleine ijzeren wielen, en ook de paarden hadden van die wieltjes onder hun poten. Daar wilde ze heen. Dat wilde ze doen. Ineens kwamen de paarden in beweging. In een grote ellipsvormige baan galoppeerden ze almaar sneller en sneller, wel honderd keer sneller en onstuimiger dan die strompelende, ziekelijk uitziende pony’s met stront aan hun gat, die mijn zusje eensklaps vergeten leek. Of het niet te hard ging, vroeg mijn moeder nog, maar die dag werd duidelijk dat mijn zusje wel over genetisch pretparkmateriaal beschikt en dus wis en zeker een buitenechtelijk kind is. Iemand moest haar vergezellen op de Cowboy Express, zo heette het ding. Mijn vader stelde categoriek dat hij weigerde zich belachelijk te maken. Mij werd niks gevraagd, ik werd al duizelig bij het strikken van mijn schoenveters. Restte mijn moeder met een arm haast uit de kom, omdat mijn zusje er zo hevig aan rukte; tijdens ons getalm was de rij wachtenden bij die veredelde paardenmolen er immers niet korter op geworden. Mijn moeder berustte en keek nog één keer om vooraleer ze door haar eigen vlees en bloed naar de slachtbank werd geleid. In haar blik merkte ik een amalgaam van ondefinieerbare emoties, maar wat een ontroerende zelfopoffering! Way to go, mum! Ze schuifelde met haar jongste spruit in de richting van een huifkarretje. Zusje straalde. Mijn vader en ik namen plaats op een houten zitbank. Ik was nog een kleine jongen en ik weet niet wat ik op dat moment voelde en ik kon niet in mijn vaders hoofd kijken, maar we moeten allebei geweten hebben dat het spektakel dat ons te beurt zou vallen het geleden leed van die verschrikkelijke daguitstap ruimschoots zou vergoeden.

De cowgirls zaten inmiddels goed en wel in de attractie – ineens begreep ik waarom ze die tuigen attracties noemen. Moeder klemde zich met één hand vast aan een ijzeren beugel. Met haar vrije arm omhelsde ze mijn zusje, die ze bijna tot moes kneep. Zusje glunderde nog steeds, en dan zette de Cowboy Express zich in beweging. Zusje kraaide, eerst ingetogen, dan uitzinnig, althans dat dacht ik, maar toen het gevaarte na een halve ronde de eerste keer voorbij onze bank gleed, merkte ik dat ik dat kraaien had verward met iets wat het midden hield tussen schreien, schreeuwen en krijsen. De volgende ronde concentreerde ik mij op mijn moeder, maar omdat de Express alsmaar meer vaart won en omhoog en omlaag en weer omhoog en omlaag denderde, lukte me dat niet zo goed. Het konvooi beleefde dolle pret, mensen joelden en zwaaiden uitbundig naar de stumpers die niet mochten of konden deelnemen aan de verovering van Amerika. Niemand lette op de vrouw en het kind die tegen elkander aangedrukt met dichtgeknepen ogen wachtten tot de bleekgezichten, waar ze gezien hun gelaatskleur stellig toe behoorden, de Far West hadden ingepalmd. Niet één ingezetene van de Express lette op hen. Voor de aan de kant toeziende menigte waren mijn moeder en zusje evenwel de giller van de dag. Mensen stootten elkaar aan en barstten in lachen uit. Op deze bonusattractie hadden ze niet gerekend. Sommigen kletsen zich ongegeneerd op de dijen, een enkeling rolde over de grond in het zand van het gieren. De rit duurde en bleef duren, in de jaren zeventig kreeg een mens nog waar voor zijn geld. Toen het tuig snelheid minderde en het contingent lachers tot een rijendikke mensenzee was uitgedijd, besloten mijn vader en ik ons enigszins van het gebeuren te distantiëren en een ‘Wir haben es nicht gewusst’-houding aan te nemen. Die vrouw en dat kind? Connais pas! Nooit gezien! De volgende scène ligt in de mediatheek van mijn herinnering opgeslagen op het rekje ‘kolderieke slapstick’. Mijn moeder steeg uit, wankelde een trapje af en zwijmelde als een zatlap naar het dichtstbijgelegen gazonnetje, zeeg ineen en bleef enige seconden zitten in de houding van de Kleine Zeemeermin uit Kopenhagen, die allicht niet beseft hoe gelukkig ze wel is, zittend op haar koele, onwrikbare rots. Net op het moment dat mijn vader haar als een blijk van medeleven eventjes bemoedigend op de rug wilde tappen, opende mijn moeder mechanisch langzaam haar mond, en uit die mond gulpte een grote prak waarin ik duidelijk de contouren van in limonade geweekte boterham met hesp en kaas ontwaarde. Mijn zusje stond enkele meters verder alweer vrolijk te wezen en het stemde mijn vader trots dat ze erin slaagde haar maaginhoud aan gene zijde van haar lichaam te houden, de flinke meid. Bobbejaanland gonsde weer als voorheen. De Cowboy Express barstte uit zijn voegen. Het konvooi beleefde dolle pret, mensen joelden en zwaaiden uitbundig naar de stumpers die niet mochten of konden deelnemen aan de verovering van Amerika. Toen de drukte bij de bezienswaardigheid Vomiting Woman wegebde, keek ik nog één keer vol afschuw naar de geelachtige brij waarop vliegen en insecten reeds een feestje bouwden. ‘Kom,’ zei mijn vader, ‘we gaan naar huis, de auto zal nu al wel wat zijn afgekoeld.’ Hij vergiste zich, maar het waren verdomd wijze woorden die hij daar toen sprak.

05:45 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

10-03-08

'HUMO IS EEN SOORT JOEPIE VOOR STUDENTEN'

In een interview met Meandermagazine heb ik het o.a. over bullshitverhalen, apen van recensenten, kinderspelletjes voor grote mensen, de houdbaarheidsdatum van Guy Mortier en nog veel meer...

Het interview is te lezen na aanklikken van de hyperlink in de linker bovenhoek van deze pagina.

21:14 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

03-03-08

VIEZE HARRY GAAT NAAR DE BAKKER EN ANDERE REISVERHALEN (1)

Reisverhalen zijn doorgaans oersaai, daarom heb ik mezelf uitgedaagd er een te schrijven dat op die regel een uitzondering vormt. Beter is het gesteld met de pelliculen tegenhanger, de zogenaamde road movie, meestal van Amerikaanse makelij. De hoofdrolspelers, jonge dorstige mannen met glimmende gezichten, verplaatsen zich in een aftandse Dodge, waarbij die van Al Bundy net van de band lijkt gerold. Om de zoveel miles houden ze halt aan een tankstation om enige totaal onvoorspelbare, bloedstollende handelingen te verrichten als daar zijn benzine tanken, een koel biertje drinken en aan hun kruis krabben. Aan de bar van de belendende kroeg, zit een jonge vrouw met lang zwart lichtgolvend haar, lange rokken en een inkijkbloes. Na wat heen en weer gelonk dartelt ze in de richting van onze hoofdrolspelers. Er wordt een wijle geflirt en uiteindelijk strijkt de would-be Miss Texas met haar vlakke hand over het colbertje van een van de boys. Door deze suggestieve seksuele daad zit deze prent met een ‘Kinderen niet toegelaten’-label opgezadeld, maar de scène eruit knippen had de verhaallijn onherstelbare schade toegebracht. In een hoek aan een tafel zitten vier mannen te kaarten. Ze hebben zich, als bij afspraak, drie dagen niet geschoren. Altijd is een van de vier een kort afgesneden dikzak in een protserig wit pak. Zijn beroep is bank- of gevangenisdirecteur, voorafgegaan door het adjectief louche. De barman, zo tenger dat we hem bijna niet hadden opgemerkt, is kalend en draagt een witlinnen voorschoot. Na iedere vechtpartij in zijn rokerige nering, moet hij het interieur vernieuwen, ongeveer twee à drie keer per week is dat. Alle ingrediënten zijn aanwezig opdat een aardig verhaal zich zoude ontwikkelen in deze zanderige town called Clichéville, maar eilaas, onze jongens moeten verder. Eén heuvelkam verder wacht het volgende duffe stadje, Stereotype City, waar ze dezelfde booze en gasoline serveren, waar de griet op de barkruk net zo wulps is als het juffertje in Clichéville. Ook daar zitten vier kerels met een 72-urenbaard te kaarten, en de dikkerd in het wit is zich schijnbaar diep in de schulden aan het whisten, want hij zweet als een rund, maak daar een gehele veestapel van. De barman van Stereotype City blijkt echter slimmer dan zijn collega in Clichéville. Zijn geavanceerde inboedel is aan de vloer vastgeschroefd en bestaat geheel uit gewapende materialen – pas op! achter je! een stoel met een handgranaat tussen zijn poten!

Meanwhile in een klein landje aan de Noordzee worstelt Vuile Harry zich uit zijn pyjama en hijst zich in de enige broek die hij rijk is, een jeans van het merk Lois, fabricagejaar 1991. Zijn T-shirt draagt het opschrift Argentina 1978 met daarboven een logo voorstellende twee handen die een voetbal vasthouden. Vuile Harry wast zich nooit, daarom noemen ze hem ook Vuile Harry. Ze, dat zijn de bakker, de slager en de kruidenier. Andere contacten heeft Harry niet. Hun winkelpanden bevinden zich op respectievelijk 213, 161 en 98 passen van Harry’s huis. Dat weet hij tamelijk precies. Harry moet zich altijd haasten, want hij is allergisch voor zon, regen, wind, mist, nevel, sneeuw, hagel, ijzel, hoge, lage, lichte en dichte bewolking. Kort samengevat: buitenlucht. Als hij er te lang in vertoeft, krijgt hij flanellen benen, die eerst lauw worden, dan warm en vervolgens heet. Ze tintelen, worden uiteindelijk slap en uiteindelijk zakt hij erdoor. Probeer maar eens, liggend op de stoep als een dronkelap, aan een voorbijganger uit te leggen dat je zo snel mogelijk naar binnen moet. De meeste mensen durven de ongeschoren stinkerd niet eens aan te raken. In het beste geval belt iemand een ambulance, maar tegen de tijd dat die eraan komt, bevindt Harry zich in een diepe coma, die steeds dezelfde droom in gang zet: een corpulent vrouwmens met vettig, strak achterover gekamd lang haar en een smeulende sigaret in haar bek gebiedt hem een bad te nemen. Hij bevindt zich in een netelige positie tussen de vrouw en het bad in. Het bad dampt als een telefooncel waarin een dozijn wietrokers schuilen voor de regen. Het manwijf roept dat ze hem zal duwen als hij weigert er uit vrije wil in te stappen. De vrouw stroopt haar mouwen op en komt dichterbij. Harry grijpt naar zijn heup, misschien hangt daar wel een holster met een pistool erin, maar dat is niet het geval, want hij is poedelnaakt. Reeds voelt hij de hete stoom tegen zijn billen slaan en dan glijdt hij uit over een stuk zeep dat de wasberin strategisch op de vloertegels heeft neergelegd en plonst languit in de badkuip. To cut a long story short, een mens kan maar beter een dergelijke coma vermijden en zich reppen door die vieze, gemelijke, onzichtbare, ziekmakende lucht. Eigenlijk kan Vieze Harry alleen maar aarden in de stank van zijn eigen krocht. Oost west, thuis in eigen mest best!

En zo gebeurde het dat Harry zich tegen valavond aankleedde om een brood te halen bij bakker Joop. Joop hield elke dag een klein volkorentje aan de kant voor zijn laatste klant, een rare snuiter die altijd met gepast geld betaalde, nooit iets zei en als de bliksem weer wegvluchtte. Harry sloot de deur van zijn huisje en zette er flink de pas in richting stadscentrum waar zijn dagelijks brood op hem wachtte. Het was een licht bewolkte februariavond. Vreselijk, zo’n licht bewolkte februariavond, net zoals alle andere weertypes in om het even welke maand van het jaar. Waarom kon de wereld, of toch een deel ervan, niet ommuurd en overdekt zijn? Hij kruiste tal van pendelaars die komend van het station, na een lange werkdag in een andere stad, huiswaarts trokken. Morgen zouden ze de omgekeerde beweging maken, enzovoort enzovoort totterdood. Harry begreep het allemaal niet zo goed, waarom al dat getrein, hier was toch ook werk? Of beter gezegd, hij begreep het eigenlijk maar al te best. Vieze Harry mocht dan wel een eenzaat zijn, al dan niet tegen wil en dank door zijn ziekte, dom voelde hij zich allerminst. De wereld hangt aaneen van ongeschreven wetten en gewoonten, die haast iedereen voetstoots aanneemt en naleeft. Maar als je al die handelingen één voor één analyseert, dan kan een weldenkend mens er met zijn hoofd niet bij wat dat gewriemel allemaal mag voorstellen. Hijzelf lag een halve dag in zijn nest, de andere helft van de dag plakte hij met zijn neus tegen het televisiescherm. Dat was dat, Het Leven Zoals Het Is: Vieze Harry. Vaak zat hij in zijn eentje te grinniken om wie en wat hij sinds de ontdekking van zijn ziekte geworden was. Dan pulkte hij van pure blijdschap wolletjes uit zijn navel, of hij schraapte wat vuil van achter zijn oor of uit zijn lies en rook eraan. Heerlijk, het aroma van ongewassen manmens zonder stress, behalve dan die ene zorg dat hij er bij die enkele onvermijdelijke outdooractiviteiten over moest waken tijdig terug te keren naar de besloten veiligheid van zijn kleine smerige huisje. De grote klok boven de hoofdingang van het station wees bijna zes uur toen Harry, net niet gelijktijdig met een andere klant, de bakkerij betrad. Het broodje lag al klaar op de toonbank. Harry deponeerde enkele muntstukken op een plat plastic schaaltje, groette Joop en stapte door de automatische glazen schuifdeuren weer naar buiten. ‘Neen, niets meer, helemaal uitverkocht,’ hoorde hij de bakker nog zeggen en een halve tel later stond de klant die net na Harry de bakkerij had betreden – een graatmagere man met kraaloogjes en een haakneus – terug op straat. Die onprettig uitziende man heette Kurt Kanzinsky, maar iedereen noemde hem Kurt Kruimel. Kanzinsky was een werkloze schoenpoetser met Poolse roots, tevens gauwdief én onverbeterlijke broodjunk. Om twee uur had hij nog een Frans brood gegeten en iets na vieren drie pistolets en een chocoladekoek naar binnengewerkt, maar alweer werd hij verteerd door een onstilbare honger naar brood. Kruimel keek naar de uit het zicht verdwijnende zwerver, die het laatste brood had bemachtigd, en besloot het erop te wagen. Hij rende naar Harry toe en legde zijn benige klauw op diens schouder.‘Mag ik jou iets vragen, maat?’Harry keek verschrikt om en keek in het akelige gezicht dat hij daarnet in een flits had gezien.‘Euh, ja, zeg maar,’ stamelde Harry. Nooit eerder sprak iemand hem zo amicaal aan en het beviel hem niet dat deze engerd de eer te beurt viel de eerste te zijn.‘Ik wil je brood kopen,’ hijgde Kruimel en hij probeerde daarbij zo vriendelijk mogelijk te kijken, wat niet goed lukte, zelfs een tegenovergesteld effect sorteerde. Hij duwde een stuk van twee euro onder Harry’s neus. Harry keek naar de munt‘Neen, dank je,’ zei hij en wilde verder stappen, maar Kruimel hield hem tegen.‘Vijf euro!’ ‘Neen, echt niet, het spijt me, ik moet verder.’Harry draaide zijn rug naar Kruimel toe en wilde wegbenen, maar op dat moment voelde hij hoe de broodzak uit zijn handen werd gerukt. Kruimel zette het op een lopen, enkele sneden brood vielen op de grond. Harry keek verbouwereerd naar de afgescheurde snipper papier in zijn handen en zette de achtervolging in.

Op dit eigenste moment van dit eigenste verhaal schiet me te binnen dat dit een reisverhaal behoort te worden. Dit zou eigenlijk moeten gaan over zonneklopperij op Santorini, wildernisserij in Nieuw-Guinea, bruinbakkerij op de Seychellen, langlauferij in Finland, zwijnerij in het bordeel annex snookerzaal ‘The Asshole in One’ in hartje Londen. Doch niets van dit alles. Ik zit opgescheept met een ongewassen loser die zo dadelijk neer zal stuiken en wegzeilen in een diepe coma, waarin hij de confrontatie met zijn ergste nachtmerrie niet zal ontlopen, en een werkloze aan brood en banket verslaafde Poolse kruimeldief. Dit verhaal heeft dringend een deus ex machina nodig. Het angstzweet breekt mij uit, want ik ben niet beslagen in reizen en dus ook niet in reisverhalen. Het onafwendbare wordt stilaan onafwendbaar, ik kan niet langer rond de pot blijven draaien. A man ’s got to do what a man ’s got to do, en omdat schrijvers samen met piloten, rocksterren, presidenten van de Verenigde Staten vóór Bush jr. en ex-kappers de übermenschen onder de mannen zijn, ga ik subito presto over tot een drieste maar noodzakelijke ingreep, die dit verhaal alsnog de gewenste richting zal doen uitschieten. Eerst moet ik van die Harry af. Da’s niet moeilijk. Hij achtervolgde Kurt Kruimel tot hij door het inhaleren van de vieze lucht ter aarde stortte. Het regende pijpenstelen, heb ik dit al medegedeeld? Neen? Welnu, het regende pijpenstelen. Vieze Harry gleed weg in een diepe coma en terwijl de bakken water de dikke laag vuil van zijn gezicht spoelden, droomde hij eens te meer van een dreigend bad achter zijn ongewassen gat. Enkele minuten later verdronk hij in een plas. Niemand merkte de arme man op. Of beter gezegd, iedereen schuilde voor de zondvloed en niet één goede ziel had er een nat pak of verwoeste coiffure voor over om die sukkelaar te redden. Iedereen keek naar iedereen om te zien of iemand zich zou opofferen, en toen uiteindelijk, na bijna een kwartier, Eerwaarde Heer Pijpmans, de lokale parochieherder, die net bij apotheker Pille een doosje ribbelcondooms had gekocht, alsnog besloot om zijn pij nat te maken, was het al te laat. Harry, voornaam Vieze, had reeds het tijdelijke voor het eeuwige verwisseld. Dat hij ruste in vrede, de arme sloeber. Opgeruimd staat netjes. Nu die Oost-Europese schavuit nog. Over hem kan ik zohaast nog beknopter wezen. Hij ontmoette kort na het broodincident een Russische therapeute, ene Elizaveta. De brave meid besloot hem van zijn broodverslaving af te helpen. Onder het nuttigen van een glaasje wodka luisterde ze naar Kruimels levensverhaal. Het was een lang verhaal dat begon in een zijstraat van een zijstraat van de Grote Markt van Krakau op de dag dat de kleine Kurt er ter wereld kwam. Tegen de tijd dat Kurtje zijn eerste Poolse woordjes brabbelde, hadden hij en Elizaveta al drie flessen Smirnoff soldaat gemaakt. Zonder de minste moeite genas Elizaveta Kruimel van zijn broodverslaving en met nog minder moeite bracht ze hem aan de drank. Kurt Kruimel overleed korte tijd later aan een delirium tremens. Een van zijn laatste daden bestond erin dat hij de zakfles uit de handen van een bedelaar griste en het op een lopen zette. Exit Kurt Kanzinsky, alias Kurt Kruimel, Zatte Kurt, Kurt Kroonkurk of Kurt Koppijn, de man met meer bijnamen dan nuchtere uren in een dag. (wordt vervolgd) 

07:15 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |