10-12-05

DE QUATSCH VAN KRABBÉ

Ik ontvang weinig haatmails en dat is jammer. Het succes en belang van een schrijver – maar dit geldt evenzeer voor alle publieke personen – kan worden afgemeten aan de mate waarin hij gehaat wordt. Ik doe er alles aan om het te worden, maar het lukt me niet zo best, mijn teddybeergehalte zit in de weg. Enfin, ik kan maar blijven proberen… Iedere mail waarin ik, meestal door een mij onbekende steller of laffe anonymus – van kop tot teen wordt ondergezeikt, ontlokt mij dan ook een langgerekte yell.

 

Kort nadat mijn Museeuw-verhaal in wielertijdschrift De Muur verscheen, kreeg ik een brief van een individu, dat me in het lang en het breed en in kreupel Nederlands de levieten las. Hoe durfde ik mij vrolijk te maken over één van de beste coureurs van de voorbije decennia? Daar kwam zijn betoog op neer. Meestal reageer ik niet op dergelijke brieven, ze ontvangen is mij al dierbaar genoeg. Toch ging ik met dit heerschap in dialoog. Per e-mail een scheldpartijtje afwerken tegen een klojo die slechtere zinnen schrijft dan mijn nichtje van vijf is een gemakkelijk succesje, dat een ijdeltuit als ik niet graag laat liggen. En trouwens, hij was begonnen. In mootjes hakken, die bastaard!

 

Op een gegeven moment dreef ik hem zodanig in de hoek, dat hij steun zocht, en wel bij Tim Krabbé. Voor wie hem niet mocht kennen, Tim Krabbé is een schrijver. Mijn belager liet mij namelijk weten dat Krabbé hem ooit had medegedeeld dat mijn Museeuw- en Boonen-verhaal het niet verdienden om in een kwaliteitsblad als De Muur te worden opgenomen, dat mensen als ik de wielersport hielpen kapotmaken en nog veel vijven en zessen. Mijn sparringpartner wist ook te vertellen dat Krabbé in zijn woonkamer een immens grote foto heeft hangen van Johan Museeuw, waarop die zit te smullen van een gesneden brood met wespenconfituur, maar over die maaltijd ben ik niet helemaal zeker. Ik moest even slikken. Gehaat worden, al goed en wel, maar toch niet door andere publieke personen, erger nog, door een andere schrijver. Ik heb De Renner van Krabbé graag gelezen en ooit heb ik zelfs het plan opgevat om nog een boek van Tim Krabbé te lezen, maar verder dan dat plan ben ik niet gekomen. Zou Krabbé dat echt gezegd hebben, dat ik een disgrace ben voor De Muur. Mijn Boonen-stuk was toch een lofzang op onze wereldkampioen. Oké, in de inleiding zet ik een tiental andere Belgische renners in de zeik, maar dat is alleen maar om het contrast met de nieuwe wonderboy scherper te stellen. Literaire stilistiek heet zoiets, zou Krabbé daar nog nooit van gehoord hebben? En ironie, parodie, cynisme en sarcasme mogen dan wel in bepaalde milieus als goedkoop worden ervaren, en vaak zijn ze dat ook, maar toch niet op de wijze waarop ik ermee omga?

 

Inmiddels is mijn beruchte Museeuw-stuk opgenomen in de bloemlezing Het beste uit De Muur. Eén van de samenstellers van dat boek is Bert Wagendorp, zelf een uitmuntende schrijver, die echt wel weet wat een goede tekst is. Krabbé moet dus niet zeuren of zich laten leiden door zijn Museeuw-adoratie om mijn artikel in een negatief daglicht te stellen.

 

Ik was het hele voorval allang vergeten, totdat ik in Knack van 30 november ll. een interview met Krabbé onder ogen krijg. Daarin zegt hij enkele heel merkwaardige dingen over dopinggebruik. Ik citeer:

 

“Ik vind dat professionele sporters moeten kunnen doen wat ze willen. Het is geen ethisch vak. Het is wel: beter willen zijn dan een ander. Ze moeten wel op de hoogte zijn van de risico’s. Ik zou zeggen: laat iemand die een proflicentie aanvraagt een farmaceutisch examen doen, waaruit blijkt dat hij een idee heeft van de gevaren die hij loopt. Ik heb nog nooit een wielrenner minder bewonderd omdat hij verdacht werd gemaakt. Voor mij is Johan Museeuw een groot kampioen.”

 

Een farmaceutisch examen? Haha! En het is geen ethisch vak? Laat spurtende renners elkaar dan maar naar hartelust neertrekken, en een vluchtersgroepje moet voortaan niet meer ingelopen worden, maar neergeknald met een uit vanuit de wagen van de sportbestuurder met de drinkbus meegeleverd vuurwapen.

 

De interviewer pikt hierop in met “U zegt toch niet dat alles zou moeten worden toegelaten?”

 

Krabbé: “Natuurlijk zeg ik dat. Ik lees vaak dat iets verboden wordt omdat het spierversterkend is. Maar een boterham is ook spierversterkend. Waar hebben we het dan over?”

 

Ik verzin niks. Het staat er echt. Krabbé stelt dus dat jongeren die aardig kunnen fietsen en tezelfdertijd hun gezondheid koesteren, maar beter wilens nillens een andere sport kiezen, want het peloton bestaat uit een stelletje Duracell-konijnen, en dat vindt Krabbé prima. Een andere sport kiezen? Maar daar zullen volgens de filosofie van Krabbé ook zo’n robotten rondlopen. Mag iemand die neen zegt tegen het spul dan geen topsport bedrijven? Volgens Krabbé niet, of beter, ja, toch wel, maar de top zullen die brave borsten niet bereiken.

 

In hetzelfde interview stelt hij dat Boonen het niet verdiende om wereldkampioen te worden, omdat Bettini die dag beter reed. Alsof de koers wiskunde is. En dat komt uit de mond van een man die zichzelf een wielerkenner noemt. Of bedoelt hij dat Bettini die dag de duurste pillen innam en op basis van zijn apotheekrekening de regenboogtrui verdiende?

 

Hij eindigt met zichzelf op de borst te kloppen: “Eigenlijk is dat ook mijn credo als schrijver: durf wat je te zeggen hebt ook te zeggen. Ook al bots je op weerstanden.” Wel, Krabbé, dat komt goed uit, want het is toevallig ook mijn credo, ik zeg ook altijd wat ik te zeggen heb. En weet je, ik vind je maar een lulletje, want je slaat lulpraat uit. 


12:11 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

02-12-05

DECEMBER I PRESUME?

Ze zijn er weer, de in het schaamrood uitgedoste dwergen van de slechte smaak. Vandaag de eerste, maar vast en zeker niet de laatste gezien. Hang u niet op aan uw dakgoot of raamkozijn, dat doen zij wel in uw plaats. Huiver in stilte en zweet het uit, over een maand gaan ze opnieuw de kast in, waar ze zich verder kunnen bekwamen in stramme knoken en hulpeloze bergbeklimmersposen.  
 
http://www.paulrigolle.be/arcadim/2004/12/strovuur.html

22:06 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

24-11-05

ANTON KORTEWEG IS NIET DIK EN NIET KAAL

In Knack van 9 november staat een interview van Piet Piryns met Anton Korteweg. Aanleiding om het hier even te hebben over Korteweg, even heel kort en dan ben ik weer weg. Heb ik deze dichter hier ooit al vernoemd? Ik dacht van niet, maar een snelle scan van het net geeft me ongelijk. Op 2 juni 2004 schreef ik "Hij (Jozef Deleu) nam in zijn eerste Liegend Konijn werk op van Menno Wigman, Rutger Kopland, Luuk Gruwez en Anton Korteweg, toevallig vier van mijn lievelingsdichters."

 

In het bewuste interview met Knack zegt de Leidse dichter eenvoudige maar mooie en pretentieloze dingen over leven, dood en werk. Ik zal niet citeren, lees het stuk zelf maar. Waar wil ik eigenlijk naartoe? Wel, als mij gevraagd wordt naar mijn favoriete dichters, vergeet ik de man wel eens. Dat wil ik bij deze goedmaken. Waarom vergeet ik hem dan? Wel, naar mijn aanvoelen is Korteweg een tijdje uit de schijnwerpers geweest. Negen kansen op de tien is dit een verkeerde perceptie van mij, en ik ben op dit moment te lui om er even zijn bibliografie op na te slaan, teneinde te achterhalen of ik hier maar wat uit mijn nek sta te kletsen of niet. 

 

Hoe dan ook, ik heb in het vorige millennium, toen ik nog geen dichter was, heel veel Korteweg gelezen. Het wordt tijd dat ik hem nog eens tot mij neem, met zijn recenter werk erbij. Het heeft ook vele jaren geduurd voor ik ooit een foto van hem zag. Ik stelde mij hem voor als een grote, kloeke, niet ongezellige, Bourgondische man met een buik. Een beetje zoals ik, maar dan kaler. Dat zei ik hem ook, toen ik hem onlangs ontmoette in Den Haag, dat de poëzie die hij schrijft laat vermoeden dat de steller ervan een goedmoedige dikzak met haaruitval is. Dat bleek helemaal niet zo te zijn. Korteweg ziet er bijzonder Nederlands uit: grijs als een duif en geen grammetje vet.

 

Wat die kaalheid betreft, moet ik tot mijn verdriet mededelen dat het met mijn haardos niet de goede richting uitgaat. Na de presentatie van Het ei in mezelf werd ik enkele malen gefotografeerd tijdens het signeren, terwijl ik half over een tafeltje hang, de lens pal op mijn knikker. Wel, ik kan u verzekeren, het is geen fraai gezicht. Niet bestemd voor gevoelige kijkers. Mocht er een schriel vogeltje op mijn kop landen, dan is de kans bijzonder groot dat het uitglijdt en zich dertig centimeter lager nog net aan mijn haartoppen kan vastklampen, en bij het uitglijden – je zal het altijd zien – alweer enkele vierkante millimeters hoofdhuid braak legt.


20:12 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

22-11-05

PERFECT TWEEHANDIG

U heeft het vast al gemerkt. De klad zit een beetje in dit weblog. Een tijd lang kon ik mij wegsteken achter de nakende publicatie van mijn fabuleuze dichtbundel Het ei in mezelf, maar sinds de presentatie van het boek op 9 november, de dag waarop een en ander toch van mij af had moeten glijden, zijn hier nog maar weinig ophefmakende teksten verschenen.

 

Waar is de tijd dat u hier leuke verhaaltjes kon lezen over Kees Kloefkapper of Ignace Rondeel? Waar is de tijd dat ik ongeveer om de twee berichten iemand beledigde: Joep Kuiper, Hugo Claus, Dirk van Bastelaere, Sacha Blé en niet het minst het Vlaams Fonds voor de Letteren? Waar is de tijd dat ik om de twee berichten een collega-schrijver de hemel in prees: Herman Brusselmans, Menno Wigman, Jean-Pierre Rawie, Maarten 't Hart, Eddy van Rijmenam, Justine Henin-Hardenne… Justin Henin-Hardenne een schrijfster? Jazeker, zeg niet dat u haar lang niet onaardige novelles Quand je joue avec ma raquette…, Pierre-Yves, apporte-moi mes savattes, et vite! en Les soeurs Williams, je les aime bien… entre mon longue baguette niet kent.

 

Niets van dit alles de laatste tijd. Ongemerkt begon ik te doen wat ik in andere weblogs vaak verfoei: het ding als een dagboek gebruiken. Verslagje hier, impressietje daar… Neen, ik ben niet goed bezig. Jullie voor wie ik dit allemaal doe, blijven in groten getale langskomen, ik apprecieer jullie trouw en toewijding, maar ik verdien die niet, ik verdien die hoegenaamd niet.

 

Word ik oud, lui, zelfvoldaan, jichtig (in mijn vingers, bedoel ik), depressief? Bijlange niet, amper twee weken na het Het ei in mezelf-avondje, ben ik alweer driftig bezig met nieuwe verzen te plegen. Het kan jullie allicht gene ene moer schelen, maar ik zit volop in een creatieve fase. En dat terwijl er nog steeds enkele exemplaren van Het ei in mezelf niet verkocht zijn. Indien u er een wilt hebben, zal u zich moeten reppen. Iedereen wil mijn nieuwste bundel hebben, ik snap er niks van, maar ben er wel blij mee, hoe zoude gij zelf zijn?

 

Gisterenavond belde mijn uitgever Harold de Croon me iets voor middernacht uit mijn bed.

 

"Hoi, Philip, Harold hier, je zit toch alweer in een creatieve fase mag ik hopen?" fleemde hij.

"Ha, Harold, jazeker, ik heb vandaag Febes fiets hersteld – ja, net zoals in dat gedicht uit mijn eerste bundel, hoe heet het ook weer? – mijn wijnkelder leeggedronken en een muurtje gemetseld. Als creatieve fase kan dat tellen, niet?"

"Gadver, Philip, hoe vaak heb ik al niet gezegd dat je je vrouw en kinderen muurtjes moet laten metselen, waar heb je die anders voor? Jij moet schrijven, alleen maar schrijven. Muurtjes metselen gadsamme, ik mag er niet aan denken dat je jouw schrijfhand zou blesseren."

Daar had je hem weer met zijn schrijfhand. Weet die kwiet nog steeds niet dat ik perfect tweehandig ben: poëzie met de rechter- en proza met de linkerhand?

"Oké, het zal niet meer gebeuren,” antwoordde ik kortaf. Ik had geen zin om op dit uur een discussie over wat dan ook te voeren. “Maak je maar geen zorgen, ik ben en blijf bezig… zeg, even iets anders, dat luisterboek Lust, met mijn verhaal De Vacature ziet er prima uit."

"Ah, je bent eindelijk naar het Kruidvat gegaan. Ja, leuk hé, die cd-boeken."

"Ja, mooi."

Hier bloedde, zoals je kan vaststellen, het gesprek een beetje dood. Ik wilde terug gaan slapen en ik zei hem dat ook – tegen Nederlanders moet je altijd eerlijk je gedacht zeggen, die kunnen daar tegen – en Harold zei dat hij ook best moe was, maar voor het slapengaan moest hij zijn vriendin nog tonen wat ze 's anderendaags zoal te metselen had.

 

Ik heb het altijd gezegd: die Ollanders staan veel verder dan wij. Maar we halen ze wel in, wees maar gerust, desnoods vlak voor of vlak na Sint-juttemis, maar inhalen doen we.


19:46 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

20-11-05

VERSLAG SAPPHO - 19/11/2005

Presentator Piet Piryns gooide het gerucht dat dit wel eens de laatste Sappho zou kunnen zijn meteen de zaal in en zocht daarmee steun bij het talrijk opgekomen publiek – alweer een volle zaal te Ruiselede – om deze onheuglijke tijding niet te laten verwerkelijken. Ikzelf denk dat dit festival blijft bestaan, want wat wil je als organisator nog meer dan een nokvolle, enthousiaste keet en een mooie affiche?

 

Nog nooit had ik Luuk Gruwez – een van mijn meest geliefde Vlaamse dichters – in levende lijve gezien, laat staan dat ik hem al hoorde voordragen. Hij deed het prima, bracht werk uit verschillende bundels, gedichten die op papier al zo goed zijn dat ze bij voordragen nog moeilijk aan kracht kunnen winnen. Mijn linker buurman vond dat Gruwez wat te nadrukkelijk las, te hard zijn best deed. Ik weet het niet. Het gedicht over de wielrenner – in een soort Nedervlaams – zou hij misschien in het dialect moeten doen, echt helemaal in de huid van die coureur kruipen. Nu lijkt ‘allene’ zeggen in plaats van ‘alleen’ – om het bij dit voorbeeld te houden – misschien te afgeborsteld, te onrealistisch, te weinig. De renner die hij neerzette leek mij te pienter. Waarom zou zo’n fietsende bolleboos dan ‘allene’ zeggen in plaats van ‘alleen’? Hij sprak een taaltje dat niemand anders spreekt. Het is balanceren op een smalle koord, ik weet het, en misschien net daarom is zo’n gedicht – als je het toch niet goed kan brengen – een typisch stilleesgedicht. Dan kan de lezer – of hij nu West-Vlaming of Limburger is – zelf het voor hem best passende soundtrackje in zijn hoofd laten afspelen.

 

Gerrit Kouwenaar is een monument. Iedereen houdt van Kouwenaar, ik heb nog nooit een dissonant geluid over de ouderdomsdeken van de Nederlandstalige poëzie gehoord. Het was fijn dat hij in dit landelijke plaatsje ergens tussen Brugge en Gent enkele verzen kwam lezen, maar het had ook iets zieligs, zo’n oude man in een mistig boerengat ver van huis. In het licht van de eeuwigheid heeft zo iemand niks meer te winnen of te verliezen in Ruiselede, en die boekjes, ach ja, hij deed er zelf een beetje schamper over, wat ik overigens wel sympathiek vond.

 

Op elke Sappho moet er een lelijk eendje zijn. De obligate miskleun heette dit keer Lucienne Stassaert, één van de drie (op zes) Antwerpse dichters op het programma. Hoe stelde collega Breukers dat ook weer in zijn bespreking van haar verzameld werk? Poëzie die te hard haar best doet om op poëzie te gelijken – ik parafraseer even – en daardoor de mist – zaterdag letterlijk – ingaat?    

 

Ik ging helemaal rechtop zitten bij de aankondiging van de vierde dichter, Menno Wigman. Hij bracht gedichten die ik maar al te goed ken – behalve het laatste, een nieuw dat in de door hem geschreven Gedichtendagbundel 2006 zal worden opgenomen – en oogstte zeer terecht het eerste spontane tussendoorapplaus van de avond, na het schitterende gedicht Bij de gemeentekist van mevrouw P. Vreemd, hoe smaken over poëzie ook kunnen verschillen, toch bestaan er gedichten waarover iedereen het roerend eens is dat ze fantastisch zijn. Wigman deed wat ik voorspeld had: de beste jongen van de klas zijn, het publiek inpalmen met die charmante verlegenheid van hem, en ook aan de boekentafel de populairste van allemaal wezen. Het Vlaamse publiek heeft de nieuwe Nederlandse meester in de armen gesloten, driewerf hoera.

 

Het muzikale gedeelte werd verzorgd door Kris De Bruyne, eveneens een monument. Ik had de indruk dat er een deel van het publiek speciaal voor hem naar Centrum Polenplein was afgezakt. Al 35 jaar staat hij op de planken – meestal met band, maar zaterdagavond alleen vergezeld van zijn gitaar en mondharmonica – maar hij oogt nog bijzonder vief en flegmatiek. Een soort Vlaamse Keith Richards maar dan met een schonere kop, al dient gezegd dat de bard bij iedere set van zijn driedelig optreden uitbundiger ging doen. Bijna zou een mens gedacht hebben dat de zanger zich achter de coulissen wellustig in de booze wentelde. Toch een heuse Vlaamse Keef?

 

Na de pauze veel applaus voor Ramsey Nasr. Mooie gevarieerde poëzie, prima uitstraling, een aardige jongen. Na Wigman de ster van de avond, ook al hadden we dan nog Leonard Nolens te goed. Piryns vertelde in zijn aankondiging dat deze Antwerpse coryfee – Nolens dus – in het begin van zijn carrière met geen stokken het podium op te branden was. Nochtans maakte hij een rustige en zelfzekere indruk, van plankenvrees geen spoor, maar het leek af en toe wel of hij zijn gedichten bij hem thuis voor de spiegel aan het oefenen was. Hij staarde in het zwarte gat – uit ervaring weet ik dat vanaf het podium de contouren van het publiek helemaal niet te zien zijn – en deed zijn ding. Weinig gebabbel tussen de gedichten door, daar hadden zijn vijf voorgangers zich maar al te gretig aan bezondigd – nou ja, het mag, hoor, ik houd wel van een zekere duiding of omkadering bij een gedicht, zolang er niet wordt overdreven. Nolens kreeg een beleefd applausje, hij zorgde niet voor de bloemekee zoals Piryns stoutmoedig had voorspeld. De jonge garde haalde het op punten van de monumenten, en die aflossing van de wacht valt alleen maar toe te juichen.

 

Een geslaagd poëziefestival, deze 10de editie van Sappho. Volgend jaar moet er simpelweg een 11de uitgave komen, dat is hoe ik erover denk.


22:59 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

12-11-05

PAUL R. OVER MIJN EI

De geheel uit fijne-mens-materie opgetrokken Paul Rigolle besteedt op zijn weblog aandacht aan mijn nieuwe bundel Het ei in mezelf. U leest het hier:
 
http://www.paulrigolle.be/arcadim/2005/11/hommel.html

18:00 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

10-11-05

PRESENTATIE 'HET EI IN MEZELF'

Woensdagavond werd onder een bevredigende belangstelling Het ei in mezelf voorgesteld in het Cultuurcentrum te Wevelgem. Er waren zo’n 80 aanwezigen, vooral familie, kennissen en dichters. Gastspreker Alain Delmotte debiteerde zijn inleiding Gekte en grimmigheid, een zoals verwacht zeer degelijke en onderbouwde beschouwing bij mijn nieuwe bundel. Gek en grimmig, zo laat Het ei in mezelf zich inderdaad goed samenvatten, maar terecht wees Alain erop dat de grote verschillen tussen Niets met jou en Het ei in mezelf, met Inbreng nihil als overgangsbundel, eigenlijk maar schijn zijn. De bewerkte tekst is weldra nog eens na te lezen in een volgende Poëziekrant.

 

Mijn rol beperkte zich tot het lezen van gedichten – twee als rustpunt tijdens en nog een zestal na Alain’s voordracht – uit de bundel, en die bescheiden maar niet onbelangrijke bijdrage beviel mij wel, gezien een lichte bronchitis waar ik al een tijdje mee worstel. Een mandataris van de gemeente mocht uit handen van uitgever Harold de Croon een exemplaar van het boek in ontvangst nemen, waarna de man opriep om ons in het geestrijke vocht te storten. Een kort maar krachtig officieel gedeelte, dik drie kwartier, verhoogt de duur van de nazit. Dan tijd om te signeren en iedereen die verkoos om op deze frisse novemberavond mijn feestje bij te wonen nog eens liefkozend over de bol te aaien. Gek en grimmig, al goed en wel, maar niet zo woensdagavond. Though this be madness, yet there's method in 't. 


23:35 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

06-11-05

RECENSIE IN TROUW (5/11/2005)

’Ikke in de zeep

ikke in de zitkom’

 

Hilarische poëzie van Philip Hoorne

 

Philip Hoorne is de clown van de Nederlandse poëzie. Hij laat zien dat humor ’de dingen soms precies in hun juiste perspectief trekt’. Maar harde waarheden schuwt hij niet, zoals een ware clown betaamt.

 

Philip Hoorne: Het ei in mezelf. Uitgeverij

521, Amsterdam. ISBN 9049970079;

48 blz. € 16,90

Ooit werd hij van internet geplukt door Gerrit Komrij; hij debuteerde in diens sandwichreeks. Sindsdien staat Philip Hoorne te boek als een clown die de werkelijkheid beschouwt als een kermis van bezielde en onbezielde objecten, bijeengehouden door stromen van misverstand en toeval. Het alledaagse als groteske ontmaskeren lijkt zijn drijfveer. Zo ook in deze nieuwe bundel, waarin de werkelijkheid meteen weer als prettig gestoorde chaos wordt voorgesteld.

 

’[…] Kameel

mag ik je tieten even lenen

voor mijn eenmanscarnaval?

En je vals gat je pruik en de

beautycase van je dochter.’

 

De bulten van een kameel ’tieten’ noemen, is typisch Hoorne. Hij zet de wereld nu eenmaal graag op zijn kop. Het ’vals gat’ ertussen is een van de vele woordspeligheden (denk aan vals plat!) waarop hij de lezer trakteert. En die pruik en beautycase geven al aan dat er in dit poëtische ’eenmanscarnaval’ eindeloos wordt geposeerd. De pose immers is de trouwe handlanger van de chaos.

 

Een pose intussen waarin ironie en het burleske slinks worden vervlochten met ernst: ,,En vechten moet ik doen. / Tegen het ei in mezelf. / Tegen de verwijfde schijnheiligheid van kerk, staat, volkorenbrood en werk. / Tegen mijn eigen naam in roetzwarte letters op een spikkelgrijze zerk’’. Staat me daar die poseur, die helemaal zo’n eitje niet is, opeens het groteske bloedserieus te betrekken op de eigen zerk.

 

Hoorne is mataglap en heel erg bij de pinken. Al die vervreemdende taferelen drukken ons op het wezen van het chaotische. Het aardige is dat hij dat doet in vrijwel louter ikgedichten. Hoorne-gedichten dus eigenlijk. Zo blijkt een schildersezel een echte ezel, de ’Schijter’, die hem – het kan soms niet plat genoeg – tot ’een / lang niet onaardig bruin motief’ inspireert dat hem met trots vervult: ’Philip Hoorne, De Eerste Vlaamse Neo-Primitief’. Of hij ontwikkelt de plot van een toneelstuk waarin hij alle rollen speelt. ,,Ik stond op het toneel met een pak andere Hoornes.’’ Verwarring alom, vooral wanneer blijkt dat ook het publiek bestaat uit Hoorne-klonen.

 

En zo gaat het verder. Een ober wordt met een rietje vermoord, een treinreis voert via ’Jonghans’, ’Flessegem’ en ’Brikkelhove’ naar ’Schaterloo’, of een herenboer laat ’s avonds zijn knechten de bomen ’uit hun putten’ halen en de grastapijten oprollen ’na eerst het klittenband te hebben losgemaakt’. Het gedicht ’Zitkom’ neemt een hilarisch bad in de wereld van de sitcom (soap): ’Ikke in de zeep. / Ikke in de zitkom. / Sommeer de applausmeester en start de lachband, / want straks moet ikke huilen’.

 

Het is allemaal spel, soms heel geestig, soms op het smakeloze af, soms alleen maar handig gedaan en soms gewoon goed.

 

’Zitkom’ bijvoorbeeld is uitstekend. Het kadergedicht onder aan dit stuk evenzeer. Het stelt de giraf voor als een bij toeval wijs beest dat door zijn idiote proporties aan de kadaverdiscipline op de grond ontsnapt. Ondanks het humoristische woordpotentieel voert het in de slotstrofe naar enige harde waarheden en tragikomische paradoxen over recht en krom.

 

Hoorne vliegt weleens uit de bocht, maar vaker toch brengt hij zijn lezer op een opgewekte manier in leerzame verwarring. Hij schrijft verstaanbare gedichten, maar door hun hilarische setting dwingen ze je het hoofd erbij te houden. Zo moet je het niet-bestaande woord ’fittingkamer’ even weten te plaatsen in de volgende strofe: ,,In een visioen met donkere manen / verdonkeremaan ik twee op elkaar staande stoelen / - zitting op zitting alsof ze paren - / uit de fittingkamer’’. Je komt eruit als je op dat paren en de klankparallellen doorassocieert: zitting - fittingkamer - sittingroom (sittingkamer) - fucking - fittingkamer. Voilà, zeggen ze dan in goed Vlaams.

 

Nu, het is niet allemaal eersterangs, maar je maakt al lezende buitelingen die je niet eerder maakte. En je leert dat de schaterlach de dingen soms precies in hun juiste perspectief trekt, en dat dan verdriet, dood en vergankelijkheid niet ontbreken. Een eersterangs clown is hij dus in elk geval wel.

 

MIJNHEER DE GIRAF

 

Waarom steek jíj je nek niet uit voor de krengen in het dierenbos,

voor de unaniem bij pootopsteking aangenomen kadaverplicht?

 

Wel dan, grote jan met je trillende polsstokpoten, jij die de hoogste

bladeren van de bomen knabbelt, wanneer ga je al stofzuigende

rond over de grond met die grote mond van jou?

 

Buiten proportie misvormd baksel, dankzij die belachelijk lange hals

ben je ontsnapt aan de bedwelmende banken boven het zand, maar vind

je dat zelf niet wat pover als rechtvaardiging voor een overleven?

 

Er bestaat geen recht, krom beest. En dat uitgerekend jij de enige bent

die dit nog weet en niet kan doorvertellen, tenzij aan de vogels.

 

 

Peter de Boer


21:59 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

27-10-05

HET EI IS GELEGD (2)

Zolang de presentatie van Het ei in mezelf niet achter de rug is, zie ik me moreel verplicht om op deze weblog geen ander onderwerp aan te snijden, teneinde de angel niet uit de door mezelf gecreëerde actualiteit te halen.

Ik moet het vorige bericht even corrigeren. Bestellen van boeken bij mijn uitgever 521/Pimento is niet langer mogelijk. U moet zich naar de boekhandel begeven, waar de nieuwe normaal gezien al in de schappen moet liggen. Mijn spion in Den Haag laat weten dat hij Het ei in mezelf aldaar gespot heeft. En wat voor Den Haag geldt, zal ook wel van toepassing zijn voor andere steden in Nederland. En, naar ik hoop, ook in Vlaanderen.

Van mijn vorige boeken is alleen het nog steeds veelgevraagde Niets met jou nog leverbaar. Wie een exemplaar wenst van Antwerpen, de stad in gedichten of Inbreng nihil moet met mij contact opnemen.


15:11 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

17-10-05

HET EI IS GELEGD

Mijn nieuwe bundel Het ei in mezelf is verschenen, vandaar vanaf heden ook een platje aan de linkerzijde van uw scherm. Het platje aan de rechterzijde dient dan weer als teaser voor de presentatie op 9 november te Wevelgem waarvoor deze week de uitnodigingen verstuurd worden. Iedereen welkom.

De enkele exemplaren die mijn uitgever me toestuurde, vonden in Gent – Dichter aan Huis, weet je wel – een koper. Onder anderen Jeroen Naaktgeboren van de Woorddansers, Herlinda Vekemans en Frederik Lucien de Laere waren er als de kippen bij om mijn ei te verwerven. U hoeft de dame en beide heren niet lang te benijden. Het ei in mezelf zou nu ongeveer moeten opduiken in de boekhandel. Indien niet, vraag dat de winkelier het boek bestelt. Het ISBN is 9049970079. Een bestelling plaatsen bij Uitgeverij 521 is natuurlijk ook mogelijk. Mailen naar contact@uitgeverij521.nl.  

Meer hoeft er vandaag niet gezegd te worden.


12:24 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

12-10-05

MARC & JOHNNY

Marc Reynebeau maakte een educatief programma over Groot-Brittannië met niemand minder dan Johnny Rotten. Wil ik zien. Het wordt vanaf halfweg november uitgezonden op het tegen die tijd vernieuwde Canvas, de kwaliteitszender van de VRT, zoals dat dan heet.

 

Ik sloot me op in mijn petieterig kamertje met Never mind the bollocks, here's the Sex Pistols, op vinyl nog, en draaide de zopas aangeschafte plaat. Wat ik hoorde was een wall of sound, waarin slechts na enkele beluisteringen de songs zich lieten onderscheiden. De dag dat ik het kleinood kocht was het al een mijlpaal in de muziekgeschiedenis.

 

Johnny Rotten werd John Lydon. Aan tafel in de woonkamer met radio en cassetterecorder in de aanslag, om nu en dan een liedje uit de top-30 te tapen, hoorde ik voor het eerst Public Image van Public Image Ltd. – later veelal afgekort tot PIL of P.I.L. – de nieuwe groep van de frontman van de Pistols. Een dijk van een nummer, de definitieve afrekening met het verleden. Vervolgens de boeken dicht, schluss damit, de agressieknop werd flink teruggedraaid, nieuwe wegen aangelegd, geplaveid en bewandeld.

 

PIL heeft in wisselende bezettingen ongelooflijk prachtige songs op de mensheid losgelaten, en mag heus niet alleen herinnerd worden om het matige This is not a love song. Low life, Bad baby, Disappointed – ik schud nu maar lukraak enkele titels uit mijn mouw – en zeker niet te vergeten het schitterende Don't ask me (mooiste intro aller tijden) zijn pareltjes aan de keerzijde van de muziekgeschiedenis.

 

Het siert de VRT dat ze John Lydon – laat ons hopen dat hij in het programma aldus wordt vernoemd en aangesproken – opnieuw in beeld brengt. Opnieuw? Zou de VRT, voorheen BRTN, voorheen BRT ooit tien woorden aan 's mans carrière hebben besteed? Ik denk het niet. Spons over het verleden. De intenties zijn goed en dat stemt mij gunstig. Nu nog een boekenprogramma graag. Maar niet om elke week Rick, Jan en Herman te brengen. Die komen al genoeg op de buis.


18:28 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

09-10-05

1 JAAR POËZIERAPPORT

Op 1 oktober was het precies één jaar geleden dat ik de eerste recensie plaatste op het door mij ontwikkelde weblog Poëzierapport. De redactie bestond aanvankelijk uit Tania Donker, Karel Smits en mezelf. Kwatongen beweren dat Donker en Smits fictieve medewerkers waren. Hoe dan te verklaren dat Karel ook redacteur was en nog steeds is van Rottend Staal? In elk geval stierf het triumviraat een snelle doch gewisse dood. Meer uitleg hierover doet niets ter zake.

 

Net op het moment dat ik besefte de site niet alleen draaiende te kunnen houden – kwaliteit zou altijd ten koste gaan van kwantiteit en omgekeerd, en ik had geen zin om elk vrij moment te vullen met het schrijven van poëziebesprekingen – kreeg ik hulp aangeboden. Die hulp aanvaarden betekende het verlies van mijn autonomie. Op mijn eigen geesteskind zou ik teksten moeten plaatsen waar ik misschien zelf niet achter stond. Dichters waar ik van hield zouden door medewerkers kritisch worden besproken, en vice versa. Ik ben niet echt een teamspeler, maar op de een of andere manier trok een samenwerkingsverband mij toch aan, being one of the boys. Het was ofwel bekwame medewerkers toelaten, ofwel in mijn eentje aanmodderen op een webstek die maar heel sporadisch eens geüpdatet zou worden. Aan de andere kant kreeg ik besprekingen in de schoot geworden van bundels die ik zelf nooit zou lezen, van dichters die ik niet of nauwelijks kende. Na Chrétien Breukers en Patricia Lasoen, die een verschillende, maar elk op hun manier deskundige en aantrekkelijke schrijfstijl hebben, kwamen er nog recensenten bij. U vindt hun namen bovenaan de site. Ik ben veelal tevreden over hun bijdragen. Let wel: niet elke hond met een hoedje op kan erbij horen, ik heb al zichzelf aanprijzende would-be recensenten wandelen gestuurd, op een vriendelijke doch kordate manier. Enkele medewerkers moeten hun eerste bespreking nog leveren, anderen doen heel sporadisch eens iets, maar erg is dat niet. Het motto van Poëzierapport luidt: geen druk, geen deadlines. Het moet leuk blijven, zeker zolang het vrijwilligerswerk is. Zelf wil ik meestal alleen maar bundels doen die ik zelf graag lees en dat geldt eigenlijk ook voor de anderen. Ook met een ploeg van tien man/vrouw moet er selectief te werk gegaan worden. Als wij al eens een bundel niet bespreken komt dat niet door desinteresse maar wel door tijdgebrek.

 

In tegenstelling tot wat sommigen denken, vind ik het niet leuk om lage cijfers toe te kennen, of lage cijfers van andere redactieleden te posten. Een positieve bespreking doet mij altijd meer plezier dan een negatieve, de poëzie promoten is het doel. Ik kan u verzekeren dat het niet prettig is om op vrijdag dichter X te ontmoeten, op zaterdag een weliswaar niet door mij geschreven spijkerharde bespreking van de laatste bundel van dichter X te plaatsen, en enkele dagen later dichter X opnieuw tegen het lijf te lopen. Gelukkig zijn de meeste dichters wijs genoeg om te beseffen dat het besproken worden op zich al een erkenning inhoudt, en dat er een hemelsbreed verschil is tussen het papieren (digitale) leven en het werkelijke leven. Het gemekker van achter een computerscherm, waar ik mij soms – maar wel hoe langer hoe minder – toe laat verleiden, staat veraf van de sporadische, maar zonder uitzondering altijd hartelijke ontmoetingen met collegae.

 

Wat is het nut van dit alles, van dit gerecenseer? Wel, ik ben van mening dat een bespreking de persoonlijke mening is van één man of vrouw over één boek. Zo goed als waardeloos dus. Opinions are like assholes, everyone has one (deze quote met dank aan Onno ‘Callahan’ Kosters). Als ik louter voor mezelf spreek, dan moet ik bekennen dat ik het plezant vind mij in een tekst uit te leven, zeker als ik het werk van de besproken dichter goed ken. De nieuwe Wigman of het verzameld werk van Rawie recenseren was voor mij plezier van begin tot eind. Ik probeer altijd een portie humor in mijn verhaal te moffelen, want saaiheid is er al genoeg. Nu en dan breng ik een redelijke onbekende dichter onder de aandacht. Het mooiste voorbeeld is Jan van meenen. Wis en zeker heeft Jan dankzij de aandacht die ik hem schonk al enkele extra bundels verkocht, ik weet dat omdat die kopers mij dat zelf hebben laten weten. Zoiets doet mij plezier. Wil dat dan ook zeggen dat een negatieve bespreking leidt tot minder verkoop? Neen, ik vermoed van niet. In poëzie gaat het ook helemaal niet in de eerste plaats om verkoop, maar dat een boek toch zijn weg vindt naar een publiekje is ook weer niet zo onbelangrijk, daar worden die boekjes immers voor gedrukt en verspreid. Los van de toon van een bespreking ben ik er overigens zeker van dat de gerecenseerde dichter, naast het gevloek en geraas om het af en toe verkeerd begrepen worden, wel altijd iets leert uit wat over zijn werk verkondigd wordt.

 

Poëzierapport is een zelf in elkaar geknutselde weblog. Wij hebben niet de middelen om een webmaster in dienst te nemen, die het log kan omturnen naar een heuse website met archief en zoekfunctie en alle toeters en bellen die een website behoort te hebben. Het zou leuk zijn mocht een of andere instantie ons financiële middelen ter beschikking stellen, niet alleen omdat wat we goed doen nog beter zouden kunnen doen, maar ook omdat het een – weliswaar laagdrempelige – Nederlands-Vlaamse coproductie is, en zoiets verdient lof. Dichters die alleen in Vlaanderen gekend zijn, worden uitgedragen naar Nederland en vice versa. Is dat zo speciaal? Poëziekrant, Gedichtendag, Het Liegend Konijn… doen toch ook grensoverschrijdende dingen? I know, maar toch is het precies dat aspect van Poëzierapport dat mij het meest vertedert.

 

Het succes van Poëzierapport is niet gigantisch, maar wel bevredigend. Gemiddeld wordt de site elke dag 70 maal bezocht, bijna 500 maal per week. 60 % van de bezoekers komt uit Nederland, 35 % uit Vlaanderen. Tot op vandaag hebben 107 personen zich via de link op de site aangemeld om van elke nieuw gepubliceerde bespreking op de hoogte te worden gebracht. Ter promotie stuur ik om het half jaar een mailing naar allerlei mensen en instanties die het zou kunnen interesseren, o.a. naar alle openbare bibliotheken in Vlaanderen, voor Nederland beschik ik helaas niet over de adressen. Ter gelegenheid van het eenjarig bestaan, heb ik een pak felicitaties ontvangen. Dat is een teken dat we ertoe doen en erin slagen om een alternatief te bieden voor het gebrek aan aandacht voor de poëzie in de andere media. Yep, het is voorwaar geen zinloze onderneming, en het dichtersgild en de uitgeverijen beseffen dit maar al te goed.

 

De Contrabas – u, voor wie ik geen geheimen heb, mag dit gerust weten – wil Poëzierapport inlijven, maar alle aanzoeken heb ik tot nu toe naast mij neergelegd. Ik heb daar gegronde redenen voor, die de uitbaters van De Contrabas – die zoals u weet ook Poëzierapport-recensenten zijn – kennen en waar ik niet al te uitvoerig op in wil gaan. De voornaamste is natuurlijk het behoud van de eigen identiteit, maar ook het succes en de kleinschaligheid spelen een rol. Zich geborgen weten als onderdeel van een 'allesomvattende' poëziesite als de Contrabas leek mij aanvankelijk leuk – alle poëtische nieuwtjes in één muisklik. Maar zo werkt het natuurlijk niet, integendeel, je klikt je de pleuris. Door het bos zie je op de duur de bomen niet meer. Het is volgens mij te verkiezen om vanuit je eigen ‘favorieten’ pakweg vijf sites aan te klikken die je wenst te bezoeken, dan vanaf één centrale website met nieuws om de oren te worden geslagen waar je in de helft van de gevallen helemaal niet om geeft.

 

Enfin, op naar nog vele jaren Poëzierapport. Dank aan de recensenten, dank aan de lezers. Dank ook aan Bart FM Droog – doe de groeten aan Karel – die elke nieuwe bespreking signaleert op Rottend Staal. Er zijn er die beweren dat Bart FM Droog een fictief personage is. Maar dat is dan weer een ander verhaal.


14:18 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

07-10-05

JE PRAAT NIET VLAAMS GENOEG

Zou je niet. Ik kon mijn oren niet geloven.

 

Pas in het hoger onderwijs heb ik geleerd om de stemhebbende g-klank correct uit te spreken. Er zijn West-Vlaamse ministers die het nog steeds niet kunnen. Het is hemeltergend, denk je dan.

 

Ken je voetbalscheidsrechter Frank De Bleeckere? Heb je die man al ooit horen praten? Perfecte dictie, zo bekakt als maar zijn kan, uit het boekje, zo willen de Vlaamse leraars Nederlands het horen. Gelukkig praat hij meestal met zijn fluitje en niet met zijn stem. Hij droeg een roze pull-over. Ook dat nog.

 

Het taallabo, een gaskamer. Een klik. Neen, fout. Hou je hand aan je strottenhoofd. Voel je het trillen? Ja, zo is het goed. Neen, nu doe je het weer fout. Klik. Over naar een volgende klungelaar.

 

Twee uren dictie per week door de meedogenloze grootvader van een nu bekende actrice, die haar afkomst evenmin kan verloochenen, wat bijdraagt aan haar charme. Ik stop me weg in de groep en dat lukt me een jaar lang verbluffend goed. Wie echter een onvoldoende haalt voor uitspraak, moet zijn jaar opnieuw. Hetzelfde geldt trouwens voor spelling. Eén dt-fout en je kan het schudden. Ik haal het, op beide vlakken.

 

Het bangerige, verlegen, platte gestamel van Brusselmans, het nasale, janetterige Gents-Antwerps van Lanoye, het hyperkinetische gekwek van Urbanus, het slordige geprevel van Kamagurka… wellicht jagen deze heerschappen Vlaamse taalpuristen en woordkunstenaars de kast op van zodra ze hun bek opentrekken, maar in Nederland vinden ze het enig.

 

Het was mooi, we hebben genoten, en dan jouw taaltje, dat sappige Vlaams, hééérlijk… Hoe vaak heb ik dat al niet mogen horen uit de mond van Nederlanders. En zondag was het weer raak, met als summum die ene dame die opmerkte dat ik te mooi praatte, niet Vlaams genoeg. Zou je niet.


12:51 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

03-10-05

DICHTER AAN HUIS

Mijn lezers, u dus, zitten nu allicht te wachten op een verslag van Dichter aan Huis in Den Haag. Wel, als ik gevraagd word voor een lezing, kijk ik daar nog altijd naar uit als een kind naar de komst van Sinterklaas: onbevangen met grote wonderogen. Ik laat mijn kritische geest thuis, maar neem wel steeds mijn ijdelheid mee om die, door wie dat wil, uitbundig te laten strelen. Alle dichters zijn dan – en eigenlijk niet alleen dan – mijn vrienden, van Arie tot Vrouwkje, van Joost Anoniem tot Joost Zwagerman. Weinig mensen weten dit, maar waarschijnlijk ben ik de meest aimabele mens ter wereld.

 

Tussendoor wil ik even een berichtje inlassen voor Jan Baeke. Je knikte me zaterdagavond vriendelijk toe en zondagmorgen weer – ik knikte telkens vriendelijk terug, maar had niet te kans om je aan te spreken, jij was in gesprek of ik was in gesprek, en ik vroeg nog iemand "Wie is die man?", maar die wist het ook niet en toen was je ineens weg. Thuis de dichtersfoto's bekeken en gezien dat de mij onbekende knikker u was, Jan Baeke, ooit positief gerecenseerd op Poëzierapport, niet door mij, maar met recht en reden, en stellig iets om te vermelden op jouw cv. Wel, mijn beste Jan, moge je al de poëzieprijzen winnen waar ik niet aan deelneem, ik meen het. By the way, en nu richt ik mij niet meer tot Jan alleen, later deze week kom ik terug op het eenjarig bestaan van Poëzierapport.

 

Er moet natuurlijk ook nog gewerkt worden tijdens zo'n festival. Het is best wel vermoeiend en lastig, hoorde ik enkele dichters zeggen. Ach, mietjes, dacht ik, vermoeiend en lastig, wat zou het? New Orleans heropbouwen, dat moet vermoeiend zijn. Jan Baeke te spreken krijgen, dat is lastig. Ik trok aardig wat toehoorders naar het huis van mijn gastheer, de aardige Michael. En – nu maak ik mijn punt – dat wil ik over twee weken in Gent ook weer. Niet dat Michael tegen die tijd naar Gent verhuist, neen, die dag ben ik te gast bij Juul en Grietje, Visserij 11, in het centrum van Gent. Dus geen gemaar, excuses of doktersbriefjes, jullie moeten er zijn. Het gerucht gaat dat de kaartenverkoop voor de eerste Vlaamse editie van Dichter aan Huis nog wat te wensen overlaat, en dit bevalt me niks. Dat ik me verdorie niet kwaad moet maken op jullie. Ik mag dan wel de meest aimabele mens ter wereld zijn, maar dat kan heel snel veranderen, want Jan Baeke staat te trappelen om mij op te volgen. We hebben in Vlaanderen nu eens een onpretentieus poëziegebeuren, laten wij – u dus, want ik zal er sowieso zijn – het niet verknoeien door uit te blinken in afwezigheid. Hebben wij een deal? Ja, mijnheer Hoorne – zeg maar Philip – wij hebben een deal. Zo wil ik het horen. Wij spreken elkaar nog wel.


19:50 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

30-09-05

FEEST

Enkele zakelijke berichten (voor gestileerde flauwekul en megalomaan gezwets moet u vandaag echt even elders naartoe, sorry):

 

Mijn geesteskind POËZIERAPPORT bestaat morgen 1 jaar. Vanavond wordt er op de site een bijzondere gastbijdrage geplaatst. Allen daarheen in de late uurtjes.

 

Ikzelf vier dit heuglijke nieuws in Den Haag waar ik zondag DICHTER AAN HUIS ben. U treft mij er in de namiddag ten huize Michael Goldan, Willemstraat 116. Dat is volgens het plannetje in mijn bezit helemaal in het centrum van Den Haag.

Nou, mocht ik mezelf niet zijn, ik zou wel weten waar naartoe zondagmiddag. En zelfs mezelf zijnde weet ik het: Willemstraat 116, Den Haag. Bij Michael Goldan. Bij regenweer graag voeten vegen voor het betreden van ’s mans nederige woning.

 

MANKIE is bevallen van drie kleine (of wat had u gedacht) poesjes (jazeker). Dit gebeurde al een tijdje geleden, maar ik had even teveel besognes aan mijn kop om u dit terstond te melden. Inmiddels staat ook vast dat de kleintjes een goede thuis in het vooruitzicht hebben. Welaan, klinkt het niet lief zoals ik dit neerschrijf.

 

Is het leven niet mooi?

Niet echt, maar we moeten het ermee doen. Of zoals mijn Duitse vertaler (o, u wist dat nog niet?) altijd zegt: Immer geradeaus! Oent daamaals nokmaals fraaken.


13:46 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

20-09-05

EN DE VIERDE DAG BRACHT HIJ VERSLAG UIT

 

ZATERDAG 17 SEPTEMBER 2005

Ontmoetingsmoment auteurs en literaire organisatoren, ingericht door de Stichting Lezen. Deze stichting beheert de lezingenlijst van de Vlaamse auteurs. Nieuw: de betoelaging wordt beperkt tot € 100. Het maximaal aantal lezingen per schrijver blijft gehandhaafd op 15.   

Dit jaar was het budget al opgesoupeerd in de maand mei. Daarom hebben de verlichte geesten van de Stichting Lezen het volgende bedacht: in de maand oktober moeten alle aanvragen ingediend worden voor lezingen die plaatsvinden in het eerste semester van volgend jaar. April wordt dan de aanvraagmaand voor het tweede semester. De schrijvers die dit handeltje door en door kennen, zullen hun zaakjes wel regelen tegen eind oktober en eind april; auteurs die occassioneel eens gevraagd worden, mogen het schudden. Dat wierp ik op. Ik kreeg een boze blik. Achterin de zaal kwam een man die als Carlo werd aangesproken regelmatig tussenbeide, ik vermoed dat dit dezelfde Carlo was aan wie ik ooit eens heb laten weten dat hij mijn motivering tot weigering van een werkbeurs in zijn reet kon douwen. Ik stelde het in mijn mail wel iets hoffelijker voor, want ik voer fatsoen hoog in het vaandel, maar het kwam wel op hetzelfde neer.

Stel dus dat mijn schitterende nieuwe bundel Het ei in mezelf straks verschijnt – ik zeg maar wat, maar ver zal ik er niet naast zijn – eind oktober, en de een of andere Vlaamse organisator of schooldirecteur krijgt die begin november onder ogen en wordt van mijn schrijfsels zo opgewonden als een krolse baviaan, dan kan hij mij helaas niet meer boeken met betoelaging in de eerste helft van volgend jaar. En tegen volgende zomer is mijn ei oud nieuws. Dank u wel, Stichting Lezen, goed bezig. Neen, geef mij dan maar de Nederlandse Stichting Schrijvers School Samenleving (SSS): geen kapsones, geen gedoe, geen regelneverij. Margriet of Johan aan de telefoon, beleefde mensen, ter zake, helder, aan een Belg leggen ze het met plezier extra goed uit, desnoods twee keer, en zo heb ik het graag. 

Desalniettemin, aan alle Vlaamse organisaties die mij voor enkele uren in huis willen halen, zeg ik: leg mij vast in oktober en u maakt de Vlaamse overheid € 100 afhandig. Goed besteed geld. Ik kan beter strijken dan uw grootmoeder en afwassen als een Turk met schulden, en ik doe niets onfatsoenlijks, behalve het lezen van poëzij.

ZONDAG 18 SEPTEMBER 2005

ZuiderZinnen. Ik moet lezen in het auditorium van het Museum voor Schone Kunsten samen met Stefan Hertmans en Koen Stassijns, terwijl op het hoofdpodium aan de voordeur Tom Lanoye de massa bespeelt. Een klein maar hardleers publiekje dus. Ik voel me in het gezelschap van die twee heerschappen de vreemde eend in de bijt. Bush, Blair en Bassie, zoiets. Ik verman mij. Hertmans mag dan wel god (nou nou) zijn in Vlaanderen en ik een klojo (nou nou), in pakweg Groningen zouden die verhoudingen wel eens een beetje anders kunnen liggen. Ik sta als derde geprogrammeerd en doe mijn ding. Als ik mijn dichies voorlees, en die gelukzalige koppen in de zaal zie, dan denk ik wel eens: 'Hoorne, dit is eigenlijk best aardig wat jij allemaal aan het papier toevertrouwt. Jammer van die boom, maar hey, it's worth it.' Anekdotisch? Welaan! Baldadig? You name it! Ironisch, sarcastisch, cynisch? Gelijk het leven zelve! Hoity toity? Zelden! Moet hoity toity niet met een koppelteken? Ik weet het niet! Lief? Dat ook! Overbodig? En of! Eigenzinnig, uniek, apart? Hoe langer hoe meer! Zinloos? Gelijk het leven zelve! Gelijk het leven zelve? Dat nooit!

MAANDAG 19 SEPTEMBER 2005

Voorstelling VWS-cahier van Hedwig Verlinde, geschreven door Lionel Deflo. VWS staat voor Vereniging van West-Vlaamse Schrijvers. Elk jaar verschijnen er zes sober uitgegeven boekjes over auteurs die in West-Vlaanderen wonen of geboren zijn. Van maar twee dingen in het leven ben ik zeker: 1) Ik ga dood. 2) Ooit wordt er zo'n boekje aan mij gewijd. Ik kende Hedwig Verlinde alleen van naam. Meer dan een kwarteeuw geleden publiceerde hij meer bundels dan de drukpersen aankonden en ineens was het op, over en uit. Nu heeft hij er weer zin in. Hij schreef/schrijft ook toneel, verhalend proza en is een uitstekend cartoonist. Ook al is zo'n presentatie niet het uitgelezen moment om dat te weten te komen, ik vermoed dat de man iets te vertellen heeft. Een nuchtere, verstandige, beetje sombere, realistische kerel die zijn idealen één na één in de prullenmand heeft gekieperd, en dit laatste, mocht het zo zijn, siert hem. Idealen hebben, da's iets voor jongetjes die hun eerste nachtelijke zaadlozing nog voor de boeg hebben.


13:11 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

12-09-05

VAN ALLESWETERS OVER VAN HET REVE TOT DE HOND EN DE HAES

Ik snap niet hoe ze het doen. Ze hebben alles gelezen, missen niets van wat er op hun 'thirteen (sic) channels of shit' ook maar te zien is, weten dat het geciteerde uit een Pink Floyd-song komt, hebben constant muziek opstaan, kennen alle teksten van pakweg de Kaiser Chiefs uit het hoofd, zitten heelder dagen in de kroeg, hebben elk seizoen een ander vriendinnetje waarmee ze drie maal per jaar een halve wereldreis maken, studeren nog, financieren die studies met de inkomsten van drie baantjes (krantenwijk, barman, freelance tekstschrijver) en hebben een mening over alles, en natuurlijk ook ruim de tijd om die meningen te vormen.

 

In het toilet liggen altijd boeken op de grond. Die kunnen daar een hele poos liggen blijven. Soms neem ik een boek mee en laat het daar achter. Arnon Grunberg leest Karel van het Reve. Hoelang ligt deze Rainbow Pocket al aan mijn met broek en slip gedrapeerde voeten? Voor alle duidelijk wil ik vermelden dat er in het toilet een hoekje is waar die boeken perfect in passen. Ze vormen geen belemmering bij het betreden of verlaten van de ruimte en hinderen niet bij het poetsen. Een boekenhoekje, maar wel op de grond. Dat heeft als voordeel dat een boek niet op de grond kan vallen, want het ligt er al. Ik heb vreselijk de pest in als een boek door onhandigheid of welke reden dan ook beschadigd raakt. De vloer is dus een prima plek. Het nadeel is dan weer dat ik wel eens kleine rosse beestjes tussen de pagina's aantref. Daarom laat ik er ook geen boeken slingeren die mij dierbaar zijn. Grunberg leest van het Reve dus. Ik kreeg het boek ooit ongevraagd toegestuurd. De pocket bestaat uit een heel leuke inleiding van Grunberg, onderkoeld grappig zoals hij dat kan en zoals ik het graag heb, gevolgd door een lot gelegenheidsstukjes van van het Reve. Meestal aardig, ook wel eens drammerig, maar dan wel op een sympathieke wijze. Zo is er een stukje waarin hij stelt dat de ouderwetse schoolregel om in een tekst herhalingen te vermijden, en in de plaats passende synoniemen te zoeken, larie is. Parijs, de Franse hoofdstad, de Lichtstad, u kent het wel. Hond, trouwe viervoeter, Woef. Steuntrekker, parasiet, Sacha Blé. Als de lezer merkt dat je je hebt uitgesloofd om synoniemen te zoeken, dan ben je als schrijver het haasje, stelt van het Reve, en gelijk heeft hij. Toilet, de plee, het kleinste kamertje. Een schrijver die het in alle ernst heeft over het kleinste kamertje zou, kop in de pot, even geflusht moeten worden. Verderop in het boekje – ik ben zover nog niet, maar ik heb het wel al snel snel doorbladerd – komt er nog een artikel waarin hij zich afvraagt waarom we Keulen zeggen tegen Köln en Düsseldorf tegen Düsseldorf, terwijl Düsseldorf in het Nederlands gewoon Dusseldorp is. Van dat soort stiff upper lip gezanik ben ik nogal wild. Mits goedgeschreven zijn dergelijke angry young (of old) man-verhaaltjes ronduit leuk. Ik kende het werk van KvhR helemaal niet, en weet je hoe dat komt?

 

Ik lees te weinig.

 

Sinds ik schrijf lees ik te weinig. Vroeger was ik lezer maar geen schrijver. Nu ben ik in de eerste plaats schrijver. Wie schrijft kan niet schrijven en lezen op hetzelfde moment. Ik lees – beroepshalve – vooral poëzie, maar net zoals een pornoacteur zich wel eens met gezonde tegenzin naar de set sleept, zie ik gedichten vreten ook wel eens als werken, zou ik liever in één ruk door het hele oeuvre van Elsschot lezen of opnieuw lezen, of me vastbijten in de broertjes Reve. Of die knakker die onlangs overleed – Louis en nog iets – en in de pers werd voorgesteld als een groot romanschrijver, ik heb nog nooit een boek van hem gelezen. Evengoed hadden ze in het journaal kunnen zeggen dat hij in 1961 wereldkampioen zaklopen werd, ik had het geloofd. Tijd te kort, altijd tijd te kort, ik verbeuzel wel eens tijd, maar killing time is ook iets wat gedaan moet worden. Waar gaat al die tijd naartoe? Ik heb een dagtaak en een gezin enzovoort enzovoort, maar voor de rest weinig besognes of bezigheden. Geen hobby's die mij inpalmen, ik hang niet uitermate veel voor de tv, mijd cafés en huishoudelijke taken. Ik lees geen kranten, pik de headlines mee op teletekst en internet. Ik lees de Humo nog slechts sporadisch. (Humo lezen was ooit een dwangidee. Must read Humo! Must read Humo! Van voor naar achter en van achter naar voor. Ben ik mee gestopt, toen ik het zoveelste Geena Lisa-interview las en me afvroeg waar ik in godsnaam mee bezig was – ja, Coco maakt het goed, hij is rustiger geworden sinds hij mij kent, maar heeft wel nog altijd die zweetvoeten die hij twaalf interviews geleden ook al had, en ja, het liefst van al zou ik altijd zingen – Wel, doe dat dan, trut, en hou die journalisten buiten!)

 

Eigenlijk wilde ik u alleen even wijzen op een boeiend artikel van Leo de Haes, baas van uitgeverij Houtekiet, in de laatste Brakke Hond, zie http://www.brakkehond.be/87/haes1.html.


20:24 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

06-09-05

MANKIE

Nog altijd stilletjes. Ik laat de bezoekers van mijn weblog, jullie dus, een beetje in de steek. De bezoekersteller dikt aan en er valt hier niks te beleven. Ooit was dit anders, maar ik wil a) geen slaaf zijn van mijn eigen creatie, b) verkies niks te zeggen als het voor jullie niet of nauwelijks interessant is, en c) wat onder b) valt maak ik wel uit.

 

Wat is er allemaal gebeurd sinds de vorige post? Wel, het is nu wel duidelijk dat Mankie zwanger is en binnenkort jongen ter wereld zal brengen. Op een dag stond ze aan de voordeur. Neen, ze belde niet aan, gekkerds, ze was er ineens, ging meteen liggen met een I'm here to stay-attitude. Even voordien hoorde ik een auto halt houden en dan weer wegscheuren. Begin juli, de tijd dat veel huisdieren op slinkse wijze gedumpt worden, beweren sommigen, al kan ik me moeilijk voorstellen dat dit frequent gebeurt. Mankie mankte, vandaar dat ze zich meteen neervlijde, en nu weten jullie ook waar ze haar naam vandaan heeft. Momenteel maakt ze het al veel beter, het zielige strompelen op drie poten is zo goed als verdwenen. Mankie is onze vierde poes. Navraag leerde dat niemand in de buurt een kat miste, want ook al ben ik dan nogal misantroop, ik wil niet dat iemand treurt om een verloren kat, en eigenlijk wil ik dat nog het meest van al voor de kat zelf. Mankie is een grijsbruine poes (om even een ander woord te gebruiken dan kat) met een dikke vacht en een flinke dosis natuurlijke cool. Ze palmde vanaf dag één het hele poezenverblijf in, maar wat voor allochtonen geldt, was evenzeer op haar van toepassing: integreren, en snel wat! Het lukt haar aardig. Menig Turk van de derde generatie kan niet tippen aan haar integreervaardigheden. Het scheelde niks of ik schreef haar in voor een cursus Nederlands. Als ik ooit een jeugdboek pleeg, zal het Mankie, kat met karakter heten. Titels zijn belangrijk. Maar dat betekent dan wel dat ik in dat boek Mankie allerlei streken moet laten uithalen waaruit blijkt dat ze ook effectief het karakter heeft dat ik haar toedicht, terwijl ze verdorie de hele tijd niks anders doet dan eten, in de zon liggen, zich schoonlikken en dan alles weer van voren af aan. En wat ze ’s nachts uitspookt, daar durf ik niet eens aan denken. Karakter, my ass. Wat er straks met de kittens moet gebeuren, is nog onduidelijk. Speciaalzaken zijn niet meer zo dol op gratis poesjes. Vier poezen is echt wel het maximum, we hebben besloten om er geen meer te nemen, maar de kleintjes moeten een goede thuis vinden, dat is voor mij een erezaak. Yep, ik ben een groot dierenliefhebber. Vooral de flair en het no-nonsensegedrag van katten kunnen mij vertederen. Een kat die verveeld over het terras loopt, dat is onderkoeld charisma van het zuiverste soort. Het doet mij denken aan die fameuze Wimbledon-finale tussen Borg en McEnroe. Borg, de icoon op de terugweg, McEnroe, de rebelse nieuwe tennisheld. Ook ik supporterde destijds voor de Amerikaan met het vreselijke kapsel en die brede rode haarband die aan dat kapsel vergroeid leek, maar zoals Ice Borg zelfs in de meest penibele situaties naar zijn stoeltje wandelde met die kromme beentjes en emotieloze blik van hem, dat deden weinigen hem na. Mankie kan het. De Borg-imitatie van Mankie is bijna beter dan het origineel. Maar haar tennisspel is dan weer niet om aan te zien.

 

Nog iets literairs? Wel, ik wil het even niet hebben over mijn nieuwe bundel. Zou een kat enthousiast doen over een nieuwe bundel? Ik denk het niet. Spinnen als een chronische bronchitis, dat wel, maar verder geen omhaal. Vandaag de bundel van Thomas Möhlmann in de bus. De vloeibare jongen. Mooie titel, maar niet zo mooi als Mankie, kat met karakter. Eerste impressie is positief. Het boekje is ook heel low profile en simpel uitgegeven. Daar houd ik van. Klein formaat, leuk maar goedkoop omslagje, een boekje dat je aanschaft voor de inhoud. Een boek dat roept: ‘Neem mij en lees mij’. Je hebt ook boeken die roepen: ‘Neem mij en zet mij in de kast.’ Ik kreeg ooit een boek dat naar mij riep: ‘Neem mij en gooi mij in de kachel.’ Die dichtbundel van Joep Kuiper, remember. Hoe zou het eigenlijk zijn met die knakker? Scheepsroerhersteller op de lange omvaart? Als daar maar geen poëzie van komt.

 

Er wordt heel veel gezeurd over poëzie op het internet. En vetes uitgevochten. Ik lees zoiets en haal mijn schouders op. Leven en laten leven, is mijn motto. Eigenlijk is mijn motto Hooters! Hooters! Luscious hooters! maar leven en laten leven is geen kwaaie tweede. Ik wil iedereen te vriend blijven. Ik ben een aardige jongen. Wie zegt dat het niet waar is, kan een klap voor zijn kanis krijgen.


21:39 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

STILLETJES (2)

 
Hé, kijk aan, ik sta op deze website.
 
http://www.nieuwetitels.nl/boek.php?nummer=161


11:30 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

20-08-05

STILLETJES

Het is een beetje stilletjes hier op mijn weblog. Dat komt omdat ik druk doende ben met de samenstelling van Het ei in mezelf, mijn dichtbundel die over enkele maanden verschijnt.

 

Met samenstellen bedoel ik dat ik, ten eerste, de gedichten selecteer. Vervolgens ze in een volgorde plaats. Niet makkelijk vermits ik niet een dichter ben die reeksen gedichten schrijft. Elk gedicht staat op zichzelf. Ik zoek dus overeenkomsten in mijn werk. Welke gedichten horen bij elkaar? Plaats ik die dan ook na elkaar of doe ik dat opzettelijk niet? Belangrijk is ook de bladspiegel. Welke gedichten komen naast elkaar in het boek? Heb ik gedichten die niet op één pagina kunnen, zo ja, dewelke? Ook dit is niet eenvoudig in te schatten, want hiervoor moet ik eigenlijk weten welke lettergrootte en welk font Arjan, de vormgever van Uitgeverij 521, straks zal gebruiken. Als ik me baseer op Inbreng nihil, dan zou er in Het ei in mezelf één gedicht voorkomen dat twee pagina’s beslaat. Daar bij de samenstelling dus rekening mee houden. Deel ik de bundel op in cycli? Eerst vond ik beter van niet, alle gedichten in één ruk na elkaar. Dan had ik ineens vier afdelingen, dan twee, drie, uiteindelijk toch twee.

 

Ik ben nu ongeveer klaar met de samenstelling en heb ook een verantwoording en de tekst voor het achterplat geschreven. Eerstdaags mail ik alles naar de uitgever die het in boekvorm zal gieten.

 

Zo, u bent weer helemaal bij.

 

En voor wielertijdschrift De Muur schrijf ik een verhaal over een bekende Belgische wielrenner.


12:22 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

19-08-05

GEDICHT

 

BINNENBRAND

 

Beloftes, beloftes, wie komt nog in de tepelhof

waar ze groeien in het wild? Trap niet in

het perk met de uitgestelde verlangens:

de tuinman en de dood zijn één.

 

Slaapdronken ogen kijken niet op als

sirenes het kermen van een kind versterken.

Angst die een leven lang sluimert of één keer

werkelijkheid wordt: ik wil niet kiezen.

 

Wie wakker ligt zal eeuwig sudderen in een bedje

van zweet; het knarsende grind, de jankende hond,

het windstille geritsel in de haag niet horen.

Slapen met open raam is bij wet verboden.

 

 

Philip Hoorne

2005


11:47 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

12-08-05

GEDICHT

 

SCHATERLOO

 

In Jonghans fronste ik mijn novelle terzijde, deed de dop

op mijn pen, bracht de pen naar mijn zak, maar hij viel

op de grond en rolde, rolde, god allemachtig, wat kon mij

Jonghans nog aan toe die stomme pen verdommen?

 

Verbouwereerd ging het verder, mijn maag keerde om en om

als een wastrommel. Ik zag huizen die geleken op alle huizen

die ik ooit eerder had gezien en een brug die eruit zag als een

brug die ik kende, maar dan langer, lager, logger en lomer

en zonder graffiti op de betonnen spanbogen.

 

Flessegem?

Gras is altijd en overal groen, en dat was niet anders in Flessegem,

maar het klein beetje troost dat ik hieruit puurde werd terstond weer

vermorzeld toen ik die knalblauwe geitenbok in de smiezen kreeg.

 

In Brikkelhove besloot ik uit te stappen, doch geheel van streek

bleef ik aan het gangpad genageld tot in Schaterloo.

 

Philip Hoorne

2005


22:52 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

10-08-05

GEDICHT

 

REDERIJKERSREDERIJ

 

Geen onwaardig woord zal ik schrijven over

jullie schrijven, geen onvertogen formulering

over deine ei zo na failliete carrosseriebedrijven.

 

Rikketikkende plaatgewelfden, potentieel gerief,

al dan niet onwillige mis- en laspunten, ooit zal

ik de laatste honky tonk-benige blikslager zijn.

 

Zie die opgemaakte oogjes, fijngeknepen voor geen rook.

Het betekent niets, schepen mijner woestijn, maar des te

meer voor dij. Jawohl, xantippes, het leven is illusie.

 

Philip Hoorne

2005


15:13 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

03-08-05

POËZIE NIET POPULAIR?

De voorbije dagen sprak ik enkele mensen via de mail en langs mijn neus weg informeerde ik wel eens of ze naar Het Tuinfeest in Deventer gingen. In al mijn argeloosheid durf ik te denken dat een poëziefestival iets is met altijd plaats en vaak meer dichters dan publiek. Niet zo te Deventer.
 
Wat lees ik op de website van Het Tuinfeest?
 
'Het Tuinfeest is uitverkocht! Buffetkaarten zijn niet meer te bestellen!
Het Tuinfeest 2005 vindt plaats op zaterdag 6 augustus.
Dinsdag 17 mei 2005 is de voorverkoop voor Het Tuinfeest 2005 van start gegaan.
Vier dagen later is reeds 75 procent van de kaarten gereserveerd.
7 juni 2005: Het Tuinfeest is uitverkocht. Dit is dus veel sneller gegaan dan de voorafgaande jaren!
Mocht u nog kaarten willen bemachtigen, houdt u dan ons gastenboek in de gaten.
Meestal bieden bezoekers die uiteindelijk niet meer gaan, daar hun kaartje nog te koop aan. Succes!'

 
Een toegangskaart kost 25 euro, een buffetkaart 22,50 euro. Echt goedkoop is dit niet, laat ons zeggen dat het een billijke prijs is voor een karrenvracht bekende dichters. In het gastenboek schreeuwen ongelukkigen wanhopig om tickets. Hoeveel bezoekers het festival aankan weet ik niet precies, maar het zijn er vele duizenden. Ik vind dit onvoorstelbaar. Vorig jaar was ik voor het eerst te gast op dit hoogfeest van de poëzie en ik ben dankbaar en verheugd dit jaar opnieuw te zijn uitgenodigd. 
 
Allen daarheen, zou ik zo zeggen, maar dan alleen voor zij die op tijd een kaartje hebben kunnen bemachtigen.

17:01 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

01-08-05

DICHTERS IN DE PRINSENTUIN - 29 JULI 2005

Vrijdagavond las ik in het Schouwburgcafé De Souffleur te Groningen tijdens de afsluitende happening van Dichters in de Prinsentuin de volgende gedichten. In chronologische volgorde:

uit Niets met jou: Lipide - Vogeltje
uit Inbreng nihil: Slotpleidooi
uit Het ei in mezelf (bundel verschijnt dit najaar): Donut - Bosbegeer - Oude mensen - Erfelijkheid - Terrasje - Ik wilde iets maken met mijn handen

Het gedicht Het leven gaat even tekeer liet ik ongelezen, omdat de twee lezers voor mij het tamelijk kort hielden en ik niet uit de toon wilde vallen door mijn lezing langer te maken dan de hunne. Te horen aan het applaus en de reacties achteraf, was het een vermakelijke performance. Toch is het waarschijnlijk dat ik het volgende week tijdens Het Tuinfeest over een geheel andere boeg gooi. Enkele van de bovenstaande gedichten las ik daar vorig jaar al en ik vind niet dat ik twee keer ongeveer hetzelfde kan doen. Ik weet het nog niet.


09:43 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

27-07-05

VAN SMALL TALK TOT BALLOTAGE

 

VAN SMALL TALK TOT BALLOTAGE

De invloed van popmuziek op poëzie. Een voorbeeld.
 

In de door Gerrit Komrij samengestelde bloemlezing Komrij's Nederlandse poëzie van de 19de tot en met de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten die begin 2004 werd uitgegeven, staan drie gedichten uit mijn debuutbundel Niets met jou. Eén van die gedichten is Ballotage.
 
Het zijn niet de kleurrijk verpakte dromen
die hij je schenkt met je verjaardag,
niet het bloemenabonnement
de half toegestoken hand,
een slap om je middel geslagen arm
of zakken vol poen,

 
maar heel eenvoudige woorden
nauwelijks verstaanbaar gefluister,
een half gemiste zoen
kleine bekentenissen in het duister,
zachtjes likken aan je ene tepel
zoeken naar de andere.

 
Dit amper durven.
 
Dit gedicht werd door de redactie van het literaire e-zine Meander verkozen tot gedicht van de maand juli 2002. In haar analyse schrijft redactrice Milla Van der Have: ‘Ballotage is een helder gedicht, dat zich eenvoudigweg laat samenvatten als 'Het zijn de kleine, onverwachte dingen die het 'm doen'. Ook in de liefde (…) Het zijn niet de 'kleurrijk verpakte dromen', niet de bloemen en al helemaal niet de 'zakken vol poen'. Nee, het zijn juist de intieme momenten, waarin die ander zich laat kennen als iemand met veel minder bravoure. Niet iemand van lange, romantische volzinnen, maar iemand van 'eenvoudige woorden', die dan ook nog eens amper verstaanbaar zijn. Ook op lichamelijk gebied hebben we te maken met een schuchter persoon: 'zachtjes likken aan je ene tepel / zoeken naar de andere// Dit amper durven' (…) Het is dit amper durven dat uiteindelijk de ballotage doet doorslaan.’
 
Een fraaie en voor de hand liggende ontleding van een inderdaad heel eenvoudig en helder gedicht: de opsomming van enkele nietes en enkele welles gevolgd door een magnifiek slotvers, al zeg ik het zelf. Ik herinner me dat ik dit gedicht met één pennentrek op papier zette, en niettegenstaande de onbetwiste poëtische kracht twijfelde ik toch even. Woorden van extreem grote eenvoud die zich in een mum van tijd tot een gedicht groeperen, kan dat wel hoogstaande poëzie zijn? In zijn essay Over het maken van een gedicht, uit de schitterende bundel Al die mooie beloften, vertelt Rutger Kopland over de totstandkoming van het gedicht Geen gezicht, geen handen, geen haar, en altijd. Twee maanden doet hij er over. Ik mag graag aannemen dat Kopland tezelfdertijd aan meerdere gedichten werkt, anders ligt zijn productie wel bijzonder laag. Trouwens, het gebeurde tijdens die eerste maanden als publicerend dichter wel vaker dat een klein meesterwerk zomaar uit mijn vinger vloeide, maar de eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat die gave afneemt naarmate mijn oeuvre omvangrijker wordt. Elk gedicht dat je hebt geschreven, kan je niet meer schrijven, en steeds maar mezelf herhalen, daar pas ik voor.
 
Waar komt een gedicht vandaan? Dichters weten het meestal wel, soms ook niet. Inspiratie, om dat vreselijke woord maar eens te gebruiken, vliegt je van alle kanten tegemoet. Wat maakt dat je die woorden neerschrijft en geen andere? Interessante vraag. Ik had mijn gedicht Dochter allicht niet geschreven indien ik er zelf geen had; Roots, uit mijn tweede bundel Inbreng nihil, is ontstaan op een trein die van Den Haag naar Kortrijk snelde terwijl ik, grasduinend in een bundel van Hugo Claus, de aandrang voelde om aan het witte blad toe te vertrouwen dat ik me geen typisch Vlaamse boompje-blaadje-akker-dichter voel, waarmee ik niet zeg dat Claus dat wel is. Ik bedoel gewoon maar: Roots ontstond door het samengaan van bepaalde elementen op dat welbepaalde moment. Een treinrit naar Parijs in het gezelschap van een bundel van een andere dichter had misschien ook wel tot een gedicht geleid, maar dan alleszins een ander dan Roots
 
Lezers en critici zijn vaak benieuwd naar de ontstaansgeschiedenis van een gedicht. Er zijn dichters die daar niet moeilijk over doen en bij hun werk allerlei randinformatie verstrekken. Ingmar Heytze sluit zijn bundel Het ging over rozen af met een verantwoording van twee volle pagina's waarin hij zijn lezers uitgebreid laat weten hoe bepaalde gedichten zijn ontstaan. Zelf ben ik van oordeel dat de dichter de mysterieuze aura die sowieso al omheen poëzie hangt niet hoeft te schenden, behalve als het een 'vertaling' van een andere kunstvorm betreft – bijvoorbeeld een gedicht bij een schilderij of beeldhouwwerk – of als het gaat om een parodie die niet ten volle kan gesmaakt worden als de lezer het geparodieerde origineel niet kent. Laat de dingen maar hun geheimzinnigheid. De kracht van de woorden die samen een gedicht uitmaken is het enige wat telt. Ik wil als dichter beoordeeld worden op mijn gedichten, nevenaspecten zijn minder relevant. Wat biografen en poëzieduiders na mijn dood zullen uitkramen laat me koud, al sluit ik niet uit dat dit nog kan veranderen eenmaal ik de man met de zeis in de smiezen krijg.
 
Principes zijn er om met een zekere regelmaat tegen te zondigen. Daarom neem ik u even mee terug in de tijd, naar de verloskamer waar het bejubelde Ballotage het levenslicht zag, een gedicht dat ik nooit had geschreven indien ik Small talk nooit had gehoord.
 
In 1991 bracht de Zweedse popgroep Roxette de cd Joyride uit. Het titelnummer was een gigantische hit. Op dit album staan nog tal van andere pareltjes: de ballads Fading like a flower en Spending my time, het up-tempo The big L, het catchy Church of the heart en niet in het minst Small talk, een lied over het dagdagelijkse gekeuvel tussen man en vrouw als de ideale barometer voor de liefde.
 
It's not the chapters he reads when you're feeling low down
It's not the touch of his skin when you kiss him goodnight
It's not the money he spends when you want to buy a daydream
And not that miracle smile that makes the sky bright

 
It's not the way his hands behave
When you've turned out the light

 
It's the small, small small talk that makes it all happen
Small, small small talk that makes you want to fly, yes it does

 
It's not the way he believes in you like a religion
It's not the thrill that you get when he's holding you tight

 
It's not the way his eyes persuade
You to stay the night

 
It's the small, small small talk that makes it all happen (just like that)
Small, small small talk that makes you feel like flying, yes it does

 
Information, heart and soul, a whisper, a word
Confessions that have to be heard
Small small talk

 
Come on now, come on now
Come on - you make it rock so heavenly
Come on now, come on now
Come on - you seem to talk so heavenly

 
Big words...
Small talk...

 
It's not the way his eyes persuade
You to stay the night

 
It's the small, small small talk that makes it all happen
Small, small small talk that makes you feel like flying, yes it does.

 
Liedjesteksten zijn zelden wereldpoëzie. Het gaat mij ook altijd in de eerste plaats om die rilling over mijn rug die veroorzaakt wordt door de muzieknoten, de tekst vind ik eerder van ondergeschikt belang. Small talk had nooit de onbewuste inspirator voor Ballotage kunnen zijn, indien ik niet sterk onder de indruk was geweest van de schoonheid van dit popdeuntje. Het is ook maar na herhaaldelijk beluisteren dat diep in mij een gedicht begon te kiemen. Muziek die mij niet aanspreekt kan nooit de voedingsbodem zijn voor poëzie, omdat ik die ofwel meteen uitzet, ofwel over mij heen laat waaien.
 
De gelijkenissen tussen mijn gedicht en het nummer van Roxette zijn treffend, maar dat zijn ook de verschillen. Marie Frederiksson stelt in Small talk duidelijk wat ze wel en niet van een man verwacht. Voorlezen uit een boek als ze zich wat neerslachtig voelt hoeft niet echt, een stralende glimlach of allerlei gedoe voor het slapengaan al evenmin. Ze raakt niet onder de indruk als een man haar stevig tegen zich aan drukt, of haar met zijn ogen bezweert om samen de nacht door te brengen. Een Zweedse ijsklomp, die Marie! Hij hoeft zelfs niet in haar te geloven als in een religie, en geld of geschenkjes spelen al helemaal geen rol. Het enige wat telt voor haar zijn de dagdagelijkse babbeltjes.
 
Die negaties komen ook voor in de eerste strofe van Ballotage. Ik hekel de tactloze kinkel die zijn vrouw met haar verjaardag een duur maar zielloos cadeau schenkt, b.v. het befaamde bloemenabonnement – kan zijn liefste zelf op gezette tijden naar de bloemenwinkel hollen! – en daarmee tracht te verdoezelen dat hij haar de rest van het jaar onheus behandelt. De half toegestoken hand en de slappe arm verwijzen naar hoe dergelijke koppels zich en public gedragen. Niemand mag merken dat zij levenslang tot elkaar veroordeeld zijn en aan elkaar vastgeklonken middels hun trouwringen en de gemeenschappelijke bankrekening met wederzijdse volmacht. Diametraal daartegenover staat de zachte, tedere liefde die ik in de tweede strofe beschrijf. Het tweede en vierde vers van deze strofe tonen aan dat ik even leentjebuur heb gespeeld bij Roxette. Geef toe, had ik het u niet gezegd, u had het nooit geweten.
 
Is het zo eenvoudig, poëzie? Voor de criticasters die van plan zijn om straks ter kwader trouw rond te bazuinen dat Hoorne zijn dichies overpent uit songteksten, wil ik duidelijk stellen dat Ballotage het enige gedicht is waarvan ik me bewust ben dat het door een liedjestekst is beïnvloed, en door wélke liedjestekst. Trouwens, ik volg die hele muziekbusiness al lang niet meer van dichtbij. Dat ik een cd uit het jaar '91 tien jaar later voor het eerst helemaal beluisterde, is in dit opzicht veelbetekenend. De knop van de hifiketen staat bij mij hoe langer hoe meer op off, geen gewilliger muze dan de sound of silence. En mocht ik dan toch stiekem met mijn neus in stapels songteksten zitten, dan nog is het niet evident om daar poëtische meesterstukjes uit los te pulken. Als je als dichter op slinkse wijze wilt 'stelen' of de poëzie die diep in je eigen lijf huist omhoog wilt wrikken met externe hulpmiddelen, dan neem je best een verkwikkend bad in het werk van collega's, in plaats van bezig te zijn met holle songteksten die vaak niet meer zijn dan op een hoop gegooide clichés met veel oooh, aaah en lalala. Ook de woorden van Small talk zijn banaal. Desalniettemin gaat mijn dank uit naar Per Gessle, de frontman van Roxette die ze op papier zette, en zonder dat hij het ooit zal beseffen aan de grondslag ligt van een halve bladzijde in Komrij's Nederlandse poëzie van de 19de tot en met de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten.
 
Philip Hoorne
2004

10:56 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

20-07-05

VERZURING

Afgelopen weekend danste België voor het 175-jarig bestaan van ons land en 25 jaar federalisme op de tonen van het mooie Ik hou van u van Noordkaap, voor de gelegenheid ook in het Frans vertaald. Beide versies blijven in mijn hoofd rondspoken. In diverse steden werden pleinen bevolkt door hossende mensen van uiteenlopend pluimage, mensen 'die het een keer wilden meemaken' of het 'zeker niet wilden missen'. De danspasjes werden zeker op één plaats – ik zag het in het journaal – aangeleerd door een schabouwelijk Nederlandse pratende janet in een sneeuwwitte … euh… janettenbroek en dito sweater. Ik gruwde in stilte.

 

De overheid deelt aan wie dit wil feestcheques uit, of buurtcheques, of barbecuecheques, of hoe ze ook mogen heten. Voor mijn geestesoog ontrollen zich dan met wit papier bedekte tafels, die bestaan uit grote, doorhangende planken op schraagjes, en voor mijn zware lijf veel te lichte opklapbare vissersstoeltjes. Verder zie ik kartonnen eetborden en plastic couverts, lauw bier, aangebrande saucissen en verlepte sla. Nonkel Jules die zich een hele namiddag en avond lang moet beheersen om niet te tasten naar de bijna uit de bloes glippende borsten van tante Julia. Zoals in dat liedje van Boudewijn de Groot – reputatie definitief om zeep sinds zijn verschijning in Flikken – inderdaad, maar wel andermans vrouw. De filosofie: mensen moeten terug samenklitten op straat, schrijlings op stoelen gezeten tegen elkaar aanlullen tot ze omver vallen van de vaak. De tongen mogen losgemaakt worden met geestrijk vocht, doch met mate. Er mag gerookt worden, ja, nog even, tot het helemaal en overal verboden is. Tieners moeten weer verliefd worden op hun buurjongen of –meisje in de plaats van een lief te zoeken op het internet of in een rokerige dancing met dubieuze Slavische buitenwippers aan de voordeur. Ik gruw in stilte. Massagedoe, opgefokte lolbroekerij, schaterlachen op commando, wie deze weblog al langer dan vandaag bezoekt, weet dat ik er een hartgrondige hekel aan heb.

 

En toch, en toch, beste lezers, zijn dit verdienstelijke en broodnodige pogingen om de verzuring van de maatschappij, zoals dat dan zo mooi heet, een halt toe te roepen. Een verzuring, waar ik met mijn vaak ironische, cynische en sarcastische geschriften, aan meewerk, ik weet het. Maar ik pleit onschuldig. Ik ben ook maar een product van mijn ouders en voorouders en de samenleving waarin ik werd geboren en grootgebracht, en dit is de wereld waarin ik moet leven. Of zoals ik het stel in de slotstrofe van mijn gedicht Slotpleidooi uit de bundel Inbreng nihil:

 

Edelachtbare, er is geen goed, er is geen kwaad,

dat zou u toch moeten weten, het spijt me zeer.

Geef mij het voordeel van de twijfel,

ik ben een exponent van de erfelijkheidsleer.

 

Waarschijnlijk de beste strofe uit het beste gedicht van de hele bundel. Ik krijg altijd weer een krop in de keel als ik dit voorlees. Dat heeft natuurlijk te maken met de regels die voorafgaan. In dit gedicht geef ik me bloter dan bloot, niks afstandelijk cynisme, maar doorleefde poëzie. En natuurlijk lieg ik in dat gedicht, want er is goed, en er is nog veel meer kwaad.

 

Maar het gaat nu even niet over mezelf en mijn werk. Ik ben hard geschrokken van de aanslagen in Londen, vooral toen bleek dat ze het werk waren van zelfmoordterroristen. Vroeger schoten mensen op elkaar en wie de tegenstander het eerst uitschakelde, was de overwinnaar. Cowboy en indiaan. In dit geval echter zijn er geen winnaars. Hoe blind moet haat zijn om er het eigen leven voor veil te hebben? Of hoe nutteloos moet iemand zijn leven vinden? Dit laatste is misschien nog erger dan het eerste. Hoe sterk is de overtuiging die een knappe Pakistaanse man ertoe brengt explosieven op zijn lichaam vast te binden en die in een overvolle dubbeldekbus tot ontploffing te brengen? Wat moet er in die kerel zijn omgegaan gedurende de laatste minuten van zijn leven, toen hij zijn slachtoffers nog in de ogen kon kijken. Wellicht keek hij in het gezicht van een brave huisvader op weg naar het werk, misschien tegen zijn goesting, maar met de verdomde plicht te zorgen voor zichzelf en zijn dierbaren. Keek hij in de ogen van een puistenjongen die verlegen het hand van zijn vriendinnetje vasthield, beiden dromend van een roze toekomst, later, met elkaar? Besloot hij het zaakje af te blazen in de plaats van op te blazen toen hij een moslimvrouw met hoofddoek, en twee volle boodschappentassen met zich meezeulend, op de bus zag stappen? Dacht hij op dat moment: neen, dit gaat te ver, ik kan het niet? Kon hij nog wel terug? Maar ja, hij kon terug! Hij had de chauffeur moeten toeroepen de bus te stoppen, die had dit ongetwijfeld niet meteen gedaan, maar dan had hij de waarheid kunnen schreeuwen. Die verrekte deuren open, iedereen naar buiten, ruk die explosieven van mijn lijf, ik wil leven, ik wil godverdomme leven. Zo is het dus niet gegaan.

 

Dit is geen eerlijke strijd meer, dit is guerrilla, het laffe broertje van oorlog. We hebben met mafkezen te doen, gevaarlijke mafkezen. Ik weiger politieke uitspraken te doen. De maatschappij is in een bepaalde richting geëvolueerd, ik stel dat samen met u vast. Verder weet ik niks, behalve dat ik nog ruim een kwarteeuw op deze planeet hoop te verwijlen en van zoveel mogelijk minuten mooie minuten wil maken. Wat ik wel weet is dat het geen kwaad kan een hartelijke, verdraagzame, altruïstische attitude tegenover onze medemens tentoon te spreiden. Dit klinkt melig, maar laten we nu eens ophouden met onze stekels op te zetten tegen alles wat een zekere feel good-uitstraling heeft. Ik doe mijn best, waarschijnlijk niet genoeg mijn best, ik beken. Misschien laat ik míjn borstel te vaak onaangeroerd, maar als we elk voor onze deur vegen, is de straat schoon – nog zo'n dooddoener, maar wel een waarheid als een koe, maak daar een hele veestapel van.


21:57 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

19-07-05

MAAKT KENNIS GELUKKIG? (2)

Het was de Witten die als eerste het woord vroeg, en zonder het expliciet te krijgen, in een sappig koeterwaals en met een alsmaar roder wordende kop, tegen de stelling van leer trok. De Witten en ik durfden wel eens van mening te verschillen, maar niet dit keer. Hij was een burgermannetje, zowel in kleding – hij droeg bijna altijd een marineblauwe Lacoste-sweater, met de knoopjes (koperkleurig, met de beeltenis van een anker) op de schouder – als in gedachten – een kleine, conservatieve, kapitalistische kloothommel – maar hij beheerste als geen ander de gave om de lessen lam te leggen. Eenmaal op toerental verdedigde hij zijn denkbeelden met een oprechte, maar naar mijn smaak toch lichtjes overgeacteerde bezieling.

De Witten fulmineerde ongemeen heftig dat kennis absoluut niet gelukkig maakt. Hij illustreerde dat met een paar overdreven en bijgevolg te zwakke argumenten opdat ik ze mij vandaag nog zou kunnen herinneren. De Witten wist hoe hij een motor aan de praat kon krijgen, maar niet hoe hij moest motorrijden. Gelukkig namen anderen het gretig van hem over, er evenwel zorg voor dragend dat het geen kakofonie werd, want in dat geval zou Lambert resoluut terugkeren naar zijn passé composé en futur simple. De rustige, ingetogen jongen die ik was aanschouwde het slagveld en liet de storm aanvankelijk wat overwaaien. Ik hield mijn argumenten altijd een tijdje op zak en kwam er mee voor de dag als het gebakkelei wat in het slop dreigde te geraken, een strategie die in de loop der jaren haar deugdelijkheid ruimschoots had bewezen. Op het moment dat Lambert zich ei zo na opnieuw over zijn handboek boog en naar een krijtje greep, stak ik mijn vinger op. Glunderende gezichten op alle banken. Ha! Phil, de personificatie van het pseudo-gezond verstand, gaat er nog een snok aan geven. Oui, monsieur Hoorne, zei Lambert. Met vaste stem en zonder eenmaal met de ogen te knipperen, verkondigde ik in het Nederlands – het mocht, Lambert zag zichzelf blijkbaar nog steeds als de winnaar op punten – dat een mens die leeft als een verdorde plant, bijvoorbeeld na een ongeval of trauma, en de godganse tijd gekluisterd is aan een rolstoel, van waaruit hij onafgebroken, zonder te beseffen wat hij ziet, kan turen naar kwinkelerende vogeltjes en fladderende vlindertjes, en met op zijn kop een gek petje – met publicitaire opschriften – tegen het profijtig doch hartverwarmend zonnetje dat genadeloos in het gelaat schijnt, waarschijnlijk veel gelukkiger is dan de strafste bolleboos. Het was een hard en cynisch, o zo typisch – toen al – Hoorne-voorbeeld.

Lamberts mond zakte open. Daar had de franskiljonse wijsneus niet van terug. Touché. Ik keek triomfantelijk het klaslokaal rond. Links en rechts enig flauw instemmend gegrom, maar niet het verwachte huldebetoon. Waar bleef mijn lauwerkrans? Spargo knabbelde op zijn pen, Schaap staarde naar het plafond, uit de mond van Magere Gino bungelde een eindje kauwgom, Billy speelde met een elastiekje, Joe Penis frutselde aan zijn jeans en de Witten bladerde met nerveuze vingers in zijn werkschrift, alsof hij daar het onweerlegbare antwoord zou vinden op de schijnbaar intrigerende maar in wezen belachelijke vraag waarmee we nu toch al een half lesuurtje zoet waren. Zijn hoofd zag er inmiddels uit als een overrijpe tomaat met de brandende ambitie om heel binnenkort in een kwak tomatenketchup te transformeren.

(wordt vervolgd)


17:18 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

15-07-05

MAAKT KENNIS GELUKKIG? (1)

Kennis maakt gelukkig. Of niet? Het was in een Franse les dat de discussie gevoerd werd. We probeerden de leraar altijd weg te lokken van die verwijfd in onze oren klinkende taal van Molière. Op maandag was er het competitievoetbal van het voorbije weekend, op donderdag het Europese voetbal van de woensdagavond, met op woensdag soms al een voorbeschouwing. De andere dagen van de week en buiten het voetbalseizoen moesten de creatiefste leerlingen al hun inventiviteit aan de dag leggen om stokken in de wielen van het reguliere lesverloop te steken. Monsieur Lambert hield van voetbal en discussieerde graag, en om een zekere vaart in het geredetwist te krijgen, werd met zijn stilzwijgende en argeloze toestemming snel overgeschakeld naar de moedertaal. Maar Lambert had ook een hekel aan verliezen. Als hij in een argumentatieslag het onderspit dreigde te delven, probeerde hij met een gebiedend, kort en krachtig maar vooral kinderachtig "En français, monsieur!" het laken alsnog naar zich toe te trekken.

 

Ik weet niet meer precies om welke reden de stelling dat mensen die veel weten gelukkiger zijn dan mensen die niet veel weten opeens het snikhete klaslokaal kwam binnengewaaid, wel dat de heer Lambert ze onderschreef en verdedigde. Wij, de studenten, keken elkaar aan. De ene fronste een wenkbrauw, een ander trok een vies gezicht, de meeste verroerden geen vin. Dit was andere koek dan de vraag met hoeveel goals verschil Club Brugge die avond een stelletje Roemeense zakkenwassers zou gaan inblikken. Filosofisch getinte leuterpraat, daar konden we een flink pak grammaire mee ontlopen.

 

(wordt vervolgd)


21:26 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

14-07-05

CONSUMPTIEMAATSCHAPPIJ

De consumptiemaatschappij. Die bestreden wij toen ik nog een jonge jongen was. Heeft iemand het woord nog gehoord de afgelopen tien jaar? De grote mensen hadden de Koude Oorlog, wij de consumptiemaatschappij. Wij is veel gezegd. Ik heb nooit deel uitgemaakt van een wij. Het is een woord dat prima bekt: consumptiemaatschappij. Met een -s, zo zeggen wij het, en niet met een -z zoals de Nederlanders het uitspreken, alhoewel 'conzumptiemaatschappij' eigenlijk nog stoerder klinkt. Als er iets tegenviel, dan schoof je de schuld zonder verpinken in de schoenen van de consumptiemaatschappij. Ruzie met het liefje? Consumptiemaatschappij! John Lennon vermoord? Consumptiemaatschappij! Naast de wc-pot gepist? Consumptiemaatschappij!

Op school hadden we leerboeken waarin nogal van jetje werd gegeven tegen de consumptiemaatschappij. We hadden dat woord ergens vandaan, toch? In zo'n schoolboek stond dan een zwartwitfoto, voorstellende een hoop bij elkaar gezochte luxeartikelen. Dit plaatje moest het jonge volkje duidelijk maken dat het beter was je die dingen te ontzeggen dan toe te geven aan de subtiele aantrekkingskracht van de verborgen verleiders. Verborgen verleiders, nog zo'n begrip uit lang vervlogen tijd. Het getuigde van een zwakke persoonlijkheid indien je toegaf aan het valse geluk dat de reclame je tersluiks probeerde op te dringen. Ontwaarde je in het straatbeeld een affiche waarop een blitse jonge vrouw een flesje fris tegen de lens douwde, dan mocht je naar de vrouw kijken maar niet naar het drankje, want dat product kon je kopen, die vrouw niet.

Tegenwoordig is er geen andere maatschappij dan de consumptiemaatschappij, vandaar dat het woord niet meer gebruikt wordt. Alles is consumptiemaatschappij, waarom dat prefix dan nog hanteren? Ik heb net zoals destijds nog altijd een hekel aan mensen die overdadig consumeren, die werkelijk alles willen, en het ook hebben. Die hersenspoeling heeft op mij dus echt wel effect gehad. Het ergert me dat iemand een i-pod (schrijf ik dat goed?) heeft terwijl 95% van de bevolking nog niet eens weet wat het is. Voelde ik me als tiener ongelukkig omdat ik geen i-pod had. Tuurlijk niet, ik voelde me altíjd ongelukkig tout court, daar had zo'n stom ding geen verandering kunnen in brengen.


11:26 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |