08-06-05

GEDICHT

 

TV ZEE

 

Grijpen. Niet grijpen.

Vangen. Opvangen.

Van mijn handen kommetjes maken.

 

Er viel niets.

Natuurlijk viel er niets.

Er viel niks te vallen

want het scherm is ondoorlatend

waarna de zieners zonder zeggingschap

van de 80’er jaren voorbijgleden zonder zich te herhalen.

En nog eens, en nog eens, maar dat waren zij niet meer.

 

In deze eeuw van tapen en registreren,

van spelen en spoelen is het veel beter – natuurlijk!

alles wordt altijd veel beter dan wat is geweest –

maar is beter echt wel beter

 

voor de nieuwe god die van op een duintop 

eb en vloed regelt met zijn zapper:

eb ebber eb

vloed vloeder vloed

zee rolt aan

zee rolt af

 

eb ebber eb

vloed vloeder vloed

zee likt het land

zee likt zichzelf

 

eb ebber eb

vloed vloeder vloed

zee likt een meeuw

zee likt een eeuw

maar het hoge zand blijft droog.

 

Ik greep, en niet begrepen

overvloeide de ongrijpbare zee

geen voeten, geen benen.

 

Philip Hoorne

2005


22:43 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

04-06-05

GEDICHT

 

COÏTAAL WILDE LAKENS

 

vrij naar ‘totaal witte kamer’ van Gerrit Kouwenaar

 

Laten wij nog eenmaal de lakens wild maken

nog eenmaal de coïtaal wilde lakens, jij, ik

 

ik zal geen sperma sparen, nog eenmaal

de lakens wild maken, nu, nooit meer later

 

en dat wij dan bijna het volmaakte plaatje na-apen

dat daar gedrukt staat, wilder dan wendbaar

 

dus nog eenmaal die lakens, de voor altijd coïtale

zoals wij er lagen, liggen, niet liggen konden blijven

wilder dan, samen ;-)

 

Philip Hoorne

2005


14:48 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

01-06-05

GEDICHT

 

IMMER WIEDER ZOMBIE

 

Je zal het licht maar hebben uitgevonden, zien wat er

niet valt te zien als de zon onder en alles donker wordt.

Iedereen vol lof terwijl – eigenlijk – licht niets

anders dan zichtbare duisternis is.

 

Niets dan een sta in de weg voor de onzekere tast, de ogen-

loze streling van de vormen, de nooit aflatende zoektocht

naar het ronde, de behoedzaamheid voor de vloekende

hoeken waar geen tederheid ligt.

 

Niemand die nog zweert bij de culturen van het beeld.

Strompelen blijft de norm, struikelen raakt in zwang.

Iedereen is mooi en geen mens verdwijnt, dood en leven

aan elkaar gelijk. Immer wieder zombie.

 

Philip Hoorne

2005


23:16 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

26-05-05

DAT HEET DAN GELUKKIG ZIJN (6)

- vervolg van Dat heet dan gelukkig zijn (1), (2), (3), (4) en (5) -

Apollonia Six vond het welletjes. Ze borg haar verrekijker in zijn koker, sloot de gordijnen, liep de trap af naar de hall, nam de hoorn van het telefoontoestel in de ene hand en vormde met de andere een nummer. Aan de andere kant van de lijn klonk een zangerige mannenstem.

"Allo, met inspecteur Haantjens van de lokale politie, zone Grensstreek."

"Allo, mijnheer de inspecteur, u spreekt met mevrouw Six uit de Frank Vandenbrouckestraat te Ploegsteert."

"Met wat kan ik u deze keer van dienst zijn, mevrouw Six?" klonk het opeens zeurderig in de plaats van zangerig.

"Ik bel u nog eens in verband met mijn buurman, de zotten Rondeel. Hij is weer bezig. Ik durf u bijna niet te vertellen wat hij nu weer aan het uitspoken is."

Wilfried Haantjens hield zijn hand voor de hoorn, zuchtte diep en katapulteerde met duim en wijsvinger een snottebel, die hij uit zijn neus had gewrikt en tot een elastisch bolletje gerold, hoog in de lucht. Het projectiel plofte geruisloos neer op de bureauonderlegger van aspirant hulpagent Vandewiele, die een week verlof zonder wedde had genomen om de Bende van Nijvel op te rollen. Haantjens geloofde stellig dat zijn collega in zijn opzet zou slagen en volgende week met een niet onaardige vangst het bureau zou betreden. De vader zaliger van Vandewiele was zelf een bendeslachtoffer, de jongen kon dus, in tegenstelling tot meer dan de helft van het korps, onmogelijk een gebrek aan motivatie worden aangewreven.

"Vertel het toch maar, mevrouw Six. Anders had u mij evengoed niet kunnen bellen en u de kosten van dit telefoontje besparen, niet?"

Hij hoopte dat de gierige weduwe Six de hint zou vatten en het niet al te lang zou maken. Hij hield zijn hand op de microfoon en geeuwde.

Op dat moment werd de helft van Vlaanderen door een telefoonpanne getroffen. Zowel Apollonia Six als inspecteur Haantjens kregen een storingstoon te horen. Haantjens haakte snel in. Hij wreef aan zijn ogen, hij voelde zich moe en lamlendig. Die verhaaltjes over zotte Rondeel begonnen hem te vervelen, net zoals die mafkees mij ook ferm de keel begint uit te hangen. Wat mevrouw Six inspecteur Haantjens te vertellen had, interesseert mij niet, ik ben het zat, en ik hoop van u hetzelfde. Dat de weduwe van Adolphe Six, gewezen ere-directeur van het muziekconservatorium van Ploegsteert, tevens uitvinder van de sixofoon, nog dezelfde dag stierf, ook dat is een verhaal dat ooit elders ofwel nooit zal worden verteld. Ik vertik het in elk geval. En wat een sixofoon is, ach, maalt iemand daarom? Een buis met gaten, een mondstuk en een trompetvormig uiteinde, tiens. Moet ik hier echt alles van naaldje tot draadje gaan uitleggen? Weten jullie dan niks? Hebben jullie geen greintje fantasie?

Sorry lezers, ik ben een beetje over mijn toeren, maar ik heb het echt wel gehad met die Ignace Rondeel. Eigenlijk heet hij niet Ignace Rondeel. Neen, ook niet Jos. Hij heet Ignace Brondeel. Brondeel is een oerdegelijke Vlaamse familienaam. Rondeel daarentegen is zo’n dichtvorm met een enkele malen weerkerende versregel, even gekunsteld als het sex-appeal van het getal pi, maar soit, wie ben ik om oordelen te vellen over wat dan ook? U ziet, ik raak weer op dreef. Uit mijn nek lullen, dat kan ik als de beste. Maar zo’n verhaal over ene Ignace Brondeel afmaken, neen, laat maar zitten. U zal wel vermoeden dat hij in een psychiatrische inrichting werd opgenomen omdat Irene niet langer voor zijn verzorging kon instaan. Dat u vermoedde wat u wilt, maar het is afgelopen met ‘Dat heet dan gelukkig zijn’. Waar die titel vandaan komt, weet ik ook niet meer. Tuurlijk is het de titel van een bekend liedje van de ons veel te vroeg ontvallen – zo heet dat dan – nachtegaal – zo ook – Ann Christy, maar of ik er goed aan gedaan heb om eerst een titel te kiezen en daar dan met haken en ogen een verhaal aan te breien is zeer de vraag. Die nu niet langer gesteld moet worden.

Titels zijn belangrijk. Ooit gaf ik een medisch-literaire lezing voor de beroepsvereniging van plastische chirurgen. Achteraf kwam een van die dokters mij feliciteren met mijn uitspraak ‘titels zijn belangrijk’ terwijl ik eigenlijk gezegd had ‘tieten zijn belangrijk’. Ik liet hem maar in de waan. Veel dokters zijn een beetje doof, vooral plastische chirurgen. Dat komt omdat er tijdens het opereren vaak silicone aan hun vingers blijft kleven, en dan peuteren ze met die siliconevingers in hun oren en zo raakt de gehoorgang verstopt. Ikzelf ben ook een beetje doof, maar geen dokter. Als mensen iets tegen mij zeggen, dan gebeurt het dikwijls dat ik glimlach en hen vriendelijk toeknik zonder dat ik een woord heb verstaan van wat mijn gesprekspartner nu eigenlijk uitkraamt. Vooral als er veel achtergrondrumoer is, gaan de woorden compleet de mist in. Heel vervelend is dat. Ik voel me soms een lul als ik weer eens schaapachtig sta te grijnzen in iemands gezicht, terwijl de mond in dat gezicht onhoorbare klanken uitstoot.

Onlangs ging ik naar de kroeg met mijn allochtone vrienden Abdelkader en Abdelflab. Abdelkader bestelde drie kamelenpis met citroen en we nestelden ons aan het enige nog vrije tafeltje. Hèhè, gezellig, zo eventjes de hort op met mijn allochtone vrienden Abdelkader en Abdelflab. Zouden er nog nieuwtjes zijn uit het verre Allochtonië?

(wordt vervolgd)


16:55 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

24-05-05

GEDICHT

 

ANONIEME SCHENKING

 

Ze nam ze aan en stelde geen vragen.

 

Mijn naam en wie ik ben is niet belangrijk,

wie jij al evenmin.

 

Ga nu en schik ze in een vaas.

Denk aan mij telkens je naar ze kijkt.

Kijk ernaar telkens je aan mij denkt.

Eenmaal verwelkt, gooi maar weg,

daar houdt het op.

 

Of toch niet.

 

Wat blijft heet herinnering: aan nu, hier,

jij, ik. Voor de rest: geen enkel belang.

 

Ze rook haar ogen dicht, ging heen en loste op

zonder ook maar één keer om te zien. Dit stemde

mij zo somber dat ik weken niet meer sliep.

 

Maar bloemen, meisje en wakkere nachten verwelkten.

En slaap keerde weerom als een oude vriend.

 

 

Philip Hoorne

2004


22:47 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

23-05-05

DAT HEET DAN GELUKKIG ZIJN (5)

- vervolg van Dat heet dan gelukkig zijn (1), (2), (3) en (4) -
 

Ignace Rondeel zat geknield naast zijn bed. Van op de rug gezien leek hij een man in gebed, maar dat mes en die vork in zijn handen deden een argeloze toeschouwer wis en zeker twijfelen aan het religieuze gehalte van dit tafereeltje. Op de gebloemde bedsprei lagen een zoutvaatje en een pepermolen. Ignace wilde zijn bed opeten. Giechelend als een schoolmeisje tijdens een biologieles over de menselijke voortplanting, prikte hij met zijn vork in de matras terwijl hij met het mes probeerde om er stukken af te snijden, maar – zoals u allicht niet weet, maar neem het gerust van mij aan – zo’n matras is nogal taai en dat snijdt niet makkelijk. Al snel gaf Ignace er de brui aan. Ontgoocheld gooide hij het bestek in een hoek van de kamer en raakte daarbij ei zo na de vogelkooi met de dode mus.

 

Vorige week had Ignace in het stadspark een dode mus gevonden. Irene vertikte het een kooi te kopen, maar toen hij maar bleef zeuren en uiteindelijk op zomaar een middag van pure razernij zijn hoofd in de kom met spaghettisaus doopte, besefte ze geen andere keus te hebben. Haar man bleek over een grenzeloze energie te beschikken die ze niet in hem vermoedde, een vitaliteit die zij daarentegen nooit had bezeten en ook nooit zou bezitten. Ignace was blij met zijn dode mus. Hij kon er wel twee minuten aan een stuk naar kijken, maar dan rende hij weer het huis door en hoorde ze hem nu eens rommelen op zolder (dood aan de spoken!) dan weer de kelder instuiven (meisjes, ik kom jullie bevrijden!) of bevond hij zich in de tuin, rollend en dollend op het gazon, alwaar hij samen met de hond aan zijn ballen likte. Hoe vaak had ze hem al gezegd dat dit niet betaamde. En dat bovendien die hond maar aan zijn eigen ballen moest likken. Ignace hoorde het niet, hij ving klanken op, maar die waren zonder betekenis. Aan Irene’s gezicht kon hij wel zien of ze iets al dan niet leuk vond, of ze blij of boos was. Maar hey, waarom rolde ze ook niet ballenlikkend over het gras? Is leuk toch! Waarom speelde ze niet mee? Waarom sneed ze de matras niet in kleine stukjes zodat hij die beter kon kauwen? Waarom kocht ze geen zaad voor zijn dode mus? Waarom deed die vrouw altijd zo vervelend, waarom moest zij altijd de spelbreker zijn, waarom zat ze soms in een hoekje te huilen? Waarom bleef ze altijd in zijn buurt als ze toch niet deed wat hij van haar verlangde, waarom liet ze hem niet met rust, ze liet de dode mus wel met rust! Moest hij dan ook eerst dood zijn vooraleer ze hem met rust zou laten?

 

(wordt vervolgd)

20:38 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

18-05-05

DAT HEET DAN GELUKKIG ZIJN (4)

- vervolg van Dat heet dan gelukkig zijn (1), (2) en (3) -

Ignace – Jos – Rondeel kreeg dus een ladder op zijn hoofd. Hij hoorde iets kraken tussen zijn oren en verloor het bewustzijn. Vier maanden later mocht hij het ziekenhuis verlaten. De dokters hadden hun best gedaan, de verpleegster hadden goed voor hem gezorgd, zijn vrouw Irene kwam hem ophalen. Ignace, alias Jos, voelde zich goed noch slecht, maar wist niet meer wie hij was – gelukkig wist Irene het wel nog, zodat ze niet met de verkeerde vent huiswaarts keerde – net zoals u ook niet meer weet of de man naar wie ik nu eens verwijs als Ignace en dan weer als Jos nu eigenlijk Ignace of Jos heet. Verwarring alom, ook en vooral onder het schedeldak van – laten we maar kiezen voor zijn oorspronkelijke naam – Ignace Rondeel, ex-huisschilder, thans invalide, levensgenieter van huis uit, geknakt voor het leven door een vallende ladder, zo’n vreselijk werktuig waarmee mensen alleen maar letterlijk hogerop geraken, zo’n ding waar ik, en nu spreekt tot u de schrijver zelve, helemaal niet van houd, want ik heb hoogtevrees.

Dertien sporten durfde ik ooit op, maar omdat dertien het ongeluksgetal bij uitstek is, moest ik naar de veertien of terug naar de twaalf. Ik koos eieren voor mijn geld in de plaats van eieren in mijn broek en daalde af naar de twaalf. Dat stond heel lekker. Wie ooit op de dertien heeft gestaan, voelt zich op de twaalf heel dicht bij de grond. Ik stal de show door heel even één hand los te laten, want beneden hield een klein legertje mensen mijn ladder vast, allemaal mensen op wie ik volledig kon betrouwen en die wel een miniperformance van mijnentwege verdienden, zolang ze maar niet begonnen te applaudisseren, aan die ladder met die handen! Eentje moest er ineens niezen waardoor de ladder een schokje kreeg. Die kerel heb ik met een strenge berisping weggestuurd:

"Ik wil je nooit ofte nimmer meer zien, ik heb jou mijn vertrouwen geschonken en je hebt het beschaamd, meer dan één keer trouwens, want denk je misschien dat ik niet merk dat je helemaal niet gemotiveerd bent om mijn ladder vast te houden, dat het jou zelfs ronduit verveelt dat ik op jou een beroep doe om mijn veiligheid te garanderen. Ga dan – en ik wees theatraal met een reetstrakke wijsvinger over de daken onder mij, nou ja, ik stond toch ietsjes hoger dan het kippenhok van de overburen – als je interessantere dingen te doen hebt, ik zal je niet tegenhouden, want ik sta hier bijzonder comfy ruim twee meter boven de grond op de twaalfde sport van deze ladder, en hoe langer ik hier sta, hoe meer ik het gevoel heb dat ik hier wil blijven staan, dat ik hier thuishoor, dat ik geboren ben om op ladders te staan, dat ik op deze ladder wil sterven, hoe melig jullie onderkruipers, wormen, laag-bij-de-gronds gespuis, dat ook zullen vinden. Van hieruit zie ik dingen die ik nooit eerder zag – een rivier die ligt te liggen zoals in een gedicht van Rutger Kopland, twee honden die vechten om een been – het rechter van de postbode – zoals in het gelijknamige spreekwoord, de buurvrouw die topless ligt te zonnebaden zoals in mijn fantasie – ik begrijp nu pas goed hoe gelukkig Ignace Rondeel ("Wie?" riep iemand) zich gevoeld moet hebben, want het mooiste beroep ter wereld is er een waar regelmatig een ladder in opduikt. Leve de ladders, leve de mens die boven zichzelf uitstijgt, leve mij of moet dat zijn leve ik? Leve Ignace Rondeel ("Wie?" riep weer iemand onder mij, dit keer met een zweem van ergernis in de stem. "Is dat familie van Jos Rondeel?")"

Mijn tirade werd prompt gevolgd door een regiment angstscheten – in alle overmoed was ik opgeklommen naar de dertiende sport, een evenaring van mijn persoonlijk record – waardoor er onder mij nog meer deining ontstond en de ladder begon te wiebelen. In geen tijd stond ik beneden, ook de aarde leek te schuiven of was dit slechts inbeelding? Rondom mij een zootje ongediplomeerde laddervasthouders die mij maar een watje vonden, dat zag ik wel aan hun gezichten. Dat vond ik zelf ook als ik naar de dertiende sport keek en moest vaststellen hoe hoog dat maar was, amper twee kontjes boven mijn kruin. Hoorne, onnuuzel menneke, dacht ik en alleen ik mag zoiets denken. U mag dat niet. Don’t call me sissy, ik durf dertien sporten hoog – dat is niet min, van op die hoogte kan ik, mits ik even op de toppen van mijn tenen ga staan, de vensterbank van het raam op de eerste verdieping afstoffen – ik durf zelfs naar beneden kijken om de Judassen eruit te halen en weg te sturen, en ik durf all the way als de ladder plat op de grond ligt, maar stappen op een ladder die op de grond ligt is niet alleen een nutteloze maar ook een nogal belachelijke bezigheid.

Irene begeleidde haar man naar de auto die ze op de ziekenhuisparking had achtergelaten. Ze zei dat hij naar huis mocht, dat hij eindelijk naar huis mocht, dat het allemaal wel goed zou komen. Ze hielp hem in de wagen en gooide het portier dicht. Vervolgens liep ze naar de kant van de bestuurder, stapte in en startte de motor. Ze reed naar de uitgang en wachtte tot de slagboom omhoog klapte. Op dat moment sprong Ignace Rondeel uit de auto en zette het op een lopen. Voor wie denkt dat dit verhaal nu eindelijk een spannende wending zal nemen, helaas, ik moet u wederom ontgoochelen. Ignace struikelde over een losliggende tegel en het vogeltje dat hij had willen grijpen was ineens nergens meer te bespeuren. 

(wordt vervolgd)


14:10 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

17-05-05

GEDICHT

 

WAS BEVUILD

 

(vrij naar ‘Tot besluit’ van Menno Wigman)

 

Ik ken de droefenis van wasserettes,

van volle manden met vuile lakens,

alleenstaande moeders met propere plichten,

 

de geur van gele slipjes, zomerrokken, sexy

topjes, pantalons, waspoeder die reinigt

tot we schreiend in onze bloten staan.

 

En ik zag Bonuxlijken, witter dan wit, van mensen

die op lijken wilden lijken, zich verhingen aan een

wasdraad die ooit een strakke wasdraad was.

 

Wie wasten ze? Wie droogden ze? Wie was

ikzelf? Vader, zeeman, landgraaf, C&A,

daar sta je met je stralend opgeblonken hoofd,

 

je klaargestoomde das met veel te losse knoop,

damesschoenen, maatpak, hoogmoed, misantroop.

En ik, die kwijlend mijn viezigheid verdring,

 

had ik maar iets nieuws, iets nieuws om uit of

aan te trekken. Bermuda. T-shirt. Penis. Ring.

Ik ken de droefenis van wasserettes.

 

 

Philip Hoorne

2004


22:57 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

13-05-05

DAT HEET DAN GELUKKIG ZIJN (3)

- vervolg van Dat heet dan gelukkig zijn (1) en (2) -

 

De Erfelijkheidsleer scoorde enkele jaren geleden een hitje met de meezinger Genen Tijd. (Hebt u hem? Vette knipoog), maar ik wil het hier natuurlijk niet hebben over dit one hit wonder, maar over dé erfelijkheidsleer. Daar zijn vele dikke boeken over geschreven die door niemand gelezen worden, sta mij dus toe een en ander voor u samenvatten. De erfelijkheidsleer of genetica bestudeert erfelijke eigenschappen van o.a. mensen, maar hoe werkt dit nou eigenlijk? Wel, in het woord genetica zit het woord en, het woord ene, het woord net, het oud-Nederlandse woord ic – zoals in de beroemde quote van Hadewyck uitgesproken na het nuttigen van enkele flessen Elixir d’Anvers "Alle dinghe sijn mi te inghe, ic ben so wyt" – maar ook het woord gen. Een gen is in West-Vlaanderen een stuk pluimvee van het vrouwelijke geslacht, maar buiten de provinciegrenzen tevens een deel van een chromosoom dat erfelijke informatie bevat. Bij de productie, als ik het even oneerbiedig mag stellen, van een kind doen die chromosomen datgene wat ze geacht worden te doen en de rest van het verhaal kent u, zoniet moet u zich dringend laten voorlichten door enkele gerichte vragen te stellen aan uw moeder of toch maar eens zo’n dik boek gaan lezen. Titel en auteursnaam worden zichtbaar na het wegblazen van de stoflaag.

 

In elk geval ben ik een fervent aanhanger van die goeie ouwe genetica. Dat rommelen in mijn eigen prille verleden waar ik me trouwens helemaal niks meer van herinner, en daar op zoek gaan naar wat er allemaal verkeerd is gelopen, da’s niks voor mij. Laten we er maar van uit gaan dat alles wat fout is altijd al fout is geweest en altijd fout zal blijven. De genen als zondebokjes, yep, ik lust wel pap van dat soort gemakzuchtige theorietjes. Dat komt natuurlijk omdat ik een door en door slecht mens ben, die niettegenstaande zijn aangeboren verslaving om iedereen voor de gek te houden, om de tuin te leiden en in het ootje te nemen, nog totaal niks heeft bereikt in het leven en stellig van plan is dat zo te houden. Alle aan mijn adres gerichte verwijten dienaangaande zijn dom, kortzichtig en onredelijk, ik ben immers ten allen tijde gedekt door mijn beschermengel en excuus-Truus, de erfelijkheidsleer.

 

Mijn vader, de postbode, hield er dezelfde levensopvatting op na, of wat had je gedacht? Niet dat mijn vader postbode is, toch niet de man die ik vader noem, maar wel mijn ‘echte’, zeg maar biologische vader. Die betrad ’s morgens het postkantoor waar hij werkte en begon naarstig de post te sorteren. Links een hoopje met de cheques, pensioenen voor de oudjes, en rechts een hoopje met de andere poststukken. Die laatste kieperde hij in de eerste vuilnisbak die hij op straat tegenkwam en de cheques inde hij in het nabijgelegen bankfiliaal. Vervolgens ging hij twee tassen warme chocomelk drinken in café ’t Facteurke, waar hij door de andere postbodes op handen werd gedragen omdat hij altijd als eerste klaar was met zijn ronde. Dat op handen dragen viel al bij al nog mee, want meestal was hij alweer vertrokken voor de andere facteurs er aan kwamen, want vanaf tien uur ging mijn vader poepen, niet in de Nederlandse betekenis van kakken – want mijn vader kakte net zoals ik op de vaste tijdstippen zes uur ’s morgens en zes uur ’s avonds, en als er ’s middags bonen op het menu stonden durfde hij wel eens een extra laatavondsessie inlassen – maar wel in de Vlaamse betekenis die ook de Nederlanders maar al te goed begrijpen. Zeg aan een Nederlander op café dat hij moet trakteren en hij zal het in nog geen honderd jaar begrijpen of doen alsof zijn neus bloedt, maar zeg hem dat hij mag poepen met de serveuse en zijn broek hangt al op zijn knoesels. Leer mij de mensen niet kennen.

 

Enfin, we dwalen af. Mijn vader dus, de postbode, de biologische, die kende alle eenzame huisvrouwen van de gemeente en zo kwam hij op een dag bij mijn moeder terecht.

“Hooggeachte vrouwe, ik heb voor u geen cheques die gij kunt innen, geen krant om de patatten op te schillen en geen wenskaart met rode rozen, niets van dit alles heb ik, ik heb alleen mezelf,” luidde een van zijn meest gebruikte openingszinnen. Een beetje lang en melig als versiertekst hoor ik u meesmuilen, maar dat maakte net deel uit van zijn strategie. Als hij voor hij die zin had uitgesproken de voordeur tegen zijn neus kreeg, wist hij dat het niks ging worden. In het andere geval, werd hij overweldigd door een bingo!-gevoel. Een vrouw die tijd en goesting heeft om te luisteren naar een potje gewauwel, die heeft ook tijd en goesting om een potje te seksen. Let ook op het poëtisch karakter van die volzin. Ja, ook de poëzie heb ik van hem geërfd. Al ben ik natuurlijk een eersteklas kutdichter en dat zal altijd zo blijven, dat is erfelijk bepaald, want beter en poëtischer dan die binnenkomer kon mijn vader niet, en mijn moeder kan nog steeds niet lezen, laat staan schrijven of godbetert dichten, de nobelste aller kunsten als we kantklossen en het rooien van bonsaiboompjes even buiten beschouwing laten.

 

Intussen zijn we wel heel ver verwijderd van Ignace Rondeel die een ladder op zijn hoofd kreeg en rammelt dit verhaal al een hele poos van alle kanten. Heeft u opgemerkt dat een en ander niet klopt? Neen? Ik wel. In deel één schrijf ik dat Ignace na het ladderincident gelukkiger werd dan ooit voorheen omdat zijn hersenen een beetje door elkaar gehusseld werden. In deel twee wil ik Ignace, inmiddels luisterend naar de naam Jos, aanvankelijk voorstellen als een treurwilg met takken tot in de grond, maar het pakt anders uit. Ineens staat er dat Jos vanaf de periode rond zijn eerste nachtelijke zaadlozing een opgewekte kerel werd, net zoals zijn ouders en zijn tantes. Ik gebruik de termen ‘levensgenieter’, ‘vrolijke Frans’ en ‘epicurist’. Kunnen dit soort types ook ongelukkig zijn? Ja, dat kan. Lieden die altijd grappen en grollen en een grote mond opzetten, maar in tranen uitbarsten als ze eventjes alleen zijn, u kent ze wel of bent er zelf één. Maar ik schrijf wel degelijk dat Jos een levensgenieter was, niet dat hij die indruk gaf of zich zo voordeed. Als verteller van dit verhaal behoor ik toch te weten hoe Jos Rondeel in mekaar steekt, ik heb hem immers zelf geschapen. Wat dan met die ladder? Moet ik even retroactief ingrijpen en mezelf corrigeren, u wijsmaken dat de vrolijke huisschilder na zijn ongeluk onmogelijk nog vrolijker kon worden en dan maar een verdorde plant werd? Neen, terugkrabbelen is niet goed voor mijn geloofwaardigheid en het ligt ook al te zeer voor de hand, want na een zwaar arbeidsongeval blijft er van een working class hero meestal niet veel meer over dan een zielige working class zero, dat weet iedereen. Ik zit vast, maar gelukkig heb ik een verlengd weekend om er uit te geraken, want het is niet de bedoeling dat ik hier eventjes een verhaal ga neerpennen dat u ook bij een honderdtal andere schrijvers had kunnen lezen. Neen, deze vertelling moet Hoorniaans blijven, dat wil zeggen: swingen als de neten in de haardos van Wim Duisenberg.

 

(wordt vervolgd)


18:12 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

12-05-05

GEDICHT

 

VAN PUNK TOT PANTOFFEL

 

Geen toekomst

galmde het over dit continent.

Je had jezelf en enkele gelijkgestemden, de wereld heette opponent.

 

Geen toekomst.

Je brulde krachtig mee, maar dan lette je even niet op

en voor je het wist zat je opgescheept met geen toekomst voor twee.

 

2 werd 3 werd 4.

Daar stond je dan te blinken met je gezin:

1 huwelijk met sleet, 2 pokdalige pubers, afbetalingen bij de vleet.

 

Geen toekomst

galmt al lang niet meer over het continent.

Je bent het stille bewijs van je eigen grote gelijk. In een dove, dood-

 

lopende steeg schreeuw je

zo hard je kan dat jij het had: bij het rechte eind.

En uit tegendraadse tegendraadsheid toch maar alles anders deed.



Philip Hoorne
2004

22:25 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

09-05-05

DAT HEET DAN GELUKKIG ZIJN (1)

Ignace Rondeel wilde enkele uren voor de werkweek er op zat nog snel de topgevel van een verbouwd herenhuis een laatste verflaag geven, toen hij struikelde en een ladder op zijn hoofd kreeg. Niet zo’n aluminium vrouwenladdertje maar een robuuste houten knaap – Ignace hield van degelijk alaam – waarmee je, mits het uitschuiven van de verlengstukken van tweemaal dertien sporten, bijna aan God zijn gat kon krabben. Dit banale voorval veranderde zijn leven zowel in negatieve als positieve zin. Na ontslag uit het ziekenhuis bleek Ignace een beetje kierewiet, maar precies dankzij die kierewieterij voelde hij zich gelukkiger dan ooit tevoren.

Enkele weken voor de wereldwijde herdenking van de geboorte van een bijzonder kind dat het levenslicht eerst niet kon zien omdat een os, een ezel en enkele sinterklazen hem het zicht belemmerden, werd ergens op onze globe Ignatius Willem Rondeel geboren. Ook hij kon aanvankelijk niet veel van zijn omgeving zien, niet alleen omdat aan zijn ene kant tante Irma met haar ezelsoren en aan de andere kant tante Magda met haar ossenknieën – en allebei zo breed als een olifant in een skipak – het zonlicht tegenhielden, maar om de eenvoudige reden dat de zon in die periode rond de jaarwisseling nauwelijks scheen, en dat de komende weken – tot een flink end na Nieuwjaar – amper zou doen. Het regende heel de maanden december en januari, en als het niet regende, dan hagelde het, en als het niet hagelde, dan sneeuwde het – niet van die witte vlokjes die je wel eens in Disney-films ziet, maar grijsbruine klodders die smolten nog voor ze het aardoppervlak bereikten. Het duurde tot midden februari vooraleer Ignace een eerste keer buiten kwam. De zon scheen, o wat scheen de zon fel die dag, zo fel dat Ignace er pijn van kreeg aan zijn oogskens en blèrde dat hij terug naar binnen wilde, wat zijn moeder Anna dan ook prompt deed, want ze kon geen geblèr uitstaan, niet van geiten, niet van kinderen in het algemeen en zeker niet van haar eerstgeboren spruit Ignace. Laat we dit creatuur voortaan Iggy noemen, want Ignace, dat is als voornaam wel heel erge koude kak. Neen, toch liever geen Iggy, doet mij teveel denken aan de zingende gespierde stylo, Iggy Pop. Weet je wat, laten we Ignace Jos noemen, een Nederlandse naam waar je ten allen tijde mee onder de mensen kunt komen, behalve als je Jos Willem Rondeel heet, want Jos, zoals ik al zei toen hij nog Ignace heette, hield niet van zonlicht en buitenlucht.

(wordt vervolgd)


16:22 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

07-05-05

GEDICHT

 

ERFELIJKHEID

 

Mijn vader dommelde voor de tv

met zijn rechterhand aan zijn geslacht,

een tic die ik van hem erfde

(tot grote afkeer van mijn dochter).

 

Ik weet niet precies wat, maar hij zocht er

iets wat hem ontbrak, net zoals ik iets zoek wat

mij ontbreekt. Ik kijk daarbij met dezelfde blik

waarmee mijn vader destijds keek:

 

afhangend hoofd, scheve mond, beetje sip.

Allicht woekerden ook in hem een brandende begeerte

en ontembare lust: twee ingrediënten die niet mogen

mankeren in een van gezondheid blakende herenslip.

 

 

Philip Hoorne

2004


23:32 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

06-05-05

GEDICHT

 

DE SPREKENDE SPRIET

 

Als gras kon spreken,

een spriet tussen spoor en beek

wat zou die weten?

 

Ik ben klein maar groter

dan de mieren en kevers

die langs mijn been passeren.

 

Af en toe wordt mijn soepelheid

met voeten getreden en de schaduw

van een trein, die duurt maar even.

 

Ik ben klein en goed omringd,

wij zijn met velen. De wereld

behoort ons toe, zoveel is zeker.

 

 

Philip Hoorne

2005


20:48 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

02-05-05

HOE DE DAKGOOT VAN KEES KLOEFKAPPER HERSTELD RAAKTE

Kees Kloefkapper stapte het bankfiliaal aan de Oudenaardsesteenweg binnen met een panty over zijn kop en werd prompt door een veiligheidsagent in een wurghouding genomen. Verbolgen over een dergelijke aanpak – de vriestemperatuur rechtvaardigde een hoofddeksel – besloot hij een klacht in te dienen tegen de financiële instelling, de veiligheidsagent en zijn huisbaas, die nog steeds die lekkende dakgoot niet had laten repareren. Voor alle duidelijkheid, hier wordt wel Kees’ huisbaas bedoeld en niet de huisbaas van de veiligheidsagent. Bobby Bobcat – zo heette de agent – was immers eigenaar van het huis waar hij in woonde, een stulpje waarvoor hij de nodige centen had bijeengespaard door jaren aan een stuk klanten die met een panty of ander verdachte hoofddeksel het bankfiliaal aan de Oudenaardsesteenweg betraden tegen de grond te werken. Het was dan ook een heel bescheiden woning die alleen maar bestond uit een eetkamer, een wc en een fitnesszaal. Bobby wilde in een blakende conditie blijven om nog beter, sneller en grondiger louche bankbezoekers uit te schakelen. Misschien kon hij zo wel een transfer naar ING, KBC of ABN-AMRO bewerkstelligen. Die betaalden beter en hadden voor hun securitymensen eigen fitnesszalen met alles erop en eraan inclusief een mooie meid achter de bar.

De advocaat van Kees Kloefkapper wilde het zijn cliënt ten stelligste afraden met deze rechtszaak verder te gaan, maar hij zat wat krap in klandizie. Bovendien zou deze crazy case gegarandeerd de nodige persbelangstelling krijgen. Maar telkens Kees zijn kabinet verliet en daarbij het behangpapier en stucwerk aan flarden kraste met de wieldoppen van zijn rolstoel – een blijvende herinnering aan Bobcat’s vakmanschap – besloot hij het toch maar niet te doen. Dit was te gek voor woorden. Een kerel stapt op een vriesmorgen een bank binnen met een panty over zijn hoofd getrokken, en is daarna verwonderd dat hij voor een overvaller wordt aanzien. Hallóóó! Het was immens koud die morgen, da’s waar. Kees’ muts zat in de was, de lokale politie had het alibi van de muts gecheckt, gedubbelcheckt en gedriedubbelcheckt, het verhaal klopte van a tot z, geen speld tussen te krijgen. Kloefkapper was ook niet gek zoals eerst werd gedacht, dat hadden artsen en psychiaters nagetrokken. Hij leek een heel normaal mens, een brave huisman, het dertien-in-een-dozijn-type, een average Joe. Blanco strafblad, zelfs geen verkeersovertreding.

Net op het moment dat advocaat Jimmy Sommerville, worstelend met een nakende hongerdood, de zaak alsnog wilde inleiden bij het Hof van Ongelooflijk-Maar-Waar-Gebeurde-Zaken, kwam de hoofdzetel van ‘t Spaarderke, de bankinstelling waar Kees Kloefkapper zijn blijvende invaliditeit had opgelopen, met een minnelijke schikking op de proppen: levenslang recht op terugbetaling van alle door hem aangekochte rolwagens, alle types en merken, ook het luxemodel met carbonvelgen, ingebouwde hifispeler en haardroger, en een al even levenslang abonnement op de driemaandelijkse infokrant ’t Spaarderke-Bulletin, dat na de fusie met verzekeringskantoor 't Verzekeraarke zou ophouden te bestaan, maar dat hoefde die pantydrager niet te weten. Kees besloot het voorstel te aanvaarden, maar vroeg er nog een zakagenda bovenop. Tijdens een speciale bestuursvergadering, die twee keer werd geschorst wegens onenigheid over het enige punt van de dagorde, ging de Raad van Bestuur van ‘t Spaarderke met een nipt behaalde 2/3 meerderheid toch akkoord om tegemoet te komen aan de wensen van die inhalige Kloefkapper.

Kees haalde opgelucht adem. Eigenlijk wilde hij het hele voorval zo snel mogelijk vergeten en verder gaan met zijn leven dat er al bij al toch niet zo somber uitzag, want zijn handicap bood hem ook een aantal voordelen. Nooit meer tuinieren of het gras maaien, werkjes die hij altijd al hartgrondig had gehaat, een verminderd libido waardoor hij een rustiger mens was geworden en last but not least had hij zich in geen tijd ontpopt tot de sterspeler van rolstoelbasketbalploeg The Pathetic Rebounders. Man man, Kees balde er niet naast. In amper twee maanden tijd waren zijn bovenarmen zo dik geworden als de billen van zijn schoonmoeder, met dat verschil dat het bij hem spierweefsel betrof in de plaats van vetmassa. Off the record wil ik nog even vermelden dat Kees al spoedig goede maatjes werd met Marc Herremans, de triatleet die hij vroeger altijd had beschouwd als een mediageile loser in een karreke, maar waarvoor hij nu het grootste respect vermocht op te brengen. Rolstoeltjes onder mekaar, altijd lachen, plezier maken, vuile moppen tappen en neerbuigend doen over zij die zich op schoenen in de plaats van wielen voortbewegen. Haha, suckers.

Eind goed, al goed, behalve voor Bobby Bobcat, die ontslagen werd nadat hij de kroonprins van Marokko tegen de vlakte had gewerkt. Neen, het leek niet op een panty, maar een hoedje toch gek genoeg om in te grijpen. Die man droeg een jurk, ook dat nog, waarin hij makkelijk een uzi en een korf handgranaten had kunnen verstoppen, voerde hij ter zijner verdediging aan. Bovendien zag die kerel er bijzonder allochtoon uit, en tegen allochtonen mag ik sneller geweld gebruiken, heeft men mij gezegd toen ik hier twee decennia geleden in dienst trad. Helaas voor Bobcat stond die richtlijn niet op papier en moest de Raad van Bestuur van ’t Spaarderke wel iets doortastends doen om haar gezicht te redden, want de Marokkaanse overheid dreigde er mee al haar emigranten uit België terug te trekken, wat ongetwijfeld zou leiden tot een groot aantal naakte ontslagen bij de gerechtelijke en politionele diensten en de OCMW’s. Bobcat werd op de keien gegooid en kon nergens terecht, zelfs geen dopgeld trekken, omdat hij wegens dringende redenen ontslagen werd. Om de syndicale afgevaardigen en het gepeupel te paaien werd ook afgevaardigd bestuurder Julien Ferme-t’Agueule ontslagen maar die kon ’s anderendaags al aan de slag bij een andere dochter van de moederholding, alwaar hij het dubbele zou verdienen.

Wat er verder met advocaat Jimmy Sommerville is gebeurd, weet ik niet. Vluchtige opzoeking op het internet leert mij dat hij in de muziekbusiness zou gestapt zijn, maar het kan hier ook om een naamgenoot gaan.

Uit misplaatst medelijden met zijn invalide huurder liet Kees’ huisbaas de lekkende dakgoot herstellen, de klootzak.


14:21 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

27-04-05

ERWTJES

Hugo Hoffmann zat al ruim een kwartier in zijn neus te peuteren. Naast de gebruikelijk groenzwarte materie die je wel eens in neusgaten aantreft, had hij er ook drie erwten, een capsule Imodium, het tweede deel van de dikke Komrij en de gebloemde bh van Lieve, zijn minnares, teruggevonden. Wat een geluk dat zijn vrouw Marie niet thuis was! Hij mocht er niet aan denken! Amai, er had wat gezwaaid! Het was ongetwijfeld zijn beste keer niet geweest! Ze had hem halfdood geslagen! Neen, vermoord had ze hem, want hoelang zocht ze al niet naar dat tweede deel van de Komrij? Hij veegde het boek schoon met zijn zakdoek en zette het op zijn plaats in de boekenkast.

Dat Imodium oraal ingenomen diende te worden wist hij inmiddels. De bh van Lieve gooide hij in de mand met vuil linnen – hij probeerde zich die kinky vrijpartij te herinneren, maar het lukte hem niet. Misschien was er wel een verband met dat gebloemde slipje dat hij vorige week uit zijn oor had gepulkt. Enfin, who cares? In elk geval zou hij de bustehouder niet aan Lieve teruggeven. Mocht dit een lesje in ordentelijkheid wezen, hoe vaak had hij haar al niet gezegd dat ze beter op haar spulletjes moest passen. Trouwens, hij was een beetje kwaad op haar. De pijn aan zijn rectum veroorzaakt door haar polshorloge ging maar niet over. Dit keer vond hij het welletjes. Marie moest die bh maar dragen, ze was toch van plan om binnenkort een nieuwe te kopen, en Lieve en Marie hadden dezelfde maat, het kon allemaal niet beter uitkomen. Het leven is in wezen poepsimpel zolang je er maar met de juiste blik tegenaan kijkt.

Restten nog die drie erwten die hem uitermate intrigeerden. Hoe kwamen die in godsnaam in zijn neus terecht? Hij keek lang en indringend naar de gerimpelde bolletjes op tafel. Het moest in zijn slaap gebeurd zijn, dat kon niet anders. De mate van verrimpeling verried dat ze er al een tijdje zaten. Leek hem plausibel, want hij kon zich de tijd niet herinneren dat Marie nog eens erwtjes had klaargemaakt. Eén van die drie erwten was bijna zo groot als de twee andere samen, en die ene grote had hij teruggevonden in zijn linker neusgat en de twee kleinere in zijn rechter. Wie hem dit ook gelapt had, het was iemand met gevoel voor symmetrie. Ongetwijfeld een evenwichtig persoon, maar niet van de snuggerste, want iemand die het snode plan opvat om erwten in andermans neus te douwen en daarbij oog heeft voor gelijke verhoudingen, kiest voor een even aantal erwten, liefst van gelijke grootte. Dit bracht Hugo op een nieuwe denkpiste. De dader had de tijd niet gehad om zijn erwten met zorg te selecteren, zowel naar aantal als naar vorm. Hier was sprake van een impulsieve daad. Of een vlaag van zinsverbijstering. Of ontoerekeningsvatbaarheid. Of een tekort aan erwten van gelijke grootte. Of een tekort aan erwten tout court.

Ineens wist hij het. Tijdens het invoeren van de erwten werd de dader op heterdaad betrapt. Dat hij daar niet meteen aan gedacht had! Wie weet hoeveel erwten hij in zijn neus had gevonden indien de boosdoener ongestoord zijn gang had kunnen blijven gaan. Wellicht had die schurk vervolgens ook zijn mond volgepropt waarna een langzame verstikkingsdood zou volgen. Hugo Hoffmann ontstak in een stille razernij. Hij zou niet rusten vooraleer hij deze duivelse geest te pakken kreeg. Zijn hersenen draaiden op volle toeren. Een plan moest hij bedenken, een waterdicht plan om het hem gedane onrecht te wreken. Hij hoorde Marie thuiskomen. Snel stopte hij de erwten in zijn navel. Dat leek hem voorlopig de meest geschikte plek om het bewijsmateriaal ongeschonden en buiten het bereik van potentiële verdachten te bewaren.


09:17 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

26-04-05

GEDICHT

 
EEN ENIG KIND
 
Kijk hoe ik loop op het water zwart als lei.
Zilvervisjes flitsen over de vloer, lichten op
boven onder naast en tussen de maan.

 
Het rad ratelde rond en rond en rond.
Kwam er ooit een einde aan?

 
Jazeker. Altijd.
 
De rode punt hield halt bij een schieter met
zuignappijltjes of een zeepbellenblaasobject.
Ik vroeg en kreeg de goudvis, of beter, mijn moeder
deed het in mijn plaats, met een verontschuldigende
sneer – hij durft niet, mijnheer.

 
Soms haalde de vis de avond, maar meestal niet,
in ons huis kon geen leven aarden. De sanseveria's
stonden te warm en na de zomer moest mijn zus
naar het buitengewoon onderwijs.

 
Laat u niet misleiden door het woord.
Het is niet wat het lijkt.

 
Philip Hoorne
2004
 

(gepubliceerd in Tzum, nr. 26, 2004)


08:49 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

22-04-05

IN ONZE REEKS 'NOG NIET ZO OUDE CHINESE GEZEGDEN'


"Wie in de Blico een touw en een dakgebinte gaat kopen, is waarschijnlijk van plan om zich op te knopen."

08:58 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

21-04-05

GEDICHT

 

VAN ZWEMMER TOT MOL

 

Ik waad door alsmaar lager water,

zo laag al dat het lijkt of ik een landman ben.

Zeg maar dag tegen de nattigheid, modderpootjes,

open mond. Nog even en je gaat ondergronds:

eerst een kruipdier, dan een mol.

 

Een mol?

Lieve-hemel-(ik-zal-je-nooit-vergeten-nog-aan-toe)!

Zo'n dommekracht? Dat multipel invalide beest?

Wat die in zijn leven aan aarde verplaatst, hapt een kraan

in de tijd van een spreekwoordelijke boterham.

 

Een bezwarende gedachte die ik best snel verdring,

want ik ben een mol, ik weet niets van kranen.

 

Philip Hoorne

2004

 

(gepubliceerd in De Revisor, 2004, nummer 5/6)


20:58 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

05-04-05

KAROL

Bij het doornemen van de ochtendbladen stuit ik in de Poolse krant Zsjivrien Packzjkies op een interview met een ex-liefje van de paus. Daarin antwoordt de genaamde Wislawa Bieckborski bijzonder openhartig op vragen over haar gewezen minnaar Karol Wojtyla, zoals iedereen weet de echte naam van de pas overleden paus Johannes Paulus II.

"Niettegenstaande mijn uithangborden net onder mijn kin hingen, gleed hij toch altijd naar mijn kruis toe," zegt ze, "maar de diepere betekenis daarvan ontging me toen, ik was nog zo’n jong en onschuldig ding. Hij wilde ook nooit een condoom gebruiken, vond hij niet naturel. En dat terwijl andere jongens van zijn leeftijd, om indruk te maken op de meisjes, heel uitdagend condoomverpakkingen in hun bakfiets lieten rondslingeren."

"Toen hij jurken begon te dragen, nam mijn moeder me even terzijde. Wiske, zei ze, ik denk niet dat dit de gepaste jongen voor je is. Uiteindelijk maar goed dat onze relatie op de klippen liep. Ik had me nooit thuis gevoeld in dat Vaticaan, veel te groot, al dat poetswerk. Als Karol ruim wil wonen, is dat zijn zaak, maar ik prefereer een knus fermetteke."

Vandaag vertrekt Wislawa Bieckborski naar Rome samen met haar oudste zoon Karol jr. Ze vindt dat hij de nieuwe paus moet worden, dat het een vader op zoon overdraagbaar ambt moet worden.

"Als kind hield hij al van verkleedpartijtjes en de hele tijd liep hij met een omgekeerd fruitschaaltje op zijn hoofd. Hij spreekt veel talen maar articuleert slecht, en als hij bloemen krijgt, zegt hij altijd dank u. Helemaal zijn vader. Hij, en niemand anders, moet de nieuwe kerkvader worden. Johannes Paulus II jr., zo zal hij heten. Zo’n jongen kan toch niet blijven leven van een werkloosheidsuitkering, en dat met een universitair diploma op zak? Dat zullen die kardinalen wel begrijpen, het zijn allemaal verstandige mensen, toch? En als ze niet willen luisteren, krijgen ze een zwieper van mijn uithangborden, die door toedoen van de zwaartekracht nu ongeveer hangen waar de jonge Karol destijds altijd naartoe wilde. God hebbe zijn ziel. Maar dat zal wel."


16:39 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

04-04-05

J.C. BLOEMPRIJS

Hebben wij niet stilaan genoeg van die Hagar Peeters met haar afstandelijk airtje, Emma Peel-look en streepjeskousen, hoorde ik een ietwat oudere dame na afloop van de J.C. Bloemprijsuitreiking zeggen tegen de man die haar vergezelde. Hoe gemeen kunnen mensen zijn. Hagar Peeters heeft terecht deze prijs gewonnen, terecht omdat de jury dat zo beslist heeft. Zolang er literaire prijzen zijn zullen er ook literaire jury’s zijn. We hadden het pleit ook kunnen beslechten met een wedstrijdje 110 meter horden lopen, maar ook dan had ik de prijs niet gewonnen. Neen, dan maar een jury. Die bestond uit de voortreffelijke dichters Jean-Pierre Rawie en Ruben van Gogh en een plaatselijke politica, die wegens ziekte verstek moest geven.

Eveneens afwezig was Marjoleine de Vos, één van de vijf genomineerden. Gastheer Remco Heite somde ter inleiding op voor welke prijzen deze dichteres in het verleden genomineerd werd, in welke jury’s ze zoal zetelde, en wat voor connecties er waren met de genomineerden voor deze tweede J.C. Bloemprijs. Ellenlange waslijsten. Bovendien is ze de wederhelft van een man die ook literair actief is. Heite liet het woord inteelt vallen. Mijn naam bleef onvermeld. Ik ben onbevlekt. Propere handen. Met mijn eerste bundel Niets met jou werd ik genomineerd voor de Vlaamse Debuutprijs, maar dat is een prijs waar proza en poëzie met ongelijke wapens tegen elkaar moeten opboksen en dus niet ernstig te nemen. Een nieuwe nominatie voor mijn tweede bundel Inbreng nihil, het deed mij warempel plezier en de twee eindeloze treinritten leken toch niet zo eindeloos. Zij die destijds per ijzeren weg naar Auschwitz gedeporteerd werden, die mochten het woord ‘eindeloos’ gebruiken, maar deze jongen moest niet zeuren. Wat een mens niet allemaal denkt om een beetje vrolijk te worden. Bovendien, bij de beste 5 bundels op 17 inzendingen, het had slechter gekund. Lieden van het Vlaams Fonds voor de Letteren die mij een stimuleringsbeurs weigerden, en 2 van de 3 lectoren van het Provinciebestuur West-Vlaanderen, die mijn werk ook maar niks vonden, eat allemaal jullie heart out. Ga bieten rooien, start een kruidenierswinkeltje, schrijf jullie nu alvast in voor de eerste commerciële ruimtevlucht, maar blijf ver weg uit de buurt van de poëzie.

Het interview met gastdichteres Neeltje Maria Min verliep stroef, en dat is een understatement bijna zo groot als het ego van Hugo Claus. Ze las enkele gedichten en ook daar spatte de goesting niet van af. Volgende op de praatstoel was de Vlaming Bart Meuleman. Hij antwoordde kort en keurig op de hem gestelde vragen en mocht vervolgens ook wat lezen. Belinda Terlouw van het voortreffelijke organisatiecomité las drie gedichten van de afwezige Marjoleine de Vos en vervolgens was het de beurt aan Peer Wittebols. Een toffe peer, die Peer. Ik kende hem niet, maar met zijn laatste gedicht bracht hij me enorm aan het lachen. Het decor, een statige zaal van Villa Rams Woerthe te Steenwijk, leende zich niet om schaterlachend over het vasttapijt te rollen, maar Hun hebben Toontje doodgeschoten, zo heette het klankrijke, met brutale humor gekruide gedicht, zorgt in elk literair café gegarandeerd voor vuurwerk.

Na de pauze was het mijn beurt. Ik antwoordde veel te openhartig op de vragen van de moderator en oogstte veel bijval met mijn Bloem-parodie. Harold, mijn uitgever, keek goedkeurend toe. De uitgevers van de andere genomineerden bleken afwezig. Hagar Peeters mocht het rijtje sluiten en even later de prijs in ontvangst nemen.

Na met hem het graf van Bloem bezocht te hebben, beleefde ik nog een gezellige avond bij de aardige heer Dorman en zijn leuke echtgenote Hermie.


11:33 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

29-03-05

POËZIECURSUS

Momenteel volg ik een vierdelige poëziecursus. Poëzie van 1945 tot nu, zo heet hij. De docent is prof. Dirk de Geest van de KU Leuven. De eerste les kwam hij van achter in de zaal naar voren gestormd met een wit laken over zijn hoofd getrokken. Wij cursisten schrikken natuurlijk, maar dat was nog niks vergeleken met de schrik die door de aula zinderde toen hij zich van het laken ontdeed.

"Ik ben professor Dirk de Geest," zei hij "en ik durf te wedden dat jullie dit mede dankzij dit klein stukje eenmanstheater nooit meer zullen vergeten."

Terwijl haar bejaarde vriendin door twee ambulanciers werd afgevoerd, vroeg een zohaast nog oudere vrouw op de eerste rij of het de professor beliefde om het laken terug aan te trekken, wat hij prompt weigerde. Maar, zo mompelde hij in zichzelf:

"Ik mag deze gimmick niet langer gebruiken, elke cursus hetzelfde liedje: angstaanvallen, hartstilstanden, haaruitval en in het gelid springende vrouwentepels."

De dagen vóór aanvang van de eerste les had ik me afgevraagd welke houding ik zoude aannemen tegenover mijn medecursisten en de docent. Wat mijn medecursisten betreft was ik daar tamelijk snel uit. Ik ging er niet naartoe om de dichter Philip Hoorne uit te hangen, wel om te luisteren en bij te leren. De megalomane etter spelen, daar heb ik deze weblog voor, dat spaart een hoop energie uit in het echte leven. U zou er van staan kijken hoe aardig, lief en bescheiden ik wel ben. Mijn attitude tegenover mijnheer de Geest bleek een ander paar mouwen. Ooit heeft hij mijn eerste bundel Niets met jou positief gerecenseerd voor Leesidee, het huidige Leeswolf. Aan de andere kant maakte hij deel uit van de zeskoppige commissie die mij een stimuleringsbeurs onthield voor mijn inmiddels voor de J.C. Bloemprijs genomineerde tweede bundel met als intrigerende titel Inbreng nihil. Gemengde gevoelens dus en als er iets is waar ik de pest aan heb, dan zijn het wel gemengde gevoelens. Ik besloot daar net als de prof een passend stukje eenmanstheater bij te bedenken. Bij het afscheid nemen na de eerste les (de klassieke poëzie) omhelsde ik hem innig waarna ik een snoeiharde rechtse in zijn maagstreek neerplantte. Omdat positieve en negatieve krachten elkaar opheffen, wandelde professor de Geest het lokaal uit alsof er niks gebeurd was, onder zijn ene arm zijn bruine boekentas, onder de andere een slordig opgevouwen wit laken.

Na afloop van de derde les, afgelopen vrijdag was dat, vroeg de prof of ik Philip Hoorne was. Ik ontkende dit ten stelligste.

"Eigenlijk heet ik Joep Kuiper, maar mijn vrienden noemen mij Elly de Waard."

"Joep Kuiper, vreemde naam voor een Vlaming," antwoordde hij. "Heeft u Nederlandse roots?"

"Voor 25%. Mijn grootvader aan moeders zijde heeft destijds nog geholpen om de Waddeneilanden netjes op een rijtje te slepen. Hij had een eigen sleepdienst, ziet u."

"Boeiend, boeiend," monkelde de professor en hij struikelde met zijn versvoeten over een pasgeschoren buxushaagje.

Enfin, genoeg geluld. Nu wil ik graag wat verder lezen in nummer 77 van het legendarische tijdschrift Barbarber. Ha, straffe gast die weet wat er niet klopt aan de vorige zin. Laat het mij weten per e-mail. Mijn waardering om zoveel poëtische kennis zal de uwe zijn.



12:36 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

15-03-05

BLOEDIG VERHAAL (SLOT)

Even voor de laatste schoolbel ontving Jessica een sms van Paolo. Sorry wacht fietsenrek heb verrassing, las ze. Even overwoog ze om het bericht te negeren, maar dat gevoel werd even snel als het opkwam alweer overweldigd door haar popelende hartje. Paolito een verrassing, o, wat zou dat kunnen zijn? Om iets na vijven stond Paolo haar inderdaad op te wachten in de fietsenstalling.

“Surprise, ik wil mijn surprise,” jengelde Jessica met een kleuterstemmetje.

“Straks, Jess,” zei hij, “kom, we gaan. Hou je vast.”

 

Ze hoefde niet te trappen, mocht zich aan Paolo’s schouder laten meedrijven door de kracht van zijn brommertje. Hij verkeerde in een prima bui, want normaal gezien hield hij niet van dit soort ongein. Toch begon ze na een eindje aan die goede luim te twijfelen. Paolo zweeg en bleef zwijgen, hij leek nerveus en afwezig. Tweemaal reed hij bijna op een auto in. Zou er toch meer zijn tussen hem en Maaike? Was dat de verrassing, dat ze zo meteen de bons zou krijgen? Neen, zo was Paolito niet. Hij hield van haar op zijn manier. Toch had ze geen goed oog in wat haar te wachten stond. Paolo was de hele tijd op school geweest, hoe raakte hij dan zo één twee drie aan iets wat haar ook maar enigszins zou kunnen verrassen?

 

De Vespa minderde vaart. Paolo deed een teken dat hij rechtsaf wilde. Waarom week hij af van het gebruikelijke traject? Meteen begreep ze dat dit vast deel uitmaakte van het verrassingsplan. Ze reden voorbij huizen en pleintjes die haar volstrekt onbekend voorkwamen. Even van de vertrouwde route af en ze waande zich in een geheel andere wereld. Vervolgens reden ze een tijdlang tussen akkers en weilanden om uiteindelijk de woonkern te bereiken van een dorpje dat daarnet, van op afstand, niet groter had geleken dan een kerk omringd door enkele met een losse pols rondgestrooide huizenrijtjes en villawijkjes. Ineens rukte Paolo zich los van Jessica die nog altijd aan zijn schouder bengelde. Hij remde bruusk. De piepende banden van zijn Vespa trokken een zwarte streep over het wegdek.

 

“Wat nu weer? Waarom stoppen we? Waar zijn we eigenlijk? Waar gaan we heen?” riep Jessica verschrikt uit toen ze drie huisnummers verder ook tot stilstand kwam.

“Dat wilde ik jou ook vragen, Jess. Heeft dit allemaal nog wel zin?”

“Zie je wel, ik wist het, hé, ik wist het.” De tranen stroomden in gulpen over Jessica’s sproeten.

“Komaan meid, wat krijgen we nu? Dat bedoel ik helemaal niet. Ik heb het over dit Bloedig verhaal, waarin eerst jouw vader en nu wij de hoofdrol spelen.”

“Wat voor een verhaal, wat bazel je eigenlijk?”

“Wij zijn personages, Jessica, ontsproten aan het brein van de een of andere derderangsscribent met een weblog.”

“Weblog?”

“Heb je het dan niet door? Die mafkees laat mij maar benzine verkwisten, laat ons maar draven. En zonet schoot me te binnen waarom dit verhaal Bloedig verhaal heet. Dat stuk krapuul stuurt natuurlijk aan op alweer een gewelddadig einde.”

 

Jessica was met opgetrokken knieën tegen een huisgevel gaan zitten en leek te verbouwereerd om ook maar een woord uit te brengen. Goed zo, want de dialoog tussen die bakvis en haar pokdalige pastador (hé, waarom keurt mijn spellingscontrole dit woord goed?) begint aardig op mijn systeem te werken. Laat die Jessica maar haar wafel houden. Het begon zo grappig op 25 februari in deel 1 van dit verhaal met die hansworst van een Jakobus Notredame – neen, bloedworst lijkt mij een betere benaming –  maar intussen lijkt dit nergens meer op. Boring! Komaan, Paolo, zeg wat je te zeggen hebt, maar make it snappy, want ik ben volop bezig met mijn derde dichtbundel. Denk je dat ik tijd te over heb?

 

“We moeten uit dit verhaal zien te geraken, Jess. Eerst zich vrolijk maken over het aarslek van je vader, hem dan laten doodbloeden, vervolgens die bloedneus, als we niet opletten gebeuren er nog meer ongelukken. We moeten die sadist te vlug af zijn. Die kerel is gestoord. Het zou mijn niks verbazen dat hij ons hier zo meteen de liefde laat bedrijven, in het moestuintje achter die haag bijvoorbeeld, om ons vervolgens te doden, of toch één van ons.”

Ik snap wel waar die viespeuk op aanstuurt, maar Jessica is nog minderjarig. Geen seks met minderjarigen in mijn verhaal, kerel. Trouwens, herinner je je niet meer wat ik de vorige keer over jou schreef, dat je geen greintje romantiek in je tagliatelletorso hebt. Terwijl jij daar staat te zeuren bij het binnenrijden van een dorpje, waarvoor ik nog niet eens een naam wil verzinnen, denk jij helemaal niet aan seks. Neen, jochie. Meer zelfs, laat ik je maar impotent maken, wat bij deze aan de lezers kond is gedaan. Wat zou je dan verlangen naar gewriemel tussen de sla en de snijboontjes, als je je plasser niet eens recht kan krijgen? Wees blij dat ik je voor deze schande behoed. Vergeet niet dat deze weblog dagelijks door grofweg 150 mensen wordt bezocht. Misschien is Maaike Moerman wel één van hen, ik weet wel dat je haar meer dan gewoon sympathiek vindt, nu nog niet, maar laat dit verhaal nog een paar duizend woorden duren en het is zover. Ik herhaal: impotent ben je. En geen gemaar.

 

“Mijn vader? Doodgebloed?” Jessica viel in katzwijm, met haar hoofd tegen het rooster van een kelderraampje. Zal ik het een beetje laten bloeden of niet? Zal ik daar eerst een lezersenquête of televoting over organiseren en dan volgende week nog wat verder schrijven aan dit palliatief stukje? Laat maar zitten. Trouwens, die Paolo heeft mij door. De fun is er voor mij een beetje af.

 

Paolo boog zich over zijn gewond vriendinnetje. Hij tilde haar van de grond. Zijn verwilderde ogen verrieden grote schrik. Waarom eigenlijk? Dat hoeft helemaal niet, jij schrikkepiet, want dit verhaal stopt nu.


19:49 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

11-03-05

DE MUUR

U dacht allicht bij mijn vorige post: daar istie weer, die ijdele, zelfvoldane Hoorne met zijn kijk-eens-naar-mij-attitude. U vergist zich, maar omdat u dat toch niet gelooft, heb ik hier nog wat meer van hetzelfde. In het gloednieuwe nummer 9, maart 2005, van DE MUUR, Wielertijdschrift voor Nederland en Vlaanderen, staat mijn verhaal 'De fabel van de leeuw en de wespen', en ik ben er verdomd ontzettend tevreden over.
 
Ik weet niet hoe het met de uwe is, maar mijn dag kan niet meer stuk. Ik ga nu verder met het strelen van het voorplat. Natuurlijk sta ik daarbij voor de spiegel, terwijl op de achtergrond een bandopname met mijn eigen stem te horen is.

18:50 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

09-03-05

VANDAAG MAG U EEN KIJKJE NEMEN IN...

 

...mijn literair fotoalbum


20:44 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

04-03-05

BLOEDIG VERHAAL (DEEL 2 - I)

Jessica Notredame peddelde met haar roze Kettler richting Grote Baan waar haar vriendje Paolo Simoni haar opwachtte. Toen hij haar zag naderen, startte hij zijn spiksplinternieuwe Vespa PX 150, die hij enkele weken eerder had gestolen uit de toonzaal van Luigi Lanterfanti, een ingeweken Siciliaan van een foute clan, een daad waar hij al meteen spijt van kreeg, want vader Gilberto was in een wilde razernij ontstoken toen hij zijn zoon in het holst van de nacht de PX 150 de garage zag binnenrijden.

"Amateur, figlo di una femmina, rotte olijf, wat is me dat voor stuk speelgoed, jij mislukte lasagne, had Lanterfanti echt geen duurdere modellen staan?"

"Maar papa, dit is mijn eerste diefstal, ik ben nog maar een beginnende ladro, ik moet de professione nog leren."

Gilberto Simoni bleek niet onder de indruk van die verzachtende omstandigheden. Integendeel, hij had zijn enige nog inwonende zoon bij de kraag gegrepen en hem opgedragen het er de volgende keer beter vanaf te brengen.

Jessica vond het vreselijk dat Paolito, zoals ze hem liefkozend noemde, zijn bromfiets al startte voor ze hem goed en wel had bijgehaald. Een vluchtige zoen kon er met moeite af, Paolo had geen greintje romantiek in zijn lijf. Vurige Italianen, my ass, dacht Jessica en ze moest glimlachen om de geheimzinnige ziekte van haar vader. Als je het van alle dramatiek ontdeed, was zo’n bloedend gat om nooit meer bij te komen van het lachen, maar als ze ’s avonds met een dweil rondging om de aangekoekte vlekken op vloer of erger nog, tapijt, te verwijderen, vond ze het lang niet zo komisch meer. Dan schreeuwde ze dat hij verdorie harder moest zoeken naar een dokter die hem wél kon genezen. Mensen sturen raketten naar Mars, graven tunnels onder de zee en zijn in staat om levende wezens te kopiëren, maar met het aarslek van ene Jakobus Notredame weet niemand raad. Komaan zeg! Get a life!

Paolo snorde nog steeds voor haar uit op zijn nichtenbrommer. Godver, waarom hield ze eigenlijk van die klootzak? Het antwoord op die vraag was even simpel als complex. Alle meisjes van haar klas bleken dol op hem. Het vriendinnetje te zijn van die nukkige pizzavreter verschafte haar een status die ze een half jaar geleden niet voor mogelijk had gehouden. Ineens was de kleine Jessica met haar sproetensmoel het middelpunt van alle belangstelling. Als Jessica een trui kocht van het merk huppeldepup, dan liepen één week later alle meisjes en janetten ook met zo’n trui rond. Als Jessica de nieuwste van Britney Spears maar niks vond, reken dan maar dat het geen hit werd in Herk-de-Stad en omstreken.

Die middag zat het er bovenarms op tussen Jessica en haar Paolo. Naar haar smaak had hij op weg naar de speelplaats iets te uitbundig gedold met Maaike Moerman, een wicht van 5LTMT dat vorige maand met haar ouders was teruggekeerd uit Amerika, waar haar vader iets belangrijks deed. Maaike had van Moeder Natuur alles meegekregen wat een meisje maar kon wensen, inclusief een stel hersenen en het obligate schoonheidsfoutje dat het verschil maakt tussen een Barbie uit de speelgoedwinkel en een Barbie van vlees en bloed. Het schoonheidsfoutje bij Maaike Moerman bestond erin dat ze wenkbrauwen had waarmee Jessica’s vader in een mum van tijd alle straatgoten van Herk-de-Stad zou kunnen schoonvegen. Man, had die Maaike een wenkbrauwen. Jessica begreep niet waarom ze die twee poedels boven haar ogen niet met een schaar of tondeuse te lijf ging. In de menigte had Jessica gezien hoe Paolo steels op Maaikes rug tikte, waarna hij snel wegrende, maar niet snel genoeg opdat ze hem niet op haar beurt kon tikken, en dan hij weer, en dan zij weer, de trappen af, tot ze beneden op de speelplaats stonden uit te hijgen als twee hyperkinetische puppies. Ach zo, die macaronimacho kon blijkbaar goed opschieten met Miss Moerman. Jessica naderde Paolo ongemerkt in de rug en trok keihard aan zijn rechter oorlel. Dat had ze beter niet gedaan. In een reflex stootte Paolo zohaast nog harder met zijn elleboog naar de belager achter hem. Gevolg: een bloedneus en een ernstig vermoeden van dentale schade. En nog het ergst van allemaal, die in een onbedaarlijke lach schietende bitch van een Moerman die nog steeds als een loopse teef rond haar lief stond te huppelen. Paolo wist even niet of hij voorrang moest verlenen aan de ernst of het komische van deze situatie. Terwijl hij met een schaapachtige grijns een groezelige zakdoek uit zijn jaszak opdiepte, stoof Jessica in tranen naar het damestoilet om in stilte haar wonden te likken.

Later op de dag, even voor de laatste schoolbel ontving Jessica een sms'je van Paolo…

(wordt vervolgd)


09:30 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

01-03-05

VIJS

Iets kopen boezemt me angst in, zeker als het gaat om een object waarvoor ik diep in de geldbuidel moet tasten. Er scheelt altijd wel wat: een vijsje dat ontbreekt, een functie die niet naar behoren werkt… dan eerst het gehakketak thuis, had je maar dit, had je maar dat, ik had toch gezegd zus, ben je nu nog niet geleerd zo… vervolgens terugrijden naar de winkel, discussie met een zich wellustig in zijn macht wentelende verkoper. Of als het gaat om een ding dat hersteld moet worden: garantie die niet geldt voor uitgerekend dat euvel waar mijn apparaat mee kampt. De waarborg geldt voor het snoer, mijnheer, en niet voor de stekker, en het euvel, dat hebben onze klojo’s in de fabriek in Duitsland na elfendertig manuren, die u ook moet betalen, achterhaald, stelt zich in de stekker en niet in het snoer, het spijt me, ziehier de rekening, daa-aag.

Grote aankopen stel ik zo lang mogelijk uit om die zorgen aan mijn kop te vermijden. Hoe onmaterialistisch ik ook ben, ik kan vreselijk wakker liggen van een vijs die ik niet heb. In een wereld waarin de god die aanbeden wordt een klatergouden rund is, zie ik achter elke vitrine Ome Dagoberts in wit hemd en lelijke das of veel te vriendelijke verkoopsters met foute mantelpakjes die er alleen op uit zijn mijn geld om te ruilen voor alles behalve kwaliteit. Beroepseer bestaat al lang niet meer. Alleen al om dat soort besognes het hoofd te bieden zou ik rijk willen zijn: ik koop tien, bijvoorbeeld, opbergkastjes, een niet onaanzienlijke kans dat er eentje tussen zit waarvan geen enkel toebehoren ontbreekt. Uit de negen andere verpakkingen kies ik de mooiste wisselstukken en berg die op op zolder, voor het geval dat... De rest gaat naar het stort. Daar aangekomen bots ik op een man die me gek verklaart omdat ik zo’n schone marchandise weggooi. Hij vraagt of hij enkele plankjes naar huis mag meenemen voor een nieuw hondenhok. Ik stem volmondig toe en ben gelukkig in mijn rol van onbaatzuchtige weldoener. Zo ook de mij onbekende hondenbaas in zijn rol van de al even onbaatzuchtige ‘welgedane’. That makes two of us. En de hond niet te vergeten, want die gaat uiteindelijk met het been lopen.

Tussen Kerst en Nieuw des jaren 2003 vergaarde ik al mijn moed om even te gaan rondkijken in een klein computerbedrijfje. De oom van de uitbater was een vage kennis van mij. Ik vond dat ik hem dat moest zeggen, deze nerd meteen laten voelen dat hij de schande van de familie kon worden zo hij mij een inferieur product aansmeerde. Daar stond ik dan, in een koud schuurtje, op pad gestuurd door mijn kinderen die voortdurend sakkerden op de oude Olivetti, een afdankertje van op het werk, met zijn schamel 2 gigabyte-schijfje en geen cd-schrijver. Ik vond die ouwe bak nog best te doen, lees: had verschrikkelijke angst om een nieuwe computer met ongetwijfeld heel wat ontbrekende of slecht gemonteerde vijsjes aan te schaffen. Ik keerde na ruimschoots inlichtingen te hebben ingewonnen huiswaarts, apetrots, met een reclamefoldertje en een prijslijst die ik allebei zo snel mogelijk liet verdwijnen. Uit het oog, uit het hart. Ik had mijn goede wil getoond en mijn goede wil is véél meer waard dan zo’n nieuwerwets blinkende machine. Kous af, einde verhaal, verder met de dingen des levens en een 2 gigaschijf die al enkele keren helemaal blauw was geweest, de bits en bytes stroomden het floppydesk uit.

Het zou duren tot februari 2005 voor ik er terug kwam. Hé, knul, herken je me nog? In vijf minuten tijd kocht ik een desktop en monitor, had geen andere keus, thuis stonden mijn dochter van 16 en mijn zoon van 14 mij op te wachten, gewapend met respectievelijk slagersmes en elektrische heggenschaar. Mijn zoon is bijna zo groot als ik en heeft schoenmaat 47, zeg ik er even bij om te vermijden dat u mij een mietje vindt. Met een witte vlag uit het autoraam wapperend parkeerde ik op de oprit. Het is OK, jongens, berg die moordwapens maar weer op, netjes op hun plaats, hé, papa heeft een computer gekocht, wordt overmorgen geleverd. Miserie, kom binnen in mijn nederige stulp, dacht ik bij mezelf. En zo geschiedde.

Ergernis 1: Het gezoem. Heb ik nu een computer of een straaljager gekocht? Dat zijn de ventilatoren, mijnheer. De processor heeft afkoeling nodig. Het went wel, dit type valt eigenlijk nog mee, en, onderschat het voordeel niet, voortaan kan u uw haar drogen met de computer. Voor alle duidelijk, het grapje komt van mij. Ondernemers zijn niet grappig, humor en met geile ogen geld bijeen schrapen gaan nu eenmaal niet samen.

Ergernis 2: Bij het overplaatsen van mijn bestanden heeft het computerjoch mijn adresboek laten verdwijnen. Ik heb een kopie op diskette, maar ook die blijkt waardeloos.

Ergernis 3: Mijn oude modem werkt gebrekkig, is niet compatibel met XP, maar dat besef ik eerst niet. Veel gepruts en ellende, systeemherstel, uninstall, herinstalleren … uiteindelijk belandt het Sempron-kreng terug in het schuurtje bij het neefje van mijn verre kennis. Let op man, je krediet slinkt zienderogen, nonkel Jan zal hier van horen, durf ik hem niet te zeggen, want ik heb mijn factuur al betaald. Mijn lot ligt in handen van deze kleine zelfstandige oetlul met vier spraakgebreken en anderhalf varkensoog. De meest recente software voor die modem blijkt het ook niet te doen, in tegenstelling tot wat te lezen staat op de website van de fabrikant. Alweer veel gepruts en ellende, ik kan de modem niet meer uninstalleren, krijg een foutmelding. Het toestel terug in een deken gewikkeld om beschadiging te voorkomen en terug naar het computerukje, gelukkig maar een kwartiertje rijden.

Meer ergernissen: door al het gewriemel is mijn jaar gratis Norton Antivirus om zeep. Proeftijd verstreken luidt de boodschap op mijn scherm. Wat gaan de jaren toch snel tegenwoordig. Dan maar terug die vertrouwde en solide free edition van AVG. Verder, mijn dochter krijgt van een vriendinnetje een simpel word-document toegestuurd naar haar hotmail-adres en kan het niet openen. Service pack gedoe, zegt neefje neringdoener. Mijn pc lijkt wel strenger beveiligd dan het Navo-hoofdkwartier. Wat nog? Illegale software die ik vroeger wel kon downloaden op mijn twee gigaatje, kan ik nu niet meer binnenhalen. Ik kies dan maar voor een legaal equivalent. I fought the law and the law won. Ik ben moegestreden en droom heel even van een solitair leven als schapenneuker in de Schotse Highlands.

Bovendien lijkt dit nieuw beest mij uitermate geschikt om schijfjes te spelen en te branden, om videootjes te bekijken, maar nodigt hij absoluut niet uit om te schrijven. Het is allemaal een beetje flashy en erg onpoëtisch, ook al heb ik uitdrukkelijk niet gekozen voor het model met de ingebouwde lichtinstallatie. De invloed van dit tuig op mijn toekomstig literair werk kan ik op dit moment moeilijk inschatten, maar als ik straks een sonnet schrijf over geworstel met soft- en hardware, weet dan dat het autobiografisch is.

Ik heb gisteren een andere modem gekocht, een Thomson Ethernet. Het ziet ernaar uit dat het dit keer zal lukken, maar ik besef dat ik door dit te schrijven allerlei nieuw onheil over mij afroep.


13:35 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

25-02-05

BLOEDIG VERHAAL (DEEL 1)

Jakobus Notredame gleed zijn bed en pyjama uit, de badkamer in, waarna hij gewassen en geschoren de keuken indook om zoals elke dag drie boterhammen met choco te eten. Zijn dochter Jessica zwaaide hem al op haar fiets springend van achter het keukenraam een ochtendgroet toe, en repte zich naar het Franciscus Xaverius Waterslaeghers-instituut in Herk-de-Stad centrum voor alweder een tevergeefse schooldag, want het wicht was nog dommer dan het gat van Leeuw Museeuw (zie foto), de laatste der dikbillen van boer Tuur, de buurman. Deze dagelijkse drukte ontging zijn vorig jaar overleden vrouw Jennifer, die onbewogen op de schoorsteenmantel in haar urne rustte. De vertederende compactheid van zijn gewezen levensgezellin wekte nog steeds grote ontroering op bij Jakobus. De gedachte dat ze een week voor haar fatale ongeval nog hadden overwogen om met het gezin een groter huis te betrekken aan de rand van de stad, deed hem nog dagelijks naar zakdoek, wc-papier of dweil grijpen. Jakobus leed sinds de dood van zijn vrouw immers aan een bijzonder zeldzame aandoening: telkens hij begon na te denken bloedde zijn gat. Om alle misverstanden weg te nemen, wil ik onderstrepen dat hier met gat hetzelfde bedoeld wordt als de achterkant van het rund van boer Tuur, nl. achterwerk, derrière, zitvlak, schijtgat, hol… Vind zelf nog enkele synoniemen, want dit verhaal begint vaart te verliezen, en een verhaal dat vaart verliest, is een beetje zoals de dichtbundel Alaska van Peter Verhelst: tamelijk langdradig. Wat een geluk dat Jakobus die overbodig geworden pakken maandverband van zijn eega niet had weggegooid, hij kon ze verdorie nog goed gebruiken, wie had dat kunnen denken.

Het leven zit raar ineen, en de dood nog raarder, bedacht hij, maar dat had hij beter niet gedaan. Jakobus veegde de choco van zijn mond en, in de badkamer, de bloedstrepen van gat en billen. Jakobus Notredame veegde wat af op een dag, want beroepshalve werkte hij als straatveger bij de gemeentelijke reinigingsdiensten. Leeuw Museeuw noemden zijn werkmakkers hem spottend. Dat kwam omdat zijn gat met altijd zo’n mini-matras tussen zijn benen net zo dik leek – bij manier van spreken – als de bips van de gelijknamige koe van boer Tuur.

"Is er ook geen wielrenner die zo heet?" vroeg Heintje, de stagedoende junior-straatveger.

De mannen leunden op hun borstel en dachten diepen na. In de overall van Jakobus begon zich een rode vlek af te tekenen.

"Godverdegodver, ge weet dat ge zo geen vragen moet stellen, bezie mijn gat nu weer,’ sakkerde Jakobus. "Natuurlijk is er een coureur die zo heet, Johnny Deleeuw, won vorig jaar nog de Omloop der Vlaamse Kerncentrales in Doel, en dit jaar de Trofeo Gilberto Simoni, de wisselbeker van de uitbater van de pizzeria aan de Brusselsesteenweg."

Hilariteit alom om Jakobus’ opwinding en het uit zijn broekspijp druppende bloed. Zo’n vreemde vogel in je werkkring, het kleurt de dag. Rood in dit geval.

"Gilberto Simoni van de pizzahut? Zijt ge met mij aan ’t lachen of wat," antwoordde Heintje, "Giberto Simoni, dat is toch een coureur. Die Deleeuw ken ik niet, maar Simoni, dat ben ik zeker, da’s een coureur, niet zeveren hé, maat, mijn hoofd staat er niet naar."

"Simoni is de spits van AC Milaan," zei Roger Desmaele, die tot dan toe gezwegen had. "Vraag dat maar aan Jakobus. Sinds zijn dochter vrijt met de zoon van Café Tifosi zal het wel Azzurri boven zijn ten huize Notredame," grinnikte hij.

Jessica? Vrijen? Met een Italiaan? De zoon van die minkukel van Tifosi? Jakobus’ hersenen draaiden op volle toeren. Ineens begreep hij waarom ze ’s morgens altijd zo vroeg vertrok en ’s avonds zo laat thuis kwam van school, en in de weekends altijd de deur uit moest voor allerlei schoolse en buitenschoolse taken, groepswerken en marathonvergaderingen. Gedachten hamerden in zijn hoofd. Jakobus stond perplex en tot de enkels in zijn eigen bloed. Didier M’Benga, niet dé Didier M’Benga, maar de gelijknamige straatveger, die tot dan toe gezwegen had en dat zou blijven doen omdat hij doofstom werd geboren, haalde zijn gsm uit zijn zak, gaf hem aan Roger en gebaarde met een opgestoken wijsvinger gevolgd door twee kringetjes met duim en middelvinger dat die de 100 moest bellen. Tegen de tijd dat die ter plaatse was, kletterde een rode zee in de rioolputjes en lag Jakobus opgebaard op het dak van de camionette van de groendienst onder twee groene vuilniszakken. Roger, Didier en Heintje klemden zich vast aan de portieren om niet door de smurrie te worden meegesleurd. De straten zouden er straks rood maar proper bijliggen. Het leven zit raar ineen. En de dood nog raarder.


08:08 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

21-02-05

POËZIERAPPORT - STAND VAN ZAKEN

Het is een tijdje geleden dat ik het hier nog over mijn geesteskind, de poëzierecensiewebsite POËZIERAPPORT, heb gehad.

 

Momenteel zitten we nog steeds in een soort van opbouwfase. De site wordt gevoed met recensies van Chrétien Breukers, Patricia Lasoen en mezelf. Ik ben heel tevreden over de stukken die tot nu toe geplaatst zijn. Dat komt natuurlijk omdat ik kan rekenen op bekwame medewerkers. Ze moet iets afweten en houden van poëzie, en sprankelend kunnen schrijven, dat laatste vooral. De recensies van Chrétien worden alsmaar beter en hij levert niet alleen kwaliteit maar ook kwantiteit. Patricia Lasoen op haar beurt is al 35 jaar dichteres. Ervaring en het hart op de tong zijn haar kernwoorden. Ik hou heel veel van pittige recensies met een ziel.

 

Een recensie is de mening van één persoon over één boek (of film, of cd…) en in die zin geheel en al onbelangrijk. Want worden we niet stilaan ziek van al die meningen die ongevraagd gespuid worden? Het moet bovenal een leuk tekstje zijn. Leuk betekent ook uitnodigend, attractief, en dat is slechts mogelijk als het goed geschreven is. Stijl is misschien niet alles, maar toch heel veel. Vanaf mijn eerste recensie destijds profileerde ik me niet als recensent maar als een parodie van een recensent. De impact van een recensie is quasi nul, zo stelde ik me voor, en stel ik me nog altijd voor. Koopt u een bepaald merk van waspoeder omdat het u tijdens een avondje tv een tiental keer in de maag wordt gesplitst? Neen toch. Een recensie gaat om niks anders dan ijdelheid: ijdelheid van de recensent (kijk eens hoe leuk ik kan schrijven), ijdelheid van de auteur (fier koketteren of furieus fulmineren), ijdelheid bij de uitgever (we bestaan, en ze weten het out there).

 

Achter de schermen zijn drie recensenten zich aan het opwarmen om de POËZIERAPPORT-redactie te versterken: de Nederlander Cees van der Pluijm, en twee voortreffelijke dichters/publicisten uit mijn streek, nl. Alain Delmotte en Paul Rigolle. Ik popel van ongeduld om de eerste bijdragen van deze drie heerschappen te mogen lezen en op de site te zetten. Intussen zijn we voortdurend op zoek naar nieuwe medewerkers. Iemand liet de naam Kees Engelhart vallen. Ken ik niet, moet ik nog even natrekken. Ikzelf aas dan weer in stilte op kleppers à la Ingmar Heytze, al weet ik niet of die happig zijn om gratis ende voor niks stukken te leveren.

 

Mijn wensdroom is dat de redactie ooit zal bestaan uit een 15-tal recensenten en dat elke bundel die in het Nederlandse taalgebied verschijnt door onze handen passeert, dat we m.a.w. de norm worden in de ‘poëzierecenseerbranche’. Wie niet besproken zal worden op POËZIERAPPORT telt niet mee, zoiets. Uit het grote aantal bundels dat ons ongevraagd toegestuurd wordt, leid ik af dat de uitgeverijen in elk geval vragende partij zijn. Het spijt me dat we de vloed momenteel niet aankunnen. Het ergste wat een boek kan overkomen is dat het doodgezwegen wordt. Boeken zijn als mensen, ze hebben een identiteit en die heeft liefde nodig, en als dat niet kan, dan nog liever uitgescholden dan genegeerd te worden. In de papieren pers is er hoe langer hoe minder ruimte voor besprekingen van Nederlandstalige dichtbundels. POËZIERAPPORT kan een alternatief bieden, maar dan moet er na de opbouwfase een vervolg komen, een soort van erkenning, die zich vertaalt in bijvoorbeeld een betoelaging van de Fondsen voor de Letteren of andere instanties. Dan kan ik de medewerkers een vergoeding geven voor het gedane werk. Daar zal dan wel tegenover moeten staan dat er ineens wel deadlines zullen zijn, dat het allemaal wat minder laissez faire laissez passer zal worden, updating op vaste dagen, schrijfdiscipline, bezoekerswerving, randactiviteiten en dat soort dingen.

 

Tot het ooit zover is of nooit zover zal zijn, geachte lezer, blijf POËZIERAPPORT bezoeken, post uw reacties, meld u met de 'verwittig mij'-knop aan om nieuwe recensies persoonlijk toegestuurd te krijgen. Wat we doen is dan misschien wel zinloos, maar we doen het graag en we doen het voor u. Zonder dank.


20:53 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

08-02-05

MIJN GROOTVADER YOURI

Ik weet het, het is hier nogal stil de jongste dagen. Als ik lange tijd niets post ben ik ofwel dood ofwel druk bezig. Niet dood dus. Wel druk bezig. Jongens, wat ben ik druk bezig, zo druk bezig ben ik nog maar zelden geweest. Zo moet ik vanavond nog mijn tenen uitkuisen, enkele gedichten kiezen die ik zondag zal lezen in de Sint-Maartenskerk te Kortrijk als literair tussendoortje tijdens een klassiek concert, de poezen knuffelen en mijn oorschelpen ontharen aan de buitenkant. Morgen dan gezond weer op om voor dag en dauw naar de buurvrouw te gluren, een vals plafond te steken, de laatste hand te leggen aan een verhaal voor het wielertijdschrift De Muur en mijn oorschelpen te ontharen aan de binnenkant.

Ik voer hygiëne hoog in het vaandel, dat heb ik van mijn grootouders. "Nooit ongewassen de straat op," zei mijn grootmoeder altijd. "Zo is het maar net," vulde mijn grootvader aan, "je weet maar nooit dat je op straat een meid tegen het lijf loopt die vraagt of ze je even mag pijpen." Mijn grootvader, laten we hem Youri noemen, want zo heette hij, liep dan ook ganser dagen over straat, altijd gewassen en alvast met zijn gulp open. "Je weet maar nooit dat je op straat een meid met weinig tijd tegen het lijf loopt die vraagt of ze je even mag pijpen," hoorde ik hem eens mompelen. Youri was een controlefreak, altijd op alles voorbereid, altijd mondvoorraad voor tenminste één week op zak. "Je weet maar nooit dat je ontvoerd wordt door een zootje ongeregeld en uit de auto gegooid ergens ter hoogte van de Hoge Venen" – hij dacht af en toe ook wel eens aan iets anders dan aan seks. Vanaf die gedachte droeg Youri steeds een kompas en een stafkaart van de Hoge Venen bij zich. Mijn grootvader rookte niet, maar je kon steeds bij hem terecht voor een vuurtje. "Je zal maar terechtkomen op een concert van Clouseau en bij 'Afscheid van een vriend' niet met je aansteker kunnen zwaaien."

Je kan gerust stellen dat mijn grootvader aan moeders kant, de genaamde Youri Commeyne, een groot denker was. Op 87-jarige leeftijd stierf hij aan een hartaanval toen hij op een vriesmorgen in de Botersteeg gepijpt werd door Zulma, een kleindochter van zijn boezemvriend Wesley Vanoverschelde, de hoer. Maar geen nood, bij zijn identiteits- en bloedgroepkaart zat een kaartje met het adres van een begrafenisondernemer. Op de ommezijde stond in beverig handschrift: ‘NIET begraven, CREMEREN graag!’ Mijn grootvader Youri, voorwaar een gedenkwaardig man.


13:35 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |

28-01-05

DRIEK

Driek van Wissen is dus de nieuwe Nederlandse Dichter des Vaderlands. Had u, en nu richt ik mij tot mijn Vlaamse lezers, al ooit van de man gehoord? Misschien, het handvol kenners onder u. Iets van hem gelezen? Denk het niet. Driek van Wissen is Nederlandser dan pindakaas, zo lijkt het wel. Tot voor enkele jaren dacht ik dat Driek van Wissen een alter ego was van Jean-Pierre Rawie, omdat de twee vaak in één adem genoemd worden en de ene zelden of nooit in beeld komt en de andere nogal vaak. Een beetje zoals Han van der Vegt en Peter Holvoet-Hanssen, Yusef el Halal en Ernest van der Kwast, Bjarne Donderdag en Joris Denoo, Cynthia C. O’Twé en Diana Ozon.

Maar hij bestaat dus, den Driek, ik heb hem op de vooravond van Gedichtendag met mijn eigen ogen gezien op de Nederlandse buis, terwijl op VTM de meest voorspelbare Gouden Schoen aller tijden werd uitgereikt tijdens een gala waarin de moppen over elkanders baarden struikelden. Driek van Wissen is een wat jofele man, het gifgroene pak dat hij droeg in zijn introductiefilmpje liet daar geen twijfel over bestaan. Hij leek zo van onder een Parijse brug weggeplukt. Maar daar gaat het niet om, gelukkig maar. Trouwens, zijn voornaamste tegenstanders leken ook van onder bruggen weggeplukt.

Van Wissen is een rijmelaar, een pretpoëet, een Sinterklaasdichter wordt er her en der geroepen. Mens erger je niet, denk ik dan, maar ik heb makkelijk praten, ik woon in een land waar poëzie zo goed als doodgezwegen wordt. Wij hebben niks om ons collectief druk over te maken. Tijdens de voorbije verkiezingscampagne heeft men er in de media de nadruk op gelegd dat een DdV vooral gelegenheidsversjes uit zijn mouw moet kunnen schudden als weer eens een kind van koninklijken bloede uit een royale baarmoeder wordt getrokken of als een door de tand des tijds aangetaste dijk doormidden breekt. Vergelijk het met wat mijn nonkel Gustaaf doet op trouwfeesten en partijtjes, maar dan gepubliceerd in de krant en voorgedragen op radio en tv. Nederland heeft gekregen wat het wilde: een Pipo de Clown, een Bassie, en dat zeg ik met alle respect, want het light verse is mij genegen – mits kwaliteitsvol – en de avonturen van Bassie en Adriaan behoren tot het mooiste wat ik ooit zag op tv. Ik bedoel maar: niet zeuren, Nederland. En Driek van Wissen mag dan vanuit Vlaamse ogen bekeken een DdV zijn van de tweede of derde garnituur, laten we de man een kans geven. Als hij mij met zijn dichies aan het lachen kan brengen, zal ik hem snel sympathiek gaan vinden. Pas op, Wissen, ik lach niet makkelijk, maar als ik lach beeft de zee aan de andere kant van de wereld. Met mijn excuses aan de mensen die daar onlangs last van hebben ondervonden.

Komrij is de vader van de Sandwich-reeks, de Poëzieclub en het poëzietijdschrift Awater. Vinkenoog is de peter van de Windroos-reeks, dat is gezien zijn kort interregnum ook niet mis, al moeten ze nu niet gaan overdrijven met die poëziereeksen. Voor dat soort van poëziebevorderende initiatieven hebben we een DdV, zo zie ik het. Welke initiatieven de nieuwe zal nemen, daar heb ik het raden naar. Balpennen en postzegels ter zijner promotie kan hij als de beste in elkaar flansen, maar zal de man ook iets betekenen voor dé poëzie? Zal van Wissen er in slagen iets te betekenen voor deze verre Vlaamse dichter? Ik ben benieuwd.

Driek van Wissen als DdV: ik ben niet voor, ik ben niet tegen, want ik ken de man niet, heb deze week voor het eerst een vers van hem gelezen, over een hond die bijt en wordt teruggebeten. Misschien heb ik over vier jaar wel een mening. Ach, waar moet een mens het op zijn verdomde weblog altijd over hebben?


20:18 Gepost door philip hoorne | Permalink |  Facebook | |  Print | |